+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

5 minuten leestijd

49.

De schepping van de mens (vervolg) 4.

In de rij der schepselen neemt de MENS een geheel enige plaats in wat betreft het werk en het doel der schepping. Hij is niet maar het voornaamste of edelste schepsel, doch hij is de kroon van het scheppingswerk Gods. Dat enige en bijzondere, die eer en positie ligt in het feit, dat hij geschapen is naar het beeld van God! We lezenimmers:„EnGod schiep de mens naar Zijn beeld, naar het beeld van God schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze”, Gen. 1 : 26, 27.

Reeds door zijn schepping, als na een bijzondere RAADSLAG Gods: „Laat Ons mensen maken”, nam de mens een geheel enige plaats in, want dit lezen we niet bij de schepping van de andere schepselen, zelfs niet bij die der engelen. Ja^hoog was de mens eens geplaatst: beelddra%er Gods te zijn.

Naar Gods beeld geschapen wil zeggen, dat de mens het gelijkend beeld Gods was, op God geleek.

Beeld en gelijkenis drukken beide eenzelfde gedachte uit. Zij betekenen een zeer gelijkend beeld van God.

Christus is ook het beeld Gods als de Zoon van God. Hebr. 1:3: „Dewelke, alzo Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid”.

De mens is het GESCHAPEN beeld van God. Dit geldt zowel van de vrouw als van de man. Ook Eva is dus geschapen naar het beeld Gods.

Men heeft dit betwist. Maar de beschrijving van de schepping van man en vrouw in Gen. 1 wijst het overduidelijk uit en laat geen twijfel hierover bestaan.

Dit neemt echter niet weg, dat er onderscheid is tussen beiden, naar de bouw van het lichaam, in het man-zijn en vrouw-zijn naar aard en geestelijke struktuur, als scheppingsordinantie.

Maar dit onderscheid geeft geen recht om het feit weg te redeneren, dat ook de vrouw geschapen is naar het beeld Gods. Man en vrouw droegen samen als een twee-eenheid het voile beeld Gods, elkander aanvullende. Zo zijn zij geschapen. U zult opmerken: De mens heeft toch het beeld Gods VERLOREN. Inderdaad. Maar we moeten onderscheiden in welke zin. Het beeld Gods bestondnamelijk in ENGERE zin en in RUIMERE zin.

Het beeld Gods in engere zin, d.w.z. naar zijn eigenlijke INHOUD, bestond in KENNIS, GERECHTIGHEID en HEILIGHEID. En naar die zin heeft de mens door de zonde het beeld Gods geheel verloren, want zijn verstand is verduisterd en daarom mist hij de ware kennis van God. Zijn wil is boos en verkeerd geworden en daarom bezit hij geen gerechtigheid meer, die voor God kangelden. Zijn hartstochten zijn ongeregeld en verdorven en daarom kan hij geen volkomen heiligheid meer beoefenen. Dit wat het beeld Gods betreft in ENGERE zin.

Het beeld Gods in RUIMERE zin bestaat hierin, dat de mens is een redelijk, zedelijk schepsel, hebbende verstand en wil. Dit is de mens na zijn diepe val nog gebleven. Vandaar dat de mens na de zondeval nog „beeld Gods” genoemd wordt. Gen. 9 : 6. Hij is dus redelijk, zedelijk en daarom verantwoordelijk schepsel gebleven. Zeker, zijn verstand is verduisterd, maar het is niet weggenomen. Zonder verstand (en zo is het ook met de wil en het gevoel) zou de mens geen „mens” meer zijn.

En hoe staat dit dan bij een mens, wiens verstandelijke vermogens gekrenkt zijn? Wei, dan blijft hij toch „mens”. Zulk e6n is niet zonder verstand kwa vermogen, maar diens verstandelijke vermogen funktioneert niet meer normaal.

Onze belijdenis spreektook van het beeld Gods in deze ruimere zin, wanneer zij namelijk het heeft over „kleine overblijfselen, welke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen”, Ned. Gel. Bel. art. 14, en: „Wel is waar, dat na de val in de mens enig licht der natuur is overgebleven”, Dordtse leerregels hfd. III/IV/4.

Bovenal leert ons de Heilige Schrift dit zelf. Rom. 1 : 20: „Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn”.

Maar met dit „enig licht der natuur”, met deze kleine overblijfselen (van het beeld Gods) kan de mens niet komen totdezaligmakende kennis van God. Daartoe heeft hij van nod’ vernieuwd te worden door de wederbarende werking van de Heilige Geest, waarvan we lezen in Kol. 3 : 10: „En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het Evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft”. Dit is dus de HERSTELLING van het beeld Gods in de wedergeboorte. Welk een zelfbedrog en zelfmisleiding is het, wanneer we, gelijk nu velen doen, het natuurlijk licht, het verstandelijk weten en geloven houden voor het zaligmakend werk. Daarom is de „onderscheidende prediking” vooral zo nodig in onze dagen.

De mens moet geheel VERNIEUWD worden. Zo wordt ook alleen het beeld Gods naar zijn ENGERE zin hersteld. In de „engere zin” bestond toch het beeld Gods in kennis, gerechtigheid en heiligheid.

Hierover echter een volgende keer D.V.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.