+ Meer informatie

HET LIED IN DE EREDIENST

7 minuten leestijd

9.

De nieuwe berijming een verbetering?

De gestelde vraag is een zeer belangrijke. Een vraag, waarvan we ons zo maar niet mogen afmaken. Een vraag, waarop een eerlijk, positief antwoord moet gegeven worden. Immers, de nieuwe berijming is er en vindt reeds ingang. Door twee kerken is zij reeds geaksepteerd en op verschillende scholen wordt zij al gebruikt. Ook in onze kerken zijn er gemeenten, die uit de nieuwé bundel zingen. In een artikel onder het motto „N.B.” heeft Ds. v.d. Ent daar al op gewezen. Enkele uitspraken over de nieuwe berijming hebben we u doorgegeven. De predikanten Schroten en Spilt laten een positief geluid horen. Beiden zijn de overtuiging toegedaan, dat de nieuwe berijming voor de kerken akseptabel moet zijn. Zij is zelfs beter dan de oude. Ds. G. Spilt merkt in zijn boekje: „Bewaar het pand” op: „Met een bewonderenswaardige nauwgezetheid zijn alle binnengekomen opmerkingen gesorteerd en op niet minder dan 31 vergaderingen is de ingekomen kritiek psalm voor psalm besproken. De „Proeve” is zo opnieuw nauwkeurig bestudeerd en vele plaatsen zijn gewijzigd. Ruim 50 psalmen behielden hun in de „Proeve” voorgestelde tekst, elf werden herdicht en alle andere werden soms zeer geling, soms ook ingrijpend, gewijzigd naar aanleiding van de ingezonden opmerkingen. Na deze grondige procedure, die vanwege de zo uitgebreide inschakeling van alle belangstellenden uniek genoemd kan worden, kan gevoegelijk worden vastgesteld, dat voorhands een betere berijming in samenwerking van deskundigen en gemeenteleden onmogelijk is.

Nauwkeurige vergelijking van de oude en de nieuwe berijming met de onberijmde tekst zal leiden tot de overtuiging, dat de nieuwe meer schriftgetrouw is en beter zingbaar dan de oude, terwijl zij de psalmen op dichterlijke wijze onder woorden brengt in de taal, die wij nu spreken”.

Dr. H. Schroten deed ook de uitspraak: „Een berijming moet zeer goed zijn of niet zijn”. Deze uitspraak is logisch. Immers, een psalmberijming is niet iets sekundairs. Iets van ondergeschikt belang. In de eredienst neemt het psalmgezang een belangrijke plaats in. In de eredienst moet vertolkt worden het Woord van God. De verklaring van de tekst moet naar het Woord van God zijn. Zij mag niet voor tweeërlei uitlegging vatbaar zijn. Regelmatig moet in de prediking doorklinken: „Zo zegt de Heere”.

Het is de door God gegeven opdracht aan Zijn kerk in casu aan Zijn dienaren om Zijn Woord in gebondenheid aan dat Woord door te geven. Het is ook de roeping van de kerk om datzelfde Woord ook wat de psalmberijming betreft zuiver en duidelijk te vertolken. In elke psalm moet doorklinken, moet uitkomen, wat de onberijmde psalm zegt. Nu blijft elke prediking stuk-werk. Niet één predikant zal kunnen zeggen: mijn prediking is af. Toch zal er moeten zijn een hartelijk streven om het Woord van God te bedienen naar de wil van God. Daartoe is naast het gebed, doorgaande studie vereist. De kerk, de predikant als liturg, heeft zich ook te richten op de psalmen. Immers, in de eredienst mogen alleen psalmen gezongen worden. De taak der kerk is als vanzelf ook deze: de berijmde psalm, de psalmen te toetsen. Te toetsen op haar betrouwbaarheid en bruikbaarheid. Heeft onze kerk dit reeds gedaan inzake de berijming van 1773? De synode van 1953 deed een uitspraak naar analogie van die van 1836: „dat ongelijkvormigheden of tegenstrijdigheden in de tegenwoordige psalmberijming duidelijk aangewezen moeten worden en dat deze door een kleine revisie zeker kunnen worden opgelost”. In het rapport van deputaten, dat diende op die synode, wordt o.m. gewezen op de toetsing van de oude berijming van 1773 op de zuiverheid van weergave van de Hebreeuwse tekst.

