+ Meer informatie

DE AFSCHEIDING EN DE KERK

14 minuten leestijd

Om de leer van de kerk

Het is dit jaar niet de eerste keer dat de Afscheiding wordt herdacht. Dat is ook al ge-beurd in 1884 en in 1934. Vooral rond „het eeuwgetij der Afscheiding” iswel geble-ken, dat de Afscheiding heel verschillend wordt beoordeeld. Terwijl de een van een re-formatie meent te moeten spreken, zegt de ander: De Afscheiding van 1834 is niet een reformatie te noemen zoals de Reformatie van de 16e eeuw dat was.

Niemand zal bij een terugblik op de tijd van de Afscheiding durven beweren, dat Hendrik de Cock erop uit was naam te maken als stichter van een nieuwe kerk. Hij had niets van een Organisator en hij was ook geen idealist. Hij handelde in hetgeheel niet uit berekening, maar „ziende in het gebod, blind voor de uitkomst”.

Aan het adres van de vader van de Afscheiding en hen die hem volgden is de vraag wel gesteld, of zij met hun daden geen uitweg zochten voor hun eigen ergernis en of zij niet te ongeduldig waren. De beslissing van toen moge in het licht van de omstandigheden begrijpelijk zijn, maar ze was daarom nog niet goed, want ze schaadde de kerk.

De geschiedenis van de Afscheiding laat ons zien, dat de gemeente in Ulrum in grote nood verkeerde. Haar predikant was op onwettige wijze geschorst en er lag een afzet-tingsvonnis. Protesten werden stelselmatig afgewezen. Ds. De Cock zou ontrouw ge-weest zijn aan zijn roeping, wanneer hij zieh erbij had neergelegd. Van andere kerkeraden en predikanten, die met de toenmalige kerkelijke besturen in conflict kwamen, geldt hetzelfde, ai was de situatie dan niet overal gelijk.

Het ging bij de Afscheiding niet om persoonlijke kwesties, maar om de kerk en om de leer van de kerk. Dat is niet iets dat wij alleen maar achteraf kunnen constateren. Een van de officiële stukken waaruit af te leiden is, dat dit door de eerste generatie van afgescheiden gereformeerdechristenen helder werd ingezien, is het „Adres” dat namens de synode van 1836 bij de koning is ingediend. De volgende passage spreekt voor zich-zelf:

„Konde men ons aantoonen, hoewel wij verzekerd zijn dat dit onmogelijk is, dat wij in eenig opzigt van de leer, tucht en dienst der Gereformeerde Kerk zijn afgeweken, dat wij niet tot de Gereformeerde gezindheid behooren; wij zouden dit in dank aannemen en bereidvaardig zijn om in dit geval terug te keeren: doch indien wij aantoonen, dat het Kerkbestuur van het in 1816 georganiseerd Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap in openbaren strijd Staat met de Gereformeerde Kerk; dat de Gereformeerde gezindheid daarin niet wordt gevon-den; dan wenschen wij ook, dat ons regt gedaan zal worden, en dat wij niet be-stempeld zullen worden met den naam van een nieuw kerkgenootschap; maar erkend als eene in waarheid Christelijk Gereformeerde Kerk, die geene gemeen-schap wil hebben met de omverwerpers van die Kerk”.

Het belangrijkste document uit die jaren is de Acte van Afscheiding of Wederkeering zelf. De ambtsdragers en leden van de „Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum” stellen daarin voorop, wat de kenmerken zijn van de ware kerk. Zij verklaren in De Cock een herder en leraar ontvangen te hebben die naar het Woord van God de zuivere leer van de vaderen voorstelde.

Het is bekend genoeg, dat De Cock een woord van aanbeveling schreef voor een brochure waarin de Evangelische gezangen fei werden gehekeld en dat hem dat zeer kwalijk genomen is. Maar het is opmerkelijk, dat de Acte van Afscheiding de gezangen zelfs niet noemt. Het is wel een feit, dat de voorliefde van velen voor de nieuwe gezangen samenhing met de leervrijheid die in die tijd hand over hand toenam.

In de „Ernstige en hartelijke toespraak aan mijne landgenooten” horen we De Cock van zijn motieven zeggen: Niets anders dan de nooddwang ter vrijwaring van mijn ge-weten en de liefde tot uw heil, geliefde landgenoten, hebben mij gedrongen tot de aan-wijzing van het kwade, dat schier overal is doorgedrongen. Er heeft sedert jaren een „bedrieglijke bewerking van aanval” tegen de Gereformeerde of de waarachtige leer der zaligheid plaats gegrepen, die, wanneer ze rechtstreeks geweest was, niet zo verleidelijk of verblindend geweest zou zijn als thans.

