+ Meer informatie

DE DIENST DER GENEZING IN DE GEMEENTE VAN CHRISTUS

20 minuten leestijd

1. De wat ouderen onder u zullen zich de naam van ds. A.K. Straatsma herinneren. Hij was destijds hervormd predikant in Den Haag en is bekend geworden door zijn radio-lezingen onder de titel „Kent gij uw bijbel?”. In zijn boek „Uit de Kamferkist” vertelt hij over zijn leven en zijn werk als predikant. Er staat ook een hoofdstuk in over ziekenbezoek. Daarin schrijft hij dat de geschiedenis van Petrus en de verlamde man aan de Schone Poort altijd op hem grote indruk maakte. „Wat een geloofsmoed om zomaar, midden tussen de mensen, te zeggen: ‚zie naar ons’ en onmiddellijk daarna: ‚in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, wandel!’. Waarom heb ik dat nooit gedaan?”, schrijft hij. „Ik heb er wel eens aan gedacht: bij een t.b.-patiëntje met zulke bange, hunkerende ogen, een meisje dat sterven moest en zo zielsgraag wilde leven. Door het intense medelijden kreeg ik eens het verlangen om haar hand te grijpen en ook te zeggen: ‚in de naam van Jezus Christus, sta op!’. Het is niet gebeurd. Waarom niet? Was het kleingeloof? Was ik daar, met dat zieke kind, vlakbij het wonder, dat ons is ontgaan door eigen schuld? Of zou het overmoed geweest zijn, waarvoor ik zeker gestraft zou zijn door het uitblijven van het wonder?”

Het is lang geleden dat ik dit las. Toch moest ik er meteen aan denken toen mij gevraagd werd iets te zeggen over de dienst der genezing. Want de vragen die daarbij aan de orde moeten komen, zijn door ds. Straatsma precies verwoord. Is het kleingeloof als we geen wonderen verwachten of is het overmoed als we ze wel verwachten?

2. Het is door het lezen van de bijbel dat deze vragen worden opgeroepen, leder die de bijbel kent, weet van Naäman en van Hizkia, van de schoonmoeder van Petrus en van Bartimeüs en van vele, vele anderen die op wonderlijke wijze werden genezen. In Psalm 103 : 3 wordt zomaar in één adem gezegd dat de Here „al uw ongerechtigheden vergeeft en al uw krankheden geneest”. Jezus zendt zijn apostelen er op uit om het Koninkrijk Gods te verkondigen èn om genezingen te doen (Luc. 9: 2). In 1 Cor. 12 lezen we over een gave van genezingen, die door de Heilige Geest aan de gemeente gegeven werd. En in Jacobus 5 wordt aan de zieken de raad gegeven de oudsten van de gemeente te roepen om voor hen te bidden en hen te zalven. „En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken en de Here zal hem oprichten” (vs 15). Als zoiets onder ons niet gebeurt, is de oorzaak daarvan dan te zoeken in ons kleingeloof? Staan we daardoor de Here in de weg?

In de bijbel lees je echter ook over mensen die niet genezen worden. In Bethesda was een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden (Joh. 5: 3); Jezus geneest er maar één. Paulus schrijft ergens dat hij zijn medewerker Trophimus ziek te Miléte moest achterlaten (2 Tim. 4 : 20) en Timotheüs raadt hij aan wat wijn te gebruiken voor zijn maag en voor zijn gedurige ongesteldheden (1 Tim. 5: 23). Paulus zelf was zeker geen krachtige, gezonde persoon. De doorn in het vlees, waarover hij spreekt in 2 Cor. 12:7, kan een pijnlijke kwaal geweest zijn. Met uitdrukkingen als „het vervallen van de uiterlijke mens” (2 Cor. 4: 16) en „de afbraak van zijn aardse tent” duidt hij de vermindering van zijn krachten en het achteruitgaan van zijn gezondheid aan. Moeten wij er dan ook geen rekening mee houden dat ziekten nu eenmaal bij ons aardse bestaan horen en is het daarom overmoed als we iets anders verwachten?

