+ Meer informatie

EEN OUDERLING GAAT VOORBIJ…

3 minuten leestijd

De kop boven deze column is een knipoog naar de titel van een fotoboek over protestants kerkelijk leven in de vorige eeuw: ‘De dominee gaat voorbij’. Het boek pretendeerde een beeld te geven van de eerste 75 jaar van de twintigste eeuw. De titel sprak voor zichzelf.

Er verschenen destijds ook andere boeken, met even sprekende titels: ‘Parade der mannenbroeders’ en ‘Het rijke roomse leven’. Ik heb nooit zo erg van die boeken gehouden, vooral omdat het eigenlijk afrekeningen waren. Niettemin is het wel waar, dat er een wereld voorbij is. De kerken in de grote steden zijn leeggelopen. De kleinkinderen van de mannenbroeders zien nog maar zelden een kerk van binnen, en de Bijbel is voor de meesten van hen een gesloten boek.

Op donderdag 20 maart jl. was er in de Nebokerk van ’s-Gravenhage-Zuid een avond, waar broeder D. Koole voor gemeente en een aantal genodigden een terugblik gaf op ruim vijftig jaar ambtelijke dienst, eerst in Amsterdam en later — bijna vijftig jaar! — in Den Haag- Zuid. In de uitnodigingsbrief stelde hij ‘een stukje kerkhistorie’ in het vooruitzicht, ‘met een lach en een traan, vreugde en verdriet en vooral ook dingen waarin duidelijk de zegen van de Here der kerk werd ervaren’. Wie met die verwachting kwam, werd niet teleurgesteld. Zeker, men heeft zich soms druk gemaakt over zaken, die de kern niet raakten en vandaag alleen nog maar de lachlust wekken. Maar er was ook een diepe liefde tot Christus en zijn gemeente, een verlangen naar kennis van Hem, naar een leven uit de kracht van zijn opstanding. Kerken zaten vol, het Evangelie werd verkondigd met betoon van geest en kracht. Maar hoe kan het dan dat dat alles wel weggevaagd lijkt te zijn?

Broeder Koole heeft die ontwikkelingen van nabij meegemaakt. Onlangs trad hij af. Er ging een ouderling voorbij. Als ik naar de ontwikkelingen kijk, dringt zich de vraag op: gaat de ouderling misschien wel voorbij? Of is dat niet zo erg, en vinden we wel nieuwe vormen van pastorale zorg?

Misschien. Waarschijnlijk wel. Is het wel zo goed, dat we in het gereformeerd kerkrecht pas over een gemeente spreken, wanneer de ambten geïnstitueerd zijn? Is het niet een restje rooms zuurdesem? Er is toch al geloof, er is toch al oog voor elkaar, en is dat niet het belangrijkste?

Dat wordt in een gereformeerde kijk op de kerk niet ontkend. Dat we echter pas van een gemeente spreken als er ouderlingen zijn, is geen vergissing. Er ligt in uitgedrukt, dat de pastorale zorg structuur moet hebben, omdat God zijn gemeente langs deze weg wil bouwen en voeden. Er kan en mag van alles aan de invulling van het ouderlingschap veranderen, als we maar zien, dat de HERE Zijn gemeente in de weg van trouwe en geordende pastorale zorg wil bouwen.

We vragen de ouderling bij zijn bevestiging ook, of hij gelooft door God en zijn gemeente geroepen te zijn. Hij hoeft niet van zijn eigen geloof en enthousiasme te leven. En hij mag bij het aftreden zijn werk in Gods handen leggen, in het vertrouwen dat de HERE zijn werk over hem heen bevestigt. Waaraan zouden we anders hoop kunnen ontlenen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.