+ Meer informatie

”BOUWEN AAN EEN VEILIGE SCHUILPLAATS”

9 minuten leestijd

Wat ongetwijfeld ook in andere kerkgemeenschappen gebeurt, is ook in onze kerken een goede gewoonte geworden: het van tijd tot tijd beleggen van een bezinningsweekend voor ambtsdragers. Even samen er enkele dagen tussenuit om in een rustige omgeving na te denken over taken, verantwoordelijkheden en over vreugden en moeiten die men in de ambtelijke praktijk ervaart, is een goede zaak. Het biedt ook de mogelijkheid om elkaar als broeders van het college in daarvoor geschikte momenten persoonlijk wat beter te leren kennen, met name waar het aankomt op dingen van geloof en leven waarover men zich in kerkenraadsvergaderingen niet zo gemakkelijk in het hart laat kijken. In de voorbije jaren is het mij meerdere keren een vreugde geweest als gast in zulke samenkomsten aanwezig te mogen zijn en er een bescheiden bijdrage aan te mogen leveren. Ik denk terug aan ontmoetingen met de kerkenraden van onze gemeenten in Middelburg, Goes, Papendrecht en andere plaatsen.

Zaterdag 21 en 22 september jl. waren ongeveer vijftig ambtsbroeders van onze kerk in Zwolle in het congrescentrum ”De Bron” te Oudleusen bij elkaar, met als thema ”Bouwen aan een veilige schuilplaats”, nader uitgewerkt in 8 onderdelen. Men had mij uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de behandeling van blok 7 ”Toerusting van ambtsdragers”. In de syllabus was voor de inleiding en de forumdiscussie de volgende aanzet gegeven.

“Waar zijn we als kerkenraad mee bezig!

Dat kunnen we ons wel afvragen nu de animo om kerkenraadslid te worden steeds verder afneemt. Steeds moeilijker wordt het om de kerkenraad op de benodigde sterkte te krijgen.

Uitzondering hierop vormen misschien de meer behoudende gemeenten.

“Indien iemand staat naar het opzienersambt, dan begeert hij een voortreffelijke taak”. Dit betrouwbare woord uit 1 Tim. 3:1 lijkt wel veraf te staan van de jaarlijkse praktijk bij de verkiezing van ambtsdragers.

In de Heilige Schrift is er steeds het verband tussen de gemeente en de oudsten. Bijvoorbeeld in Handelingen en de brieven is steeds sprake van een duidelijke relatie tussen het leiding geven aan en opbouwen tot dienstbetoon in de gemeente. Als ambtsdrager kun je soms tegen het afleggen van een huisbezoek opzien. In de tijd waarin we nu leven staan veel zaken ter discussie.

Leiding geven is niet in. Mensen zijn autonoom en bepalen zelf wat nodig en nuttig is. Dit geldt ook voor onze broeders en zusters waar we op bezoek komen als ouderling of diaken. Reden voor de voorbereidingscommissie om ons toe te laten rusten voor ons ambtelijke werk binnen onze gemeente.”

Nadat gesproken was over de moeite van veel kerkenraden, zelfs van grote gemeenten, om vacatures in het college vervuld te krijgen, werd in de inleiding en de aansluitende gedachtewisseling ingegaan op de toerusting tot, de spanningen in, de bekwaamheid voor het ambt en de op de moeite die niet weinig ambtsbroeders hebben met afleggen van huisbezoeken.

Bekwaamheid in bijbelse zin

Zouden we ver bezijden de werkelijkheid zitten wanneer we vaststellen dat in onze tijd veel ambtsdragers in gereformeerde kerken, ook in de onze, met name voor die toezichthoudende taak te weinig zijn toegerust? Onder toerusting willen we dan allereerst en vooral verstaan dat we als ambtsdragers het Woord van God in zijn verbanden goed hebben leren kennen, in elk geval dat we daartoe ijverig pogingen doen en dat wij ons de leer der kerk in haar essenties vanuit de belijdenisgeschriften eigen hebben gemaakt. Men kan zich vandaag wel eens verbazen over het gemak waarmee sommige nieuw aangetreden ambtsdragers bij hun introductie in de eerste kerkenraadsvergadering het verbindingsformulier ondertekenen.