Men heeft de staf gebroken over de heftigheid van de uitvallen van De Cock tegen de predikanten Meyer Brouwer en Benthem Reddingius, die hij in 1833 wolven noemde die de schaapskooi van Christus aantastten. Hij gebruikte in zijn verontwaardiging inderdaad uitdrukkingen die minder correct zijn. Maar we vergeten niet, dat hij zieh geroepen voelde tegen hen een „Verdediging van de ware Gereformeerde leer en van de ware Gereformeerden” te schrijven. Een dienaar van net Woord die door een sterk roe-pingsbesef gedreven, opkomt voor de Schapen van Christus, behoort niet gestraft te worden, zoals ds. H. de Cock gestraft is.

Blijkens zijn uitgave van de Dordtse Leerregeis was De Cock onderde indruk van wat de Heilige Schrift zegt in Judas 3, Hebr. 13:9, 2 Tim. 4 :2, 3 en andere nieuwtesta-mentische vermaningen.

Na 150 jaar is er in kerk en theologie veel veranderd. Maar de kerk Staat en valt ook nu met de ware leer. Het is daarom niet genoeg, als er in plaatselijke kerken nog een bij-belse prediking is en als men de waarheid tegenover de dwaalleer mag stellen. Het komt erop aan dat alleen de zuivere prediking van het evangelie gebracht wordt en dat „een ander evangelie”, dat in feite geen evangelie is, uit de kerk wordt geweerd.

Om de reformatie van de kerk

Kort voordat het eeuwjaar van de Afscheiding begon, sprak prof. J.J. van der Schuit in Apeldoorn over het onderwerp: Hendrik de Cock, de Vader der Afscheiding, naast Luther en Calvijn. Er schijnt in die titel enige overdrijving te schuilen. Men kan zieh af-vragen, of De Cock op één lijn te stellen is met Luther en Calvijn.

Maar wij zien hem wel in het spoor van de reformatoren gaan. Hij was een trouw en moedig volgeling van Calvijn.

Aanvankelijk was hij dat niet. Zijn zoon Helenius de Cock vertelt, dat de godsdienstige opvoeding in het ouderlijk huis er in geen enkel opzicht toe kon bijdragen om hem eenmaal als verdediger en handhaver van de gereformeerde leer te doen optreden. De theologische Studie in Groningen deed dat evenmin. Hij was al jaren predikant, toen er een grote verandering in zijn leven kwam. Volgens zijn levensbeschrijving, die van de hand van zijn zoon is, werden zijn ogen geopend door de „Institutie” van Calvijn, die hij ernstig en biddend onderzocht. Toen begon hij de volle raad van God te verkondigen. Prof. Van der Schuit heeft er terecht op gewezen,dat zowel van Lutheren Calvijn als van De Cock geldt, dat het grote werk van de reformatie in hun eigen ziel tot stand werd gebracht, voordat zij tot reformatorisch werk werden geroepen.

Er zijn meer invloeden geweest die De Cock vóór Oktober 1834 heeft ondergaan. Voor hem was Van Zuylen van Nijenvelt de geloofsheld die opriep tot de waarachtige dienst van God in Geest en waarheid. In dezelfde trant schreef hij in 1833:

„Komt dan vrienden, medeburgers, landgenooten, ieder vatte dit werk van Reformatie aan en zie niet op een ander; belijdt elk uwe ongerechtigheid; vernedert u hierover, dat gij het vuur van Gods toorn zoo hebt aangestoken. Belooft heilig-lijk, door Gods genade, te haten dat God haat, te beminnen dat Hij bemint; Gods wet te kiezen tot uw reget, zijne eer tot uw einde. Laat ons daartoe elkanderen opwekken, versterken, en zoo dienen tot opscherping van lief de en goede werken: en zoo gaan bidden om den vrede van Sion en Jeruzalem”,

In de werken van de vader der Afscheiding treft het ons, dat hij aansluiting zoekt bij het reformatorisch verleden van de kerk in ons vaderland. Hij beroept zieh herhaalde-lijk op de Nederlandse belijdenisgeschriften en het verwondert ons niet, dat wij dat ook in de Acte van Afscheiding vinden. De Dordtse Leerregeis waren bij velen in het vergeetboek geraakt en werden door niet weinigen als volkomen verouderd beschouwd. Maar ze zijn „het Credo der Afscheiding” geworden. Dat is vooral te danken aan Hendrik de Cock, die er de grondtoon van het evangelie van de verkiezende genade van God in Jezus Christus opnieuw in hoorde. Hij verzorgde in 1833 een uitgave met een uivoerige voorrede, waarin hij zegt om welke reden hij hiertoe overging:

„Om dan vele onkundigen de ogen te openen, vele zorgeloozen opmerkzaam te maken, vele Godvreezenden te Sterken en te vertroosten, in deze, voor den waar-achtigen dienst van God zoo donkere dagen in ons Vaderland, heb ik gemeend dat het hoognuttig en heilzaam kon zijn, om de besluiten van de, onder de door-luchtigste Gereformeerden beroemste en algemeenste Synode, door den druk ge-meen te maken en verkrijgbaar te stellen”.