3. Maar wat moeten we dan denken van de wonderlijke genezingen die in heel de loop van de kerkgeschiedenis hebben plaatsgevonden? Irenaeüs in de tweede eeuw, Ter-tullianus in de derde eeuw, Johannes Chrysostomus in de vierde eeuw, Augustinus in de vijfde eeuw, zij allen vertellen van genezingen op het gebed. Op concilies in de negende eeuw wordt gesproken over de zalving van zieken en hun genezing. In de oosters-orthodoxe kerk is het zalven van zieken nu nog in gebruik. In de Rooms-Katholieke kerk ook, maar daar verschoof vanaf de twaalfde eeuw de betekenis. De zalving werd aan stervenden toegediend. Want, zo zei Thomas van Aquino, het heilig oliesel is een sacrament, dat de stervenden helpt om ongehinderd de heerlijkheid binnen te gaan.

De reformatoren keerden zich tegen deze opvatting. Zij wezen de weg van het gebed voor zieken en stervenden. „Het gebed doet grote wonderen”, schreef Luther, „het heeft in onze tijd drie mensen uit de doden opgewekt: mij, toen ik doodziek lag, mijn vrouw Käthe, die ook doodziek was, en magister Philippus Melanchton, die in het jaar 1540 in Weimar doodziek lag”.

In de tijd na de Reformatie kwamen genezingen op het gebed o.m. voor in de kring van de Hernhutters. In de vorige eeuw trok het werk van Johann Christoph Blum-hardt grote aandacht. Na de wonderlijke bevrijding van het bezeten meisje Gottliebin Dittus in 1843 kwamen velen naar Möttlingen om er genezing te vinden. In de vijftiger jaren van deze eeuw deden in ons land Hermann Zeisz en de Amerikaanse evangelist Th. Osborn van zich spreken door hun campagnes. Er zijn er onder u die zich dat zullen herinneren. Nú vraagt m.n. de charismatische beweging aandacht voor de boodschap der genezing. De gereformeerde predikant dr. K.J. Kraan schreef een aantal jaren geleden een handboek voor de dienst der genezing.

De eeuwen door is er dus positieve aandacht voor de betekenis van het geloof in Jezus Christus voor het lichamelijk welzijn geweest.

Toch is er in de kerkgeschiedenis ook duidelijk een andere lijn te zien. Gregorius de Grote vindt het in het begin van de zevende eeuw nog een „verschrikkelijke beschikking van God” dat de genadegave der genezingen is weggenomen. Niet dat zij helemaal niet meer vóór komt, zo schrijft hij, maar niet meer openlijk en dagelijks, zoals in de eerste tijden.

In de twaalfde eeuw b.v. is het al zover dat men ziekten meer en meer gaat zien als een geestelijk voorrecht, als een verdienstelijk delen in het lijden van Christus.

Deze ontwikkeling werd bevorderd door de invloed van de Griekse, onbijbelse gedachte over de scheiding van ziel en lichaam. De ziel is dan het belangrijkste in de mens. Het lichaam is van minder betekenis. De verkondiging van de kerk richtte zich tot de ziel. Het ging om háár verdorvenheid, háár redding, háár zaligheid. Het evangelie werd ook zo uitgelegd: Jezus geneest de melaatsheid van de ziel. Alle lichamelijke kwalen, waarvan het evangelie vertelt, werden tot innerlijke gebreken. Daarvan moet Jezus ons bevrijden.