Vragen over datgene waaraan zij hun naam verbinden zouden sommige ondertekenaars wel eens in grote verlegenheid kunnen brengen?

Men mag natuurlijk nooit het verleden idealiseren en men zal moeten beseffen dat elke tijd eigen eisen stelt en eigen kenmerken heeft. Onze tijd lijkt te worden gekenmerkt door een groot gebrek aan kennis van en inzicht in de Schrift. Bovendien schort het bij velen aan de bereidheid om zich moeite te getroosten dat tekort op te heffen. Het levenspatroon van onze tijd biedt daarvoor misschien ook nauwelijks ruimte. De door het Woord van God en de gereformeerde belijdenis gespierde en gestaalde ouderling uit de twintiger en dertiger jaren, die de knapenvereniging als lagere, de jongelingsvereniging als middelbare en de mannenvereniging als hogere school doorliep, komt men niet meer tegen. De genoemde verenigingen zijn grotendeels ter ziele en zo ze er nog zijn, functioneren zij in elk geval niet meer als broedplaatsen voor potentiële ambtsdragers. Dat op zichzelf is ook niet erg. De zojuist genoemde verenigingen hebben behalve voortreffelijk toegeruste ambtsdragers ook wel eens amateur-theologen voortgebracht die door de predikanten als een luis in hun pels werden ervaren. Maar vandaag lijken we de omgekeerde situatie te beleven. Door het voortgaande onderzoek van en door het ijverig graven in de achtergronden van het Woord van God is in de afgelopen jaren veel kennis en inzicht beschikbaar gekomen. Deze kennis lijkt zich echter voornamelijk op te hopen bij de professionele kerkelijke medewerkers en te weinig bij de ambtsdragers die voor hun werk in Gods kerk die kennis zo dringend behoeven.

Men mag niet generaliseren en gunstige uitzonderingen mogen niet over het hoofd worden gezien, maar met de Schriftkennis is het in de kerken aan de basis, ook bij veel ambtsdragers, in het algemeen niet zo best gesteld. Waarschijnlijk is dat één van de factoren die het op menige plaats zo moeilijk maken om geschikte en aan de bijbelse normen beantwoordende ambtsdragers te vinden. Bekwaamheid in bijbelse zin kan bij de kandidaatsstelling lang niet altijd meer als een primaire voorwaarde worden gehanteerd. Overigens is het geen onoverkomelijke zaak om met een geringe kennisbagage het ouderlingenambt te aanvaarden, als er maar wel de bereidheid en de mogelijkheid is om het ontbrekende in de loop van de ambtsperiode aan te vullen. Voor diakenen geldt dat evenzeer.

Toezichthoudende taak

Vast staat dat menige ouderling zich tot deze taak te weinig toegerust voelt. Oordelen over de zondagse prediking is niet gemakkelijk. Toezicht houden is niet — in elk geval niet alleen — dat men na de prediking in de kerkenraadskamer af en toe een instemmende opmerking maakt of een stichtelijke gedachte lanceert die door de preek werd ingegeven. Toezicht houden op de prediking is vóór alles een stuk begeleiding, waarbij de theologische kennis en het exegetische inzicht van de predikant en de aan de kennis van Gods Woord ontspringende praktische wijsheid van de ouderlingen samenvloeien; verder is het meedenken over de vraag of de prediking er voldoende op gericht is de gemeente te doen toegroeien naar de volle kennis van Christus. Toezicht houden is ook aanmoedigen, stimuleren, gedachten aandragen, behoeften uit de gemeente kenbaar maken, zegenrijke uitwerkingen van de prediking registreren en indien nodig tekorten signaleren. Wanneer de prediking aan het Evangelie onzuivere elementen toevoegt of wanneer wezenlijke bestanddelen er bewust of onbewust buiten worden gehouden of onvoldoende accent krijgen, dan dient dat door de ouderling te kunnen worden onderkend. Wie is tot dit alles bekwaam? Hoe vormt de ouderling een geestelijk fonds waaruit hij voor dit werk in Gods kerk kan putten?

Zelfwerkzaamheid en kruisbestuiving

De eerste voorwaarde voor de vorming van dit fonds is het persoonlijk onderzoek van het Woord van God. Wie als ouderling op huisbezoek in allerlei situaties het Woord van de Here wil laten spreken, moet daarin goed de weg weten. En dat niet alleen.