In dit alles herkennen we de kerkelijke lijn. De verzoeking om zieh uit de strijd terug te trekken in de rüstige sfeer van gelijkgezinden heeft wel bestaan. De Labadisten van de zeventiende eeuw zijn een voorbeeld van sektarisme en dat werkte nog wel na. In allerlei gezelschappen hield men aan een bepaald type vroomheid vast, maar schreef men de zichtbare kerk af. Er waren separatistische verschijnselen te signaleren. Maar De Cock dacht er niet aan de kerk prijs te geven. Dan was het voor hem de aangewezen weg haar in alle ernst op te roepen tot reformatie. Daarbij is hij in 1834 zelf buiten de Neder-landse Hervormde Kerk komen te staan.

De kerk moest weer worden wat ze was, een echt gereformeerde kerk, die zieh hield aan de gereformeerde belijdenis en aan de gereformeerde kerkorde. Zie de Acte van Afscheiding of Wederkeering van de kerk te Ulrum!

Dat is ook de achtergrond van de veelbesproken verklaring uit de Acte, dat de onderte-kenaars zieh overeenkomstig het ambt aller gelovigen (artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) afscheiden van degenen die niet van de kerk zijn en dus geen ge-meenschap meer willen hebben met de Nederlandse Hervormde Kerk, totdat deze te-rugkeert tot de waarachtige dienst des Heren.

De Afscheiding van 1834 was een reformatorische beweging. Evenals bij de Reformatie van de zestiende eeuw ging het om de gehoorzaamheid aan Christus, die het Hoofd van zijn gemeente is, en om het onvoorwaardelijk buigen voor het Woord van God.

Juist omdat de kerk van de Afscheiding een gereformeerde kerk is, blijft zij alleen al door haar bestaan naast de Hervormde Kerk tot deze „grote” kerk zeggen, waar het ook voor haar op aankomt om werkelijk kerk van Christus te zijn. Alleen dan is het een lichtend perspectief om samen op weg te gaan.

In hun verantwoording geven de ondertekenaars van de Acte ook uitdrukking aan hun bereidheid, gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware gereformeerde ledematen en zieh te willen verenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering.

Ook daarmee bewegen zij zieh geheel in de weg van de Reformatie. Meer nog: het is de eis van de Schrift zelf. Wie echt afgescheiden is, wil daarop aangesproken worden.

Kort na de datum van de Afscheiding publiceerde De Cock een „Toespraak en uitnoo-diging aan de Geloovigen en ware Gereformeerden in Nederland”, waarin de woorden staan die wij na 150 jaar tot de onze te maken hebben:

„Wij hebben ons gescheiden, gelief de Land- en Geloofsgenooten! niet van de ware Gereformeerde Kerk, noch van de ware Gereformeerden; integendeel reiken wij die allen de broederhand, en verzoeken de hunne terug, om te onderhouden de gemeenschap der Heiligen vereenigd door een geloof, door éénen doop en door éénen Geest, zoo nu onderling als met onze vaderen”.

Om de waarachtige dienst van God

We zouden ons vergissen, wanneer we dachten, dat het De Cock en zijn geestverwanten alleen om de zuivere leer te doen was. In zijn rede bij de herdenking van de Afscheiding in 1884 heeft prof. Helenius de Cock in Ulrum van hen gezegd:

„Zij scheidden zieh niet af om eene koude, doode Orthodoxie te bezitten. ’t Was hen te doen om ’t leven. Den waarachtigen dienst Gods zochten zij. Tot gehoorzaamheid aan Zijn Woord verbunden zij zieh. De leer der vrije genade was het kleinood dat zij zochten te bewaren. De tekst waarover den eerste Zondag na hunne Afscheiding, van een derbanken in gindsch kerkgebouwgepredikt is, zegt het u, dat zij streden en wilden lijden voor de handhaving van de leer van het zalig worden uit genade, zonder de werken, om dan als gezaligden te wendeten in alle goede werken” (de tekst van de preek was Ef. 2 : 8-10).

Hiermee was de Afscheiding geheel in de lijn van Calvijn. Voor hem was de leer de ziel van de kerk. Maar hij bedoelde er veel meer mee dan een rechtzinnige opvatting. Leer en leven gaan samen, want de leer werkt door in het leven. Zo is het nog!