Tegelijk is de eeuwen door betoogd dat de wonderen, waarvan we lezen in het N.T., behoorden bij de begintijd van de kerk. Als Calvijn bij zijn uitleg van de evangeliën toegekomen is aan Marcus 16 :17 en 18: „Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: …op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden”, dan schrijft hij: „Ofschoon Christus niet uitdrukkelijk zegt, of Hij wil dat deze gave tijdelijk is, dan wel dat zij duurzaam in de kerk verblijft, is het toch waarschijnlijker dat de wonderen slechts voor een tijd beloofd werden om het nieuwe en toen nog duistere evangelie toe te lichten. Het is wel mogelijk dat de wereld vanwege haar eigen ondankbaarheid van deze eer beroofd is, maar ik stel dat het eigenlijke doel van deze wonderen was dat de leer van het evangelie in het begin niet zonder bewijs zou zijn. En zeker zien wij, dat zij niet veel later ophielden gebruikelijk te zijn of dat zij tenminste zo zeldzaam voorkwamen dat men daaruit wel mag afleiden dat zij niet in gelijke mate aan alle eeuwen gemeen zijn”. U hoort dat Calvijn nog voorzichtig is. Het kan zijn dat wij zelf er de oorzaak van zijn dat er geen wonderen gebeuren, maar het kan ook zijn dat ze door Christus als tijdelijk bedoeld zijn. Ursinus is in zijn Schatboek veel beslister. Hij schrijft: „De gezondmaking des lichaams heeft mèt andere miraculeuze gaven in de gemeenten opgehouden”.

Gelet op de gangbare gedachten in onze kring lijkt het me goed om op twee standpunten nader in te gaan, nl. dat de ziel belangrijker zou zijn dan het lichaam en dat wonderen van genezing alleen tot de begintijd van de kerk zouden behoren.

4. a. Wat het eerste betreft: We leven niet om gezond te zijn. Als we gezond mogen zijn is dat om te leven voor God en de naaste. In onze tijd is er een ontzaglijk grote aandacht voor de lichamelijkheid van de mens en bestaat er een gezond-heidscultus. Het is goed om daartegenover te blijven benadrukken dat wie volledig mens wil zijn, zowel aan zijn lichaam als aan zijn ziel aandacht moet geven. Maar dat moeten wij zèlf dan ook doen. In het rapport dat de synode van de Ned. Herv. Kerk destijds liet uitgaan onder de titel „Vragen rondom gebedsgenezing”, staat terecht: „Een verkondiging, waarbij alle nadruk gelegd wordt op de vergeving en waar over de belofte van genezing altijd gezwegen wordt, is ook een gereduceerde verkondiging”. Johannes schrijft in zijn 3e brief aan het adres van Gajus: „Geliefden, ik bid dat het u in alles welga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel welgaat”. Dat lijkt me een gezond gebed. We verwachten van God het welzijn van onze ziel en van ons lichaam.

b. Mogen we daarbij ook nu nog wonderen verwachten of vonden die alleen plaats om het evangelie in het begin ingang te doen vinden in de wereld? Calvijn aarzelde al om dat laatste zonder meer te stellen. Terecht, mijns inziens. Want als naar onze waarneming wonderen van genezing nu minder plaatsvinden dan in de tijd van het N.T., dan mogen we daaruit niet zomaar de gevolgtrekking maken dat God dat zo bedoeld heeft. Er kunnen ook andere oorzaken voor zijn. De Schrift geeft er wel aanleiding toe om een explosie van wonderen als zeer bijzonder te zien. Daarbij denk ik aan b.v. Hand. 19 : 11: „God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren”. Maar wie de raad leest, die Jacobus aan zieken geeft om de oudsten te roepen opdat door hun gelovig gebed de lijder weer gezond zal worden, krijgt niet de indruk dat hiermee een zeer bijzondere situatie wordt aangegeven. In de bijbel wordt het plaatsvinden van wonderen vaak verbonden met het laatst der dagen. En in die tijd, die begonnen is met de komst van Christus, leven wij. Daarom geloof ik dat Thurneysen gelijk heeft als hij zegt: „In het Woord Gods zelf is voorzien en beloofd dat een weerschijn van het bijbels wondergebeuren ook het voortgaande woord der verkondiging der kerk kanen zal begeleiden”.

5. Als dat nu onder ons niet zichtbaar is, hoe komt dat dan? Met die vraag zitten we nog altijd. Verwachten we te weinig of toch te veel? Kleingeloof of overmoed? Hoe komen we er uit? Waar vinden we antwoord?

