+ Meer informatie

Weinig verbetering in werkgelegenheid

Prognose Centraal economisch plan:

3 minuten leestijd

DEN HAAG — Er valt in 1977 weinig groei van de industriële werkgelegenheid te verwachten. De werkloosheidsperspectieven blijven dan ook overwegend somber. Deze conclusies zijn te trekken uit de prognose in het Centraal economische plan 1977, waarvan het samenvattend hoofdstuk donderdag is gepubliceerd.

In de industrie zijn nog tal van zwakke plekken en in diverse bedrijftakken loopt de werkgelegenheid zelfs verder terug. Het huidige beeld is feitelijk nog te gunstig, zo zei prof. dr. C. A. van den Beid, directeur van het Centraal planbureau in zijn toelichting op de prognose.

Deze prognose berust op een verwachte toeneming van de wereldhandel met zeven procent, doch een procent minder stijging betekent teruglopende export met als gevolg ongeveer 3000 werklozen meer. Op dit moment is nog niet te bezien, welk effect verdere steunmaatregelen van „Economische zaken" aan het bedrijfsleven zullen hebben.

Ook al zal de werkloosheid nog enigszins oplopen, dan nog mag worden verwacht, dat het jaargemiddelde beneden dat van 1976 — 224^000 — zal blijven. Men acht het nog te vroeg om uit de opgetreden daling nu reeds de conclusie te trekken, dat de onwikkelingen op de arbeidsmarkt een duidelijke kentering ten goede zou hebben genomen.

Groei produktie

Volgens het CEP 1977 zal een produktiegroei van vijf procent in de industriële nijverheid niet worden bereikt. Van 1975 op 1976 bedroeg deze groei ruim 4%. Doorslaggevend blijft de vraag, hoe het verloop van de investeringen van het bedrijfsleven zal zijn. Mede onder invloed van de investeringsstimulering en van omvangrijke investeringen in de sector gezondheidszorg wordt voor de investeringen van het bedrijfsleven een verder herstel met acht procent verwacht. Hierbij is geen rekening gehouden met de WIR (wet investeringsrekening). In 1977 zal de steun meer op individuele bedrijven gericht blijven.

Bij de huidige investeringsregeling weet het bedrijfsleven waar het aan toe is, terwijl bij de WIR de steun tot een basispremie beperkt blijft. Men weet nooit hoe een nieuw instrument uitpakt, beklemtoonde prof. Van den Beid, die gecin direct effect van de WIR op de werkgelegenheid verwacht.

Consumptie

Wat het consumptievolume betreft wordt een uitbreiding met 3,5% voorzien bij een 2,5 reële loonverbetering. Toch is dit cijfer nog onzeker vanwege mogelijke wijzigingen in het spaargedrag en vermogensposities. Het monetair beleid is gericht op afremming van de consumptieve kredietverlening.

Blijft de normale voorraadvorming gehandhaafd, dan resulteert een produktiestijging van 4,5 procent. Tegenover terugloop van de werkgelegenheid in de scheepsbouw en de textiel- en kledingindustrie staat een toeneming in de dienstensector en in de bouwnijverheid, waardoor de totale werkgelegenheid ongeveer in evenwicht zou kunnen blijven.

Er ligt een loonstijging van 7,5% in het verschiet, waarin een initiële loonsverhoging van 1,5 procent is geraamd. In 1975 en 1976 was de loonsstijging resp. 13,5% en 10,5 a 11%.

Betalingsbalans

Het surplus op de lopende rekenig in de betalingbalans wijst op een ontegenzeggelijke sterke externe positie. Bij een gelijkblijvende of zelfs iets dalende druk van de collectieve lasten zal met een omvangrijk financieringstekort in de collectieve sfeer moeten worden gerekend. Tevens heeft de gestegen waarde van de gulden tot gevolg, dat er weinig verbetering komt in de ongunstige internationale concurrentiepositie.

Niettegenstaande alle meevallers van 1976 wordt geconcludeerd, dat de problematiek van de volledige c.q. volwaardige werkgelegenheid weinig of Zelfs niets van haar scherpte heeft verloren. Voor de middellange termijn blijft dan ook een beleid, gericht op schepping van arbeidsplaatsen en beperking van de collectieve lastenstijging noodzakelijk, aldus het CEP. Zonder de steun aan individuele bedrijven zou de werkloosheid nog meer zijn toegenomen.

De verbetering van de handelsbalans in 1976 bleef bescheiden. Op de betalingsbalans ontstond een surplus van ƒ6,5 miljard in 1976 (ƒ4 miljard in 1975) dank zij een aanmerkelijk minder gunstige inkomensbalans, terwijl de appreciatie van de gulden tot de verbetering bijdroeg.

Opvallend was de stijging van de particuliere consumptie in 1976, nl. vier procent, wellicht een gevolg van de nivellering der inkomens.

In aansluiting op de ontwikkeling in 1976 zal de woningbouw met niet minder dan 12,5 procent toenemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.