+ Meer informatie

HERORIENTATIE IN DE CATECHESE (IV)

Doen we het goed, zoals we het doen?

14 minuten leestijd

4.5. Indeling naar leeftijd, leerplan en leergang

In dit onderdeel zal ik bepaalde punten stellingsgewijs moeten behandelen, daar er anders teveel plaatsruimte zou worden vereist. Aan de stellingen liggen uiteraard diepere motieven en argumenten ten grondslag, waarop ik misschien nog wel eens een andere keer kan ingaan. Ze moeten nu achterwege blijven.

In sommige gemeenten, speciaal in het noorden van het land, begint men met de catechese al heel vroeg, namelijk bij 7 of 8 jaar, doch in de meeste gemeenten start men bij jongens en meisjes van 12 jaar. In dit laatste geval komt men in het algemeen tot een driedeling van de catechisaties:

eerste groep van 12 tot 14 jaar,
tweede groep van 15 tot 17 jaar,
derde groep van 18 jaar en ouder.

Ik zie geen doorslaggevende argumenten om jongens en meisjes in gescheiden catechisaties te onderwijzen. Voor coëducatie - gemeenschappelijk onderwijs aan jongens en meisjes in één groep tezamen - is alles te zeggen. Ze leren elkaar kennen en ze leren met elkaar om te gaan. Een aparte catechisatie voor die jongelui die op de geplande avonden en uren niet kunnen, is aan te raden. Maar dat moet ook voor de catecheet mogelijk zijn. Of kan hier een andere kracht uit de gemeente worden ingeschakeld? Voor verstandelijk gehandicapten treffe men een eigen wijze van catechese. Ik ben geen voorstander van een speciale catechisatie of gespreksgroep voor studenten. Het is voor een student een goede ervaring met andere leden van de gemeente kennis te maken en op te trekken. Anders kan de student in een te grote uitzonderingspositie terecht komen. Worden de groepen catechisanten te groot, dat wil zeggen: meer dan 20 jongeren, dan moet men ze zonder meer splitsen.

Overeenkomstig de groepen worden leerplan en leergang uitgestippeld. Het gaat bij alle groepen om werkcatechisaties met de Bijbel centraal, maar dit krijgt naar groep, leeftijd en doelstelling telkens een eigen toespitsing.

Voor de eerste groep gaat het om kennis van en inzicht in de Bijbel. Dat kan men op verschillende manieren zien te bereiken. Men kan zich gaan bezig houden met het ontstaan van de Bijbel, met de opbouw van de Bijbel en van de Bijbelboeken. Het is ook mogelijk bepaalde historische gestalten en lijnen uit de heilsgeschiedenis van de Bijbel naar voren te halen en nader te bekijken. Een andere keer zou men enige bijbelse kernwoorden kunnen behandelen zoals het verbond, de werking van de zonde en van de genade, de beloften van God en de vervulling ervan of het werk en de persoon van Jezus Christus, de zendingsreizen van Paulus en het leven van de eerste christengemeente. Ook is een goede vorm een bepaald bijbelboek met de jongens en meisjes door te nemen. En dan samen lezen, belangrijke punten noteren en lijnen trekken.

Bij de tweede groep staat centraal de confrontatie met de werking van Gods Woord door de eeuwen. Zo kan de kerkgeschiedenis doorlicht worden rondom centrale thema’s uit de Bijbel, die in geding waren bij de strijd en controvers. Ook kunnen bepaalde stromingen en sekten vanuit dit gezichtspunt bekeken worden. Op heel goede wijze kunnen ook kerkhistorische figuren naar voren gehaald worden, die zekere facetten van het heil Gods bijzonder accent gaven. Zo zullen de belijdenissen door de catecheet aan de orde gesteld kunnen worden, tegen de achtergrond van hun ontstaan.

Daarnaast is het goed om met deze groep enige ethische vragen, normen en vormen door te nemen en de uitwerking van Gods Woord in eigen leven te verhelderen. Dan wordt het onderwijs heel actueel. Ook bij dit onderwijs gaat het er steeds om dat we het samen doen, met elkaar en zeer intensief.

In de derde groep komt het aan op inzicht in de reflexie op Gods Woord in zijn kerk. Van hieruit kunnen behandeld worden de Heidelbergse Catechismus, de grote geloofsvragen, de kernen van ons belijden en de ethische consequenties van ons belijden en geloven met de praktische vormgeving daarvan in kerk, samenleving en eigen bestaan.