Parate tekstkennis is veel, maar niet alles. Er zal ook enig inzicht in de achtergronden en bedoeling van de Heilige Schrift voorhanden moeten zijn, omdat anders het gevaar van onoordeelkundig gebruik van de bijbel om de hoek kijkt. De ambtelijke verantwoordelijkheid luistert hier zeer nauw.

Hoewel het geen eis is dat de ouderling grote belezenheid nastreeft, moet het lezen van bijbeluitlegkundige boeken en het bijhouden van kerkelijke periodieken met artikelen van algemeen godsdienstige aard toch wel met nadruk worden aanbevolen. Een goed inzicht in de bijbel, een redelijk geöriënteerd zijn in de kerkelijke situatie van onze dagen en een zeker vermogen om de geestelijke ontwikkelingen van onze tijd te analyseren, zullen de ouderling in al zijn werkzaamheden onder Gods zegen slagvaardiger maken. Bovendien vergroot lezen de verbale vaardigheid, een aspect dat ook niet zonder betekenis is. Welsprekendheid is geen voorwaarde voor het ambt van ouderling, maar het is een goede zaak wanneer een ambtsdrager zich erin oefent om zijn gedachten zo duidelijk mogelijk in woorden om te zetten.

Naast de zelfwerkzaamheid van de ouderling persoonlijk kan ook de onderlinge gedachtewisseling in de kerkenraadsvergadering in belangrijke mate tot zijn vorming en toerusting bijdragen. Van sommige kerkenraden in ons land geldt dat zij op de agenda van elke vergadering een vaste plaats inruimen voor een gesprek over de prediking van de gepasseerde zondagen of over ontwikkelingen in kerk en samenleving waarbij men zich nauw betrokken voelt en waaraan misschien principiële kanten zitten. Wat het gesprek over de prediking betreft, vinden we in Handelingen 21:18 melding gemaakt van een speciale kerkenraadsvergadering waarin Paulus en enkele van zijn medewerkers te gast waren. Onderwerp van bespreking waren de leer en de prediking van Paulus in verband met de onderhouding van de Mozaïsche wet. Gesprekken op de kerkenraadsvergadering over de prediking zijn nodig en nuttig. Wanneer de gedachtewisselingen onder goede leiding plaatsvinden, kunnen zij uiterst leerzaam zijn, zeker wanneer niet enkelen maar allen aan de meningsvorming bijdragen. Er ontstaat dan zoiets als een geestelijke kruisbestuiving die door elke ouderling in de praktijk van zijn ambtelijk werk als ondersteunend kan worden ervaren.

Persoonlijke omgang met God

Naar het voorbeeld van de grote ambtsdrager Jezus Christus, die op geregelde tijden de afzondering zocht om zich daarin voor meditatie en communicatie met Zijn hemelse Vader terug te trekken, zal ook de ambtsdrager in deze tijd voortdurend gelegenheid moeten zoeken en maken voor de persoonlijke ontmoeting met God. Voor zijn geestelijke oriëntatie is het nodig dat hij in zijn leven momenten kent waarop hij zich met het Woord van God en voor gebed in zijn binnenkamer terugtrekt. Die binnenkamer is dan vandaag niet meer alleen een ruimtelijke aangelegenheid. Natuurlijk mogen we aan een speciale plaats van afzondering denken, maar er mag ook onder worden verstaan een regelmatig voor God beschikbaar zijn om meditatief met het Woord van God bezig te zijn en zo de inspraak van de Here in te wachten.

De woorden ”verborgen omgang” hebben onder ons een enigszins mysticistische bijklank. Zij worden snel verbonden met een ziekelijke geesteshouding die vreemd is aan de gezonde geloofsbeleving. We zullen echter niet mogen vergeten dat er ook mystiek is die zich in de sfeer van Gods Woord ontwikkelt en die ook voor ouderlingen en diakenen in hun vreugden en zorgen, twijfels en zekerheden, verdriet over zonde en tekort, hoop op vergeving en verwachting voor de toekomst, als een ladder kan zijn die tot in de hemel reikt.

Ik ervoer de ontmoeting met de broeders in Zwolle als nuttig, richtingwijzend en bemoedigend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.