Bij Christus. Hij is ons door God geschonken tot wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en tot volkomen verlossing (Heid. Cat. zondag 6). Een volkomen verlossing omvat ook die van ons lichaam. Daarom heeft Christus het opgenomen tegen de machten die ons lichaam verwoesten. Hij bestraft de koorts bij de schoonmoeder van Petrus. Achter een vrouw, die achttien jaar verkromd was, ziet hij de satan, zijn tegenstander. Jezus is gekomen om diens werken te verbreken. In het evangelie zien we twee rijken, twee machten met elkaar in een strijd verwikkeld. De boze probeert zijn verwoestende heerschappij uit te oefenen in deze wereld. Hij is vanaf het begin de grote moordenaar van mensen. In Christus begint God een reddend tegenoffensief. Zijn rijk. Zijn heilzame heerschappij breekt in de woorden en daden van Christus door in deze wereld. Zo moeten we ook de genezingen zien die Jezus verricht. Hij is niet zo maar een wonderdoener. Door Hem grijpt God de nood van deze wereld aan, de totale nood — zonde èn ziekte — en Hij laat zien dat Hij die aankan. De genezingen zijn daarvan het bewijs. Zij verkondigen Zijn overwinning. Daarom geneest Hij b.v. in Bethesda maar één man. Daarmee heeft Hij ook daar Zijn overwinning verkondigd. Je kunt je op de wonderen die Jezus deed, verkijken, ’t Was mogelijk er alleen maar een miraculeus gebeuren in te zien. Maar wie ze goed, d.w.z. in het geloof, beschouwde, zag er Gods heilzame heerschappij in aanbreken. Het rijk brak er in aan. Het was een begin, de garantie ook voor de eindoverwinning. Op Pasen is onweerlegbaar gebleken dat Jezus overwinnaar is over alle verwoestende machten. En dat juist wekt de hoop, de verwachting dat ieder die bij Christus hoort, zal ervaren dat Hij ons gegeven is tot een volkomen verlossing van ziel en lichaam. Juist ook door Zijn wonderen van genezing heeft Jezus de verwachting gewekt dat Hij het is die ons lichamelijk bestaan bevrijden zal van elke kwaal, van alle pijn. Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen (Jes. 54 :4, Matth. 8 : 17) en Hij draagt ze weg, net zoals Hij als het Lam Gods onze schulden wegdraagt. Ja, die verwachting wekt Christus, de verwachting van een Rijk, waarin geen inwoner meer zal zeggen: ik ben ziek (Jes. 33 :24). De genezingen, die Hij verricht, zijn voorbode en waarborg van dat Rijk.

Zo kunnen ze ons nu tot geweldige troost zijn. Een man in mijn gemeente, die vreselijk doof was en daardoor ook eenzaam, verheugde zich er kort voor zijn sterven op dat hij straks weer zou kunnen horen.

6. Die verwachting richt zich echter op de toekomst, op de voltooiing van wat in Christus begonnen is. Maar wat mogen we nú verwachten? Mogen we nu ook al iets ervaren van de overwinning, die Christus behaalde op de machten van dood en verderf? Christus is toch de levende, die nog in deze wereld werkzaam is? Hij heerst nu als koning totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. Straks zal Zijn overwinning volkomen zijn, maar mogen we daar nu al wat van zien? Mogen we verwachten dat de krachten der toekomende eeuw zich ook nu al laten gelden?

Prof. Versteeg schrijft in zijn inaugurele rede „Het heden van de toekomst”: „Wat in de opgestane Christus werkelijkheid is, komt in de Geest tot de gelovigen, zodat het voor de gelovigen zowel werkelijkheid is alsook werkelijkheid zal worden”. Door Zijn Geest is Christus nog altijd bezig Gods heilzame heerschappij te verwerkelijken. Door Zijn Woord en Geest voert Hij nog altijd Zijn strijd in deze wereld tegen de machten die uit zijn op onze ondergang. Wij zijn gewend om het werk van de Geest te beperken tot wat Hij in ons innerlijk doet. Moeten we ons hier niet herinneren dat volgens 1 Cor. 12 de Geest ook gaven van genezing schenkt? In het rapport van de Ned. Herv. synode, waaruit ik eerder citeerde, staat: „Het is moeilijk te denken, dat uit de rijke schat van zegeningen, waarmee Christus dagelijks tot Zijn gemeente komt, de zegeningen voor het lichaam.… nu plotseling uitgesloten zouden zijn”.