Wie zo intens bezig is en blijft met de opzet van de catechese in de gemeente van de Here Jezus Christus raakt nooit uitgewerkt en vindt telkens weer nieuwe mogelijkheden voor verbetering en verlevendiging van het onderwijs aan de jeugd. Die kan niet volstaan met een steeds maar repeteren van dezelfde stof, die men al jaren achtereen heeft behandeld, die heeft elk jaar weer een stevige voorbereiding nodig. Maar wie werkt, zal ook oogsten! God legt zijn zegen niet op onze luiheid, maar gebruikt onze inzet om zijn doel te bereiken.

4.6. Regeling van de belijdeniscatechisatie

Een aparte groep binnen de catechese in de gemeente van de Here God vormen de belijdeniscatechisanten. Daaraan zullen we dan ook aparte aandacht besteden. De opzet, de gang en de afronding van deze catechisatie vragen een eigen regeling.

Allereerst is er het punt van de werving. Het gaat daarbij om de oproep of de opening van de mogelijkheden voor jonge leden om aan de belijdeniscatechisatie deel te nemen. Men kan deze invitatie laten horen vanaf de preekstoel onder de mededelingen van een bepaalde zondag en de daarop volgende. Het is ook mogelijk een berichtje te zetten in een regionaal of plaatselijk kerkblad. Even goed kan men de ouders of alle doopleden boven de 16 jaar een stencil doen toekomen met een korte uiteenzetting van het doel van de belijdeniscatechisatie en de wijze waarop men zich er voor kan opgeven. Natuurlijk kan men ook zowel het één als het ander doen. Maar ook deze werving behoort verantwoord te geschieden.

In de regel laat men jonge mensen voor de belijdeniscatechisatie zich opgeven bij de (wijk)predikant, wijkouderling of bij de jeugdouderling. Meestal wordt daar een kort gesprek aan vastgeknoopt. Daarna vindt een eerste bijeenkomst plaats van al die jongeren, die zich opgaven. Het lijkt mij zeer aan te bevelen dat er dan een vertegenwoordiging van de kerkeraad aanwezig is, opdat zal duidelijk worden, dat het geen kwestie van de dominee is, maar een zaak van heel de kerkeraad. Op deze eerste bijeenkomst kunnen er afspraken gemaakt worden over plaats, tijd en manier van werken, over de leerstof en de leergang van de komende catechisaties.

We denken aan een aantal van minstens 25 catechisaties van een uur, met de mogelijkheid van een uitloop van een kwartier tot een half uur. De laatste jaren werk ik zelf met de catechisanten eerst een half uur en pauzeren we daarna met een kopje koffie om vervolgens nog een half uur verder te gaan. Het is ook zeer aan te bevelen om na een twaalftal catechisaties te hebben gehouden een avond met elkaar, de vrouw van de predikant erbij, ergens wat te gaan eten. Dan vindt er een ontmoeting plaats in een wat ontspannen sfeer en worden er bijzonder fijne contacten gelegd.

Gewoonlijk laat men lopende de belijdeniscatechisaties de catechisanten door de wijk-ouderling(en) bezoeken. Zelf verzoek ik de belijdeniscatechisanten twee stukjes te schrijven over de volgende punten: 1. Waarom geloof ik in de Here Jezus Christus? en 2. Waarom doe ik belijdenis in de Chr. Geref. Kerk? Deze stukjes, door hen zelf geschreven, laten we bijzonder meespreken in het kerkeraadsberaad over de toelating tot openbare geloofsbelijdenis. Het geeft ook een behoorlijk stuk concreetheid aan deze catechisatie en dat vinden de jonge leden ook bijzonder fijn.

Tijdens de belijdeniscatechisaties moeten vooral de volgende zaken aan de orde komen: a. de betekenis van het geloof in Jezus Christus; hoe dit geloof ontstaat, zijn eigen strijd kent, groeit, tot verzekering en ontplooiing komt en zich manifesteert in het leven en gedrag van elke dag; b. de plaats van de gemeente des Heren en onze plaats daarin, het meeleven met de gemeente en het functioneren in het midden van deze gemeente; c. de zin en functie van doop en Avondmaal, bijzondere aandacht voor de gronden van de kinderdoop, de taak van ouders rond de doop van hun kinderen, het trouw en regelmatig gebruiken van het Avondmaal, de bezwaren tegen het meevieren van het Avondmaal en het weerleggen of ophelderen daarvan; d. de grote data en facta van de kerkgeschiedenis, waarbij vooral van belang is het ontstaan van eigen kerken, hun leer en plaats, de verschillen tussen de kerken en het eigene van bepaalde stromingen; e. de inhoud en vormgeving van het christelijk leven der gelovigen: hoe waardeert de Bijbel de liefde en het huwelijk, het kinderen-krijgen en -opvoeden, de plaats van de studie en de arbeid, het geld en de ontspanning in ons leven.