De noodzakelijkheid van een nieuwe berijming wordt niet gesteld. In het minderheidsrapport, acta 1953, bijlage 58a, pag. 262 lezen we: „Bij vergelijkende exegese bleek ten overvloede, dat de oude psalmberijming in menig opzicht de meest juiste weergave van de taal der Schrift was. De vergelijkende exegese van Dr. Oosterhoff over Ps. 1, 2 en 8 benevens de exegese van Ds. Overduin over Ps. 16 en 49 bracht geen enkel grondig argument voor de noodzakelijkheid de psalmberijming te herzien. Door beide exegeten moest de psalmberijming van thans zelfs als de meest juiste vertaling van de grondtekst worden genoemd. Wat overbleef was tenslotte niet anders dan enige min of meer voor tweeërlei uitleg vatbare woorden of wat verouderde uitdrukkingen of een kleine aanmerking op de zangwijze”.

Voorzover mij bekend is tot hiertoe op niet één synode duidelijk aangetoond de noodzakelijkheid van een nieuwe berijming. Ook heeft nimmer een grondige toetsing van de huidige berijming plaatsgevonden. Nu moet dit wel geschieden inzake de nieuwe berijming. Impliceert dit, dat de berijming van 1773 aftands is? Ik vrees, dat we als kerken dezelfde weg gaan als met de vertaling van de Bijbel. De gevolgde procedure heeft mij allerminst bevredigd. Zij ademt van de tijdgeest. In verschillend opzicht wil men in onze kerken gebondenen van het heden zijn. Men meent anders zijn naam als kerk te verliezen. Men meent anders vele leden kwijt te raken. Vandaar aanpassen, aanpassen. Die aanpassing zien we ook in de prediking. Te zijner tijd hopen we D.V. dit nog wel nader te motiveren. Als kerk moeten we eerlijk zijn. Naar haar beginsel heeft onze kerk altijd een eigen geluid laten horen in de prediking. Dit geluid moet vandaag ook nog gehoord worden, zoniet dan zijn we niet meer Christelijk Gereformeerd. Die eerlijkheid moet ook blijken in onze beoordeling inzake de psalmberijming. De uitspraken van 1836, 1953 mogen we zo maar niet onder de tafel schuiven. Waren ze onjuist, dan dient dit duidelijk aangetoond te worden. Daar we regelmatig onze psalmbundel bestuderen, zijn de bezwaren, die wij hebben voor revisie, zeker vatbaar. We achten de nieuwe berijming, zoals die voor ons ligt, geen verbetering. Ds. G. Spilt zegt in zijn boekje: „Van psalm 22 was in de oude berijming een aantal koupletten eigenlijk niet te zingen (5, 7, 8, 9, 15). Hoeveel beter kan deze psalm nu gaan funktioneren in de eredienst”. Is deze stelling juist? Wij menen van niet. In de N.B. staat, vers 4: „Blijf mij niet ver, want nu het onheil nadert helpt mij niet één”. Het „niet één” is onjuist. Daar ligt de suggestie in, dat andere mensen of volken ook nog hadden kunnen helpen. Maar het gaat er juist om, dat de gehele wereld tegen Israël is en dat de Heere alleen helpen kan.

In vers 5 wordt gesteld, dat buffels hoge hoornen hebben. Dit is onjuist: buffels hebben geen hoge, maar lage horens.

Op vers 6 hebben we ook kritiek. Men zegt dat de nieuwe berijming duidelijker is. Misschien ligt het aan mijn gebrek aan taalkennis, maar onduidelijk zijn voor mij de derde en vierde regel: „Mijn hart werd „was”, dat in mijn ingewand geen vorm bewaarde”. Onduidelijk en niet naar de tekst is de tweede regel: „Mijn vlees en been verloor zijn vast verband”.

Het zevende vers is ook niet akseptabel. De beelden gesteld in de grondtekst heeft men zich niet ingedacht. Is de volgende regel voor u begrijpelijk? „Mijn lijf verteerde tot de lege som van mijn geraamte”,

in vers 8 wordt het geraamte „vege rest” genoemd, dat door honden wordt verslonden. Dit is niet naar de grondtekst, daarbij is het woord „vege rest” onjuist.

Uit de enkele op- en aanmerkingen blijkt al, dat het onjuist is te stellen: de nieuwe berijming is een verbetering. In volgende artikelen zullen we dit nog nader aantonen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.