De strijd voor de reformatie van de kerk was een strijd voor de vrijheid van de kerk om God naar zijn Woord te dienen. Herhaaldelijk komen wij de woorden „leer, tucht en dienst van de Gereformeerde kerk” tegen. Ze vormen een eenheid. De leer en de tucht zijn er terwille van de waarachtige dienst van God.

De Afscheiding was daarop gericht, dat de Here door zijn volk in oprechtheid gediend zou worden. Wat daar een belemmering voor was, moest verdwijnen, zoals het bij Ko-ninklijk Besluit aan de kerk opgelegde en door haar geaccepteerde Algemeen Reglement van 1816.

De dienst van God vergde offers. We denken aan de periode waarin ambtsdragers en le-den van de gemeente verdrukt en gestraft werden en plaatselijke kerken hun eigendom-men moesten afstaan. In het „Adres” van 1836 Staat: Als onze tegenstanders onze kerkgebouwen wederrechtelijk in bezit houden, zullen wij zelf wel voor gebouwen zor-gen. Wij behoeven zulke prachtige tempels niet om de God van hemel en aarde te dienen.

In de kerk van de Afscheiding wordt opnieuw gevraagd, hoe de Here in zijn kerk ge-diend wil worden. De gemeente is erbij betrokken, als zij in Ulrum op de avond van 14 Oktober 1834 de Acte van Afscheiding tekent, die de kerkeraad aan haar voorlegt. Naar de orde die de Here ingesteld heeft, geven de ambtsdragers leiding aan de gemeente. Er worden kerkelijke vergaderingen gehouden. In 1836 komt weer een synode samen. Het is wel eens de eerste gereformeerde synode na de synode van 1618/1619 genoemd!

Op een synode worden in 1837 enkele onvoorzichtige en ongelukkige besluiten genomen. Er ontstond twist door en er werd al gezegd, dat de Afgescheidenen zieh ook al ophielden met het maken van nieuwigheden. Een volgende synode komt hierop terug en belijdt schuld:

„Dit zeggen wij, omdat wij geene heerschappijvoerders over het erfdeel des Heeren wenschen te zijn, maar door genade, onder de Koninklijke heerschappij van Christus, alleen dienstknechten en opzieners tot eere van Hem, die leeft in alle eeuwigheid en tot bevordering van de stichting zijner Gemeente. Met schaamte en schuldbelijdenis zien wij thans terug op hetgene, dat vroeger door ons gedaan is, en oorzaak kan geweest zijn van vele oneenigheden in de Kerk en onlusten buiten dezelve”.

Dit is het tegendeel van kerkelijke zelfhandhaving, die in de kerken maar al te veel voorkomt. In de kerk hebben de mensen het echter niet te zeggen, maar de Here. Hij wil dat wij van verkeerde wegen terugkeren.

Het is goed bij dit alles stil te staan. Het is meer dan onze afgescheiden traditie - het is ons eigen kerkelijk verleden. Het is een wezenlijk deel van de geschiedenis van onze kerken.

Het valt ons niet moeilijk te erkennen, dat de kerk van de Afscheiding haar gebreken heeft. Ze is lang niet volmaakt. Maar als het kenmerk van de ware kerk is, dat zij zieh rieht naar het zuivere Woord van God, alle dingen die daarmee in strijd zijn verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd, mogen we wel zeggen, dat ons dat in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland voor ogen Staat.

Volgens onze confessie heeft niemand het recht zieh af te zonderen van een kerk die hier ernst mee maakt.

Wij hopen en bidden, dat onze kerken anderhalve eeuw na de Afscheiding kerken mo-gen blijven waarin - zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis het zegt - de ware religie wordt onderhouden. Wie dat in artikel 30 in zijn verband leest, ziet dat juist de ambtsdragers daarop bedacht moeten zijn.

In de tijd van de Afscheiding hebben niet alleen predikanten als ds. H.de Cock, ds. H.P. Scholte, ds. A. Brummelkamp, ds. G.F. Gezelle Meerburg, ds.S. van Velzen en anderen, maar ook vele ouderlingen en diakenen daarvoor gewaakt.

In 1984 is er helaas minder kerkelijk besef dan wij zouden verwachten, wanneer wij overwegen wat de broeders en zusters die ons zijn voorgegaan, er in 1834 en volgende jaren voor over gehad hebben om echt kerk te zijn.

De ambtsdragers mogen het daarom zeker tot hun taak rekenen om de gemeente er met klem op te wijzen, als het nieraan ontbreekt. Laten zij ook zelf voorbeelden zijn van kerkelijke trouw!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.