De afronding van de belijdeniscatechisatie vindt plaats door een gesprek met de kerke-raad. Daar wordt door de wijkbroeder(s) gerapporteerd over hun ontmoeting en gesprek aan huis. Daar geeft de catecheet een overzicht van de inzet der catechisanten voor de belijdeniscatechisatie en van de twee geschreven stukjes. Daarna wordt bij ons de kerkeraad in een aantal groepjes van elk drie broeders verdeeld en wordt aan elk groepje ambtsdragers één of twee belijdeniscatechisanten toegewezen om er een gesprek mee te hebben en van gedachten te wisselen. Meestal wordt daar een half uur voor uitgetrokken. Daarna komen alle kerkeraadsleden weer samen en bespreken we dan alle gegevens om op grond daarvan tot besluitvorming te komen.

Na mededeling van de beslissing van de kerkeraad aan de catechisanten wordt de kerkdienst met de openbare geloofsbelijdenis gezamenlijk besproken en geregeld.

4.7. Literatuur en catechisatieboekjes

We besluiten onze artikelenreeks over de catechese met eerst een verwijzing naar enige literatuur op het gebied van de catechese. Dit is dan speciaal bedoeld voor de catecheten. Want mij bereikt nog wel eens de vraag naar wetenschappelijke verhandelingen over de catechese. lk beperk me bij de beantwoording tot het Nederlandse taalgebied, tot wat van protestantse zijde is verschenen en tot min of meer grotere werken van ongeveer de laatste 25 jaar, waarbij ik allerlei artikelen en brochures buiten beschouwing laat.

lk begin met het altijd nog waardevolle werk van dr. P. ten Have, die een dissertatie samenstelde over „Een methode van bijbelse catechese” (1946, 2e dr. 1948), waarin hij tracht met de methode van de denkpsychologische didactiek de jongeren te brengen tot een zelfstandig leren lezen en gebruiken van de bijbel.

In de tweede plaats is er het boek van S.F.H. Berkelbach van der Sprenkel „Catechetiek” (1956). Een zeer lijvig boek van 390 bladzijden, dat niet veel nieuws geeft maar wel het gehele terrein van de catechetiek bestrijkt en overzichtelijk ordent. Het is soms wel erg breed(sprakig), maar overigens een echt handboek voor de catechetiek. Het geeft in vergelijking met Ten Have geen nieuwe gezichtspunten.

Hierna komen we bij R. Bijlsma met zijn „Kleine Catechetiek” (1962, 4e dr. 1976). Hij geeft heel veel en goed materiaal, overziet het hele terrein van de catechese en beschrijft het op heldere wijze. Hij brengt ook veel gegevens uit de pedagogiek, psychologie en didactiek naar voren, al zou je graag meer willen zien hoe deze gegevens praktisch gestalte krijgen in de catechisaties. Het boek wordt algemeen voor studenten aan universiteiten en hogescholen gebruikt.

Ten vierde wijs ik op de dissertatie van G.H. Plantinga „Jeugd en godsdienstige vorming. Inleiding tot een godsdienstpedagogische benadering van enige catechetische problemen” (1967), een boek dat m.i. te weinig aandacht heeft gekregen tot nu toe, maar de moeite waard is bestudeerd te worden. Er staan mooie dingen in over de religieuze belevingswereld van de jongelui, over de waarde van de godsdienstige vorming door de ouders, over de betekenis van de catechisatie als groep en over het werk van de Heilige Geest in verband met de catechese. De bedoeling van de schrijver is een religieus-peda-gogisch-antropologische inzet van de catechese te ontwikkelen.

De volgende dissertatie is van F.H. Kuiper over „Op zoek naar beter bijbels onderwijs” (1977), waarin bijzonder wordt ingegaan op de betekenis van de recente visies over de onderwijsleerprocessen voor de catechese. Het is een moeilijk boek, dat men een paar keer zal moeten doornemen om er greep op te krijgen. Het is ook nogal theoretisch, maar kan ons gevoelig maken voor zwakke plekken - onderwijskundig bezien - in onze huidige catechese.

Naast deze publikaties van hervormde zijde is er nog het boek van gereformeerde zijde nl. van K. Dijk „De dienst aan de kerkjeugd. Kort werkplan voor de catechese” (1954), waarin accent wordt gelegd op het kerkelijk en ambtelijk karakter van de catechese en als leerstof wordt genoemd de Bijbel en de belijdenissen der kerk. Het doel van de catechese ziet Dijk in het doen van openbare geloofsbelijdenis en het toegang vragen tot het Avondmaal, terwijl de visie op de catechisanten wordt bepaald door de bekende leeruitspraken der Geref. Kerken over de veronderstelde wedergeboorte. In dit kort bestek wordt veel gegeven.

