+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

8 minuten leestijd

10.

Vervolg

Teken en betekende zaak horen bij elkaar. Dat is nu onder het genadeverbond zo. Dat was eveneens het geval in de staat der rechtheid onder het werkverbond. Dit laatste verbond is van ’s mensen kant verbroken. Het eten van de boom des levens zou betekenen en verzegelen de belofte van het eeuwige leven, wanneer de mens ook na zijn afval van God daarvan zou kunnen eten en dat kan de Heere niet toestaan. Vandaar, dat de Heere spreekt in Gen. 3:22: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van de boom des levens en ete en leve in eeuwigheid.

We kunnen blijven bij wat onze vaderen uitgesproken hebben en behoeven niet onze toevlucht te nemen tot een symbolische wijze van spreken. Prof. Oosterhoff verdedigt zijn mening door te wijzen op wat Christus laat neerschrijven voor de gemeente van Efeze: Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods in (Openb. 2: 7). Hij schrijft dan: „Komt iemand op de gedachte dit letterlijk te verstaan? In een rijke symbolische taal wordt gezegd, dat er weer deel is aan het leven in de gemeenschap met God. In Openb. 22: 2 staat, dat de levensboom twaalf maal per jaar vrucht draagt. Dat is die rijke symbolische taal in de Schrift, waardoor gezegd wordt dat de bron van leven in het nieuw Jeruzalem overvloedig en oneindig is.

En in Gen. 2 en 3 wordt in verband met de levensboom geen andere taal gebruikt. Het verschil is alleen, dat in Openbaring het eten van de levensboom voor de mens weer wordt opengesteld, door Gods genade, en dat in Gen. 3 de weg naar de levensboom voor de mens gesloten wordt, door de zonde.”

Het ontgaat ons hoe de schrijver gelijk kan stellen wat de Heere ons in Genesis openbaart omtrent het aardse paradijs en in Openbaring omtrent het hemelse. Als we vanuit het boek Openbaring het boek Genesis moeten verklaren heeft men onder het O.T. nooit de zin van de eerste hoofdstukken van het boek Genesis kunnen verstaan.

Prof. Oosterhoff schrijft verder: „Wanneer in Gen. 2v. over de boom des levens op symbolische wijze wordt gesproken, zijn twee vragen niet belangrijk meer.”

De eerste vraag is, wat voor een boom de levensboom is geweest. De andere, waaraan veel aandacht is besteed, is of de mens vóór de val al van de levensboom gegeten heeft.

Deze twee vragen zijn ook niet van belang, wanneer men blijft bij de letterlijke opvatting en de symbolische niet kan aanvaarden. Het is een gewone boom geweest, met vruchten beladen. Wanneer de mens van de vrucht gegeten heeft, voordat hij van God afviel, heeft de Heere daarin betekend en verzegeld de belofte van het werkverbond, namelijk van het eeuwige leven bij gehoorzaamheid. Dat eten van de vrucht van de boom des levens, aangenomen, dat hij dat gedaan heeft, kon hem niet redden, toen hij vrijwillig en moedwillig de God des levens verliet en van Hem afviel.

Het heeft overigens helemaal geen waarde, wanneer we ons in allerlei speculaties verliezen. Het gevaar is altijd groot, dat men bevrediging zoekt voor het verstand, maar daarmee wordt geen enkele levensvraag opgelost en daarmee komt men geen stap dichter bij God.

We willen dit artikel besluiten met een aanhaling van prof. Oosterhoff, waarmee we kunnen instemmen. „Ik heb de indruk, dat de vraag of de mens vóór zijn val van de levensboom gegeten heeft, voor de bijbelschrijver helemaal niet belangrijk is. Men kan op grond van 3: 22 de gedachte verdedigen, dat de mens van de levensboom nog niet gegeten had. Maar wezenlijk is, dat de mens na zijn ongehoorzaamheid van de levensboom niet meer eten mag. Het leven wordt voor hem toegesloten. Ellende, lijden en dood zijn voorts zijn deel.”

Het leven wordt voor de mens toegesloten en daarom mag hij ook niet eten van de boom des levens.

GENESIS 2 en 3

11

Vervolgens schrijft prof. Oosterhoff over de boom der kennis van goed en kwaad.

„Uit het Hebreeuws (een lidwoord voor dacat = kennen) blijkt, dat we niet te doen hebben met een genitivusconstructie, maar met een substantivisch gebruik van de infinitivus met goed (tob) en kwaad (rac) als object: de boom van het goed en kwaad kennen. De nadruk valt veel meer op de handeling dan op het feit van het kennen, meer op het dynamische dan op het statische.” Aldus de schrijver.

Hij zegt in het vervolg weer allerlei mooie dingen, waar we van harte mee kunnen instemmen. Hij gaat verschillende opvattingen na, die ons duidelijk laten zien, dat er verre van eenstemmigheid bestaat omtrent de betekenis van goed en kwaad.