Wellicht kunnen we nu wat duidelijker tegen elkaar zeggen hoe Christus die zegeningen voor het lichaam schenkt. Want we hebben gehoord dat Christus in deze wereld kwam om het rijk, de heerschappij van God te verwerkelijken. Dat bracht Hem in conflict met het rijk van de tegenstander, de boze. Waar het nu vóór alles om gaat, is dat wij beseffen dat wij in dat conflict betrokken zijn. ’t Gaat er om wie heerschappij over ons leven heeft. Zoek eerst het koninkrijk Gods — en dat geldt zeker ook als het om zegeningen van het lichaam gaat. We zoeken niet in de eerste plaats genezing, maar God en Zijn wil. Het gaat er om dat de Here Zijn gang kan gaan in ons leven, dat Hij met ons doen kan wat Hij wil. Dr. Kraan zegt in zijn handboek dat genezing ontvangen wordt op de wijze van de heiliging van ons leven. Dat wil zeggen dat de Geest ons gehoorzaam maakt en onder Zijn tucht brengt.

Afgelopen zondag preekte ik in een andere gemeente dan Veenendaal. Ik vertelde in de preek dat ik vandaag hier over genezing moest spreken. Naar aanleiding daarvan vertelde een mevrouw mij dat zij van een kwaal, waaraan ze jarenlang leed, goeddeels was genezen. Uit wat ze zei, bleek me, dat dit was samengegaan met een grotere toewijding aan de Here en ook met een gewoon gezondere manier van leven. Genezing betekent dat ook in ons lichamelijk bestaan Gods heerschappij een overwinning behaalt. Dat houdt dus in dat we ons van harte aan die heerschappij onderwerpen. Dan gaat het ons niet meer om genezing op zichzelf. Want als we, na genezen te zijn, onze eigen weg zouden gaan, brengt het ons geen baat.

Ds. Hijmans schrijft in zijn boekje over geloofsgenezing: „Het komt in de eerste plaats aan op een werkelijke omgang met God. Er staat toch niet voor niets in de bijbel: des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen en Zijn verbond maakt Hij hem bekend”. In de vertrouwelijke omgang met de Here leren wij Zijn wil voor ons leven al dieper verstaan. Hij geeft ons antwoord. Daar mogen we, daar moeten we op rekenen. De Here kan ons er toe brengen om met volharding genezing van Hem te verwachten. Hij kan ons er ook toe brengen het er mee eens te worden dat Hij ons die nu nog niet schenkt. Het is Gods wil om te genezen. Maar het is Zijn beslissing wanneer en hoe Hij die schenkt. Als we ziek zijn, willen we er doorgaans zo snel mogelijk vanaf. Terecht. Want ziek-zijn is in zichzelf niet iets goeds. God kan het wel tot iets goeds maken. Hij neemt moeite en verdriet in Zijn hand en doet het dienen tot ons heil. Zo verwachten we altijd dat God met ons bezig is, door ons ziek-zijn of door genezing. Leerzaam is daarbij wat we lezen in Hebr. 11. We lezen daar over mensen die door het geloof muilen van leeuwen hebben dichtge-snoerd en het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen; in zwakheden hebben ze kracht ontvangen. Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen. Allemaal wonderen dus. Maar anderen hebben, ook door het geloof, zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben. Weer anderen zijn gestenigd, op zware proef gesteld, door midden gezaagd, met het zwaard vermoord. U hoort het: door hetzelfde geloof wordt de één verlost van het lijden en wordt de ander in staat gesteld het lijden te aanvaarden. Beide is mogelijk.

