+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

4 minuten leestijd

56.

DE VOORZIENIGHEID GODS (slot)

Gaven we de vorige les aan als laatste les over de voorzienigheid Gods, we zijn er niet aan toe gekomen de derde nuttigheid van dit omvangrijke stuk te behandelen, wat wij nu willen doen: IN HET TOEKOMENDE: VERTROUWEN OP GOD.

Deze geloofswerkzaamheid hangt ten nauwste samen met de beide voorgaande zaken: in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar te zijn.

Wie in tegenspoed onder ’s Heeren doen mag buigen en verenigd mag worden met de heilige wil des Heeren of in voorspoed met de weldaden in de Heere mag eindigen, verlegen en verbroken onder de goedertierenheden Gods, krijgt „krediet” op die God, om alle verwachting op Hem alleen te stellen: blind in de toekomst en ziende in het gebod.

Dit is openbaring van het stille geloofsvertrouwen om met alle noden en zorgen zich aan Gods hand toe te betrouwen, zoals de dichter van Psalm 62 zingt:


Doch gij mijn ziel, het ga zo’t wil,
Stel u gerust, zwijgt Gode stil,
Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken.


Het echte vertrouwen is niet die stoïcijnse gelatenheid, zoals wel eens gezegd wordt: je moet het maar overgeven, er is toch niets aan te doen, zoiets als we opmerkten bij de 54e les over „in tegenspoed geduldig” te zijn.

Neen, het ware vertrouwen kenmerkt zich in een ootmoedige, hartelijke overgave van het hart aan de Heere, wat de toekomst betreft. De toekomst leggen in Gods hand! Het is wat de apostel schrijft in Filippenzen 4 : 6: „Weest in geen ding bezorgd, maar laat in alles uw begeerten door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”.

Deze gezindheid en gestalte van het hart vloeit voort uit het „geduldig zijn in tegenspoed”, zo merkten we al op.

En hier houdt het redeneren op, ook moet dan het „vlees” zwijgen. Dit vermag alleen Gods genade!

We mochten dit kennelijk bevinden bij de zwaar beproefde weduwe hier in onze gemeente, die getroffen werd door het smartelijk verlies van haar man en twee zoons, een jongen van 15 jaar en een jongen van 17 jaar en zulks in één slag door het vergaan van hun kotter, niet ver van de haven van Urk. Daarbij zijn ook de twee andere knechts omgekomen, jongens van 19 en 23 jaar. Die van 19 jaar kerkte ook meermalen bij ons. Ieder gevoelt vanzelf zijn eigen verlies, maar voor die weduwe is toch de slag het allerpijnlijkste. U kunt begrijpen hoe we tegen dit bezoek opzagen. Maar wat heeft de Heere het wel gemaakt. Ze mocht getuigen: de Heere heeft geen onrecht gedaan. Zeer bijzonder wordt deze moeder ondersteund in deze diepe weg. We mogen zeggen: de Heere heeft honing aan de roede gedaan. En nu zal zeker het gemis straks zich wel dieper doen gevoelen wanneer deze spanningsvolle dagen voorbij zijn. De Heere geeft echter precies wat genoeg is in de dadelijke omstandigheden. Maar de Heere zegt ook in Zijn Woord: „In zes benauwdheden zal Hij u verlossen en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren”, Job 5:19.

„Wat de toekomst brengen moge”.

Ja, we willen wel eens het gordijn wegschuiven. Vragen rijzen op: hoe zal het gaan? Maar rijk is de genade, die het hart vervult met het TOEVOORZICHT, waarvan onze Heidelberger spreekt in zondag 10. Het is dat toevoorzicht op die getrouwe Vader in Wiens hand alle schepselen alzo zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Het is de heilige onbezorgdheid, waarmede men alle zorgen en noden in ’s Heeren zorgende en alvervullende hand mag leggen.

„Nu dan, o Heere, wat is ’t dat ik verwacht? Mijn hoop staat op U alleen”. Zo belijdt de dichter van Psalm 39.

Deze heilige onbezorgdheid betekent niet om zorgeloos te zijn. In dit opzicht geldt het: „bidt en werkt”. De Heere laat alles in de zomer rijpen, opdat men het voor de winter zou hebben. Maar de rijke dwaas wilde zijn goederen voor jaren opleggen. Maar in diezelfde nacht eiste God zijn ziel op!

Arm is de mens, die het verwacht van zijn polis, van de mensen, van zichzelf.

Het toevoorzicht van het geloofsvertrouwen doet afzien van alles wat geen steun kan zijn en van wat geen vaste waarborg geeft, maar doet de zegen verwachten van de Heere, Die weet wat nuttig en nodig is en wat het beste is. Onze berekeningen falen nogal eens. Daarom:


Zalig hij, die in dit leven,
Jakobs God ter hulpe heeft.
Hij, die door de nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft,
Die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot
Vestigt op de Heer’, zijn God.


Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.