Opvallend is dat uit de gereformeerde flank van het Nederlands protestantisme niet zoveel is verschenen over de catechese. Hier ligt nog een behoorlijk veld braak.

Van deze min of meer vakliteratuur komen we tot de catechisatieboekjes. Telkens weer wordt mij daarnaar gevraagd. Welke boekjes gebruikt u en vindt u verantwoord, dat hier gebruikt worden? Ik raak dan altijd in grote verlegenheid, want er zijn zoveel mogelijkheden en ik ken niet alle bestaande catechisatieboekjes. Wel heb ik er zelf al veel gebruikt de jaren door: die van Hellenbroek en Borstius tot die van Velema en Bijlsmal Professor C. Veenhof heeft eens jaren geleden in Kampen een expositie samengesteld van catechisatieboekjes en hij kwam tot in de honderden. Er is door de Protestantse Stichting tot Bevordering van het Bibliotheekwezen en de Lectuurvoorlichting in Nederland (Parkweg 20a, Voorburg) een map uitgegeven als deel IV: Buitenschoolse Katechese, van „Wegwijzer voor godsdienstonderwijs en katechese”, waarin een 300 catechisatieboekjes worden vermeld met korte weergave van inhoud, doelstelling en werkwijze. En dit overzicht is niet eens compleet, want de boekjes van onze ds. J.H. Velema bijvoorbeeld ontbreken. Ik kan overigens deze Wegwijzer aan onze catecheten zeer aanbevelen.

Wat ik van de boekjes in het algemeen wil zeggen is dit: ze zijn en moeten blijven hulpmiddelen. Het gaat allereerst en telkens weer om de Bijbel. Die moet op tafel liggen. Die moet gebruikt worden. Daar moet de jongere wegwijs in worden! Niet het boekje maar Het Boek moet centraal staan in de catechese. Elk boekje dat Dit Boek, de Bijbel, meer doet gebruiken en verstaan is verantwoord materiaal. lk heb indertijd heel fijn kunnen werken met „Thuis in de Bijbel” (dl. 1 O.T., dl.2 N.T.) van dr. D. van Swigchem. Maar jammer genoeg worden ze niet meer herdrukt. Vooral voor de catechisaties van 12 tot 14 jaar was dit mooi materiaal. Bij de volgende groepen behandel ik momenteel het boek van R. Bijlsma „Bijbelse kernwoorden”. Daardoor kan de Bijbel meer voor hen opengaan en gaan leven.

Voor de kerkgeschiedenis lijkt mij het werken met een boekje of een eigen dictaat toch wel noodzakelijk. Het gaat om overzichten van de ontwikkeling van het kerkelijk leven door de geschiedenis. Het beste, lijkt mij, dat men dit doen kan rond een belangrijk figuur uit de kerkgeschiedenis, op de manier van P.J. Roscam Abbing in zijn „Wat mogen wij geloven?” (1958). Ook bij behandeling van de belijdenis der kerk moeten de boekjes naar de belijdenisgeschriften - de algemeen christelijke en de speciaal gereformeerde - heenleiden. De catechisanten behoren die belijdenisgeschriften voor zich te hebben en het lesboekje er dan naast.

5. Perspectief van de catechese

We hebben getracht enige oriëntatiepunten in de catechese boven water te halen om ze nader te bekijken en ons af te vragen, of het nog beter gedaan kan worden dan tot nu toe. Er valt nog veel werk te doen ten aanzien van de catechese. Verblijdend is dat er de laatste tijd al meer aandacht voor deze dienst van de kerk ontstaat. Daarin mogen we als christelijke gereformeerden niet achterblijven. De bezinning en praktische verwerking van de resultaten ervan moeten voortgezet worden. Het gaat er om dat we de bijbelse opdracht van de onderwijzing en vorming van de jeugd van het verbond zo goed mogelijk zullen behartigen.

Dit alles mag gedragen worden door de overtuiging, dat de Here Christus ons werk, ook onze catechese, zal gebruiken tot instandhouding van zijn kerk en tot bewaring van het geloof van geslacht tot geslacht. In dit grote perspectief staat het catechisatie-geven en heel het onderricht in het catechisatielokaal. We mogen geloven, dat ons werk niet ijdel is in de Here!

Kampen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.