7. Het is de vraag of wij daar werkelijk rekening mee houden òf dat onder ons in feite alleen gelovige aanvaarding van ziekte en leed aandacht krijgt. Wat leeft er eigenlijk aan geloofsverwachting in de gemeente? Die vraag moeten we tenslotte onder ogen zien. Want een gelovige reactie op ziekte is geen aangelegenheid van die zieke alleen, maar van heel de gemeente. Opmerkelijk is dat in de geschiedenis van de verlamde, die door vier vrienden door het dak van een huis heen voor Jezus wordt neergelegd, staat: Jezus, ziende hùn geloof.… nl. van die vier, zei tot de verlamde.… Die man geschiedt naar het geloof van zijn vrienden. Het is van ontzettend groot belang hoe het geloofspeil in de gemeente is en hoe groot de toewijding aan de Here, het zoeken van Zijn koninkrijk daar is. Het is in de geschiedenis aantoonbaar dat het minder worden van genezingen gelijk op ging met het verval van de kerk. In 1 Cor. 11 lezen we zelfs dat misbruiken bij het Avondmaal en verdeeldheid in de gemeente ertoe leidde dat velen zwak en ziekelijk waren en niet weinigen ontsliepen. De kracht tot genezing kan daar niet werkzaam zijn. De Geest wordt belemmerd. Het is mogelijk dat een kerk, een gemeente ziek is. Dan moet ook daar de genezing in zetten. Een mens staat niet op zichzelf, niet in de zonde en niet in de genade. De Geest schenkt Zijn gaven aan de gemeente, ook Zijn gave van genezingen. Zo staat het er in 1 Cor. 12. Let op het meervoud. Gave van genezingen — dat heeft betrekking op gebeurtenissen, niet op het vermogen, waarover iemand zou beschikken. Deze gave is geen blijvend bezit van een bepaald persoon. De Geest deelt die uit aan wie Hij wil ter genezing van wie deze nodig heeft. De ambtsdragers mogen er zeker een beroep op doen als zij, naar Jacobus 5, er toe geroepen worden voor een zieke te bidden. Het lijkt me goed als niet één, maar meerdere ambtsdragers naar een zieke gaan, die dat vraagt. In hen komt de gemeente bij de zieke. Want als één lid lijdt, lijden alle leden. De ambtsdragers bidden, maar in Jacobus 5 wordt ook gesproken over zalven in de naam des Heren. Moeten we dat ook doen? Het is duidelijk dat het gebed het belangrijkste is: „Het gelovig gebed zal de lijder gezond maken”. Het is opmerkelijk dat in één adem gesproken wordt over het belijden van zonden. Ook hier zien we de samenhang tussen genezing en vergeving en heiliging. Maar er wordt ook over zalving gesproken. Sommigen zijn van mening dat olie destijds een huismiddel tegen veel kwalen was. Onze medicijnen zouden daarvoor de vervanging zijn. Er is echter sprake van zalven in de naam des Heren, dat is wat anders dan het insmeren van een pijnlijke plek. Olie wordt in de Schrift in verband gebracht met de H. Geest. Hij is ons tot onderpand van de grote toekomst gegeven. Ook ons lichaam is Zijn eigendom. De zalving kan, zo verstaan, dienen ter bemoediging. Het kan de toewijding aan de Here en de verwachting van Hem verdiepen. Toen in „De Wekker” was aangekondigd dat ik vandaag over dit onderwerp spreken zou, kreeg ik een brief van een lid van één van onze kerken, juist over de zalving. Zij had die pas ondergaan en ze had het als een grote zegen ervaren. Als er om gevraagd wordt, moeten we het doen, vind ik. Men kan zich beroepen op wat er in Jacobus 5 staat.

Natuurlijk zal de vraag ernaar afhangen van wat er in prediking en pastoraat over gezegd wordt. Meestal verzwijgen we deze zaak. In het algemeen wordt er over zegening, over weldaden ook voor het lichaam niet gesproken. De prediking is wat dat betreft gereduceerd. Een gezonde prediking zal zich niet alleen tot de ziel beperken. Het lijkt me niet nodig om over een aparte dienst der genezing te spreken naast de dienst van het Woord en van de gebeden. Wanneer die enigszins volledig zijn, komt daarin de hele mens en de volkomen verlossing aan de orde. In de prediking en in het gebed zal dan de hunkering doorklinken naar de vervulling van Gods beloften. Juist waar de Geest werkzaam is, wordt het zuchten gehoord, het zuchten van verlangen naar de verlossing — de totale genezing van het lichaam (Rom. 8 : 23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.