In de Gereformeerde theologie kan men over de betekenis van de boom volgens prof. Oosterhoff hoofdzakelijk drie opvattingen onderscheiden. De eerste is: door het eten zou de mens proefondervindelijke kennis van het goede en kwade ontvangen en heeft hij ook ontvangen. De tweede opvatting is, dat de mens door het verbod om van de boom te eten moet leren onderscheiden tussen goed en kwaad, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. „Kennen” betekent „onderscheiden”. De derde opvatting is, dat „kennen van goed en kwaad” te nemen is in de zin van ,keuren’,,bepalen’,.beslissen’,.uitmaken’ wat goed en kwaad is.

Prof. Oosterhoff gaat breedvoerig op de verschillende opvattingen in en zegt dan dat het gebruik van jadac (kennen), al of niet met preposities, en van synonieme uitdrukkingen bewijst, dat dit werkwoord in het Hebreeuws inderdaad kan betekenen:.bepalen’,.bestemmen’, ‘uitmaken’.,In verbinding met,goed en kwaad’ betekent het:.uitmaken’,.bepalen’ wat goed is en wat kwaad’.

De schrijver haalt verschillende teksten aan over het begrip „goed en kwaad”. Hij citeert tenslotte Amos 5:14: zoekt het goede en niet het kwade... en zegt dan: „Ik dacht, dat we hier de sleutel hebben voor de betekenis van de boom van „het kennen van goed en kwaad”.

Hij vervolgt: „Bepalen wat goed is en wat kwaad is een zaak van God en voor de mens de verboden boom. De mens moet zich, zoals ook de profeten zeggen, onderwerpen aan de door God gestelde orde. Daarin ligt voor hem het leven (vgl. 5: 14). Doet de mens dat niet, dan wacht hem niets anders dan de dood. Hij maakt zich dan aan God gelijk, maar dat betekent zijn val.” En verder lezen we: „Hij (de mens B.) gaat doen wat alleen God toebehoort. God typeert de zonde van de mens op precies dezelfde wijze. Wanneer de mens van de verboden boom gegeten heeft, spreekt Hij: Zie, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad. Daarin heeft de mens zich aan God gelijk gemaakt, dat hij de gehoorzaamheid aan God heeft opgezegd en zelf is gaan uitmaken wat goed is en wat kwaad.”

„Ik kan” zo concludeert prof. Oosterhoff ten slotte „daarom geheel met Kuyper en Bavinck instemmen, dat met „het kennen van goed en kwaad” wordt bedoeld God naar de kroon steken, doen wat alleen God toekomt, zich aan Gods gezag en wet onttrekken,op eigen benen willen staan, tegen de wil van God in zijn geluk beproeven, kortom: als God willen zijn. De infinitivus „kennen” wijst op aktiviteit.”

Onder hen, die deze opvatting delen, noemt de schrijver Calvijn. En dan wijst de schrijver er op, dat ook elders in het O.T. de zonde getekend wordt als aan God gelijk willen zijn en dat daardoor juist de mens ten val komt.

Maar dan stelt de hoogleraar deze vraag: „Is het daarom nodig en juist om, zoals men sinds Augustinus dikwijls heeft gedaan, van een „proef” of een „proefgebod” te spreken?”

We nemen hier over, wat hij verder schrijft: „Aalders zegt, dat God een of andere willekeurige boom genomen heeft en die de mens verboden heeft. Kuyper spreekt van „een gansch willekeurige ordinantie, die op mets rustte dan op een vrijmachtige wilsbeschikking Gods”. God koos zo maar een willekeurige boom om de mens op de proef te stellen om te zien of de mens in vrijheid en liefde God gehoorzamen zou. Wanneer de mens de proef zou doorstaan hebben, zou God op een gegeven moment ook deze boom aan de mens hebben vrijgegeven. Maar daar staat in het hele verhaal niets van. Daar staat niets van een op de proef stellen en niets van een willekeurige boom. Dit is voor de mens de verboden boom, dat hij zelf gaat bepalen wat goed is en wat kwaad. En voor dat gebod wordt de mens absoluut geplaatst en dat gebod blijft eeuwig bestaan. Daarin is God God en de mens mens, dat God de orde vaststelt en dat de mens zich aan die door God gestelde orde houdt.”

We nemen niet meer over. Het betoog bevredigt niet. In feite verliest de boom der kennis des goeds en des kwaads zijn betekenis, wanneer we niet meer kunnen spreken van een proefgebod.

Het gaat om gehoorzaamheid aan God en Zijn gebod. Die moet blijken uit het niet eten van de vrucht van deze boom. Dat was naar het gebod. Uit de verdere geschiedenis blijkt duidelijk, dat de Heere het eten van de vrucht als overtreding van Zijn gebod, als ongehoorzaamheid ziet. De Heere stelt de mens op de proef en constateert ongehoorzaamheid. Wat ons betreft moge men een andere benaming uitdenken, maar zolang die er niet is blijven we vasthouden aan de benaming „proefgebod” en de zaak, die daaraan verbonden is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.