+ Meer informatie

W. à Brakel

6 minuten leestijd

(2.)

Brakel's reis naai-Rotterdam is zeer ongunstig geweest. Op de Zuiderzee werd het schip, dat hem overbracht, door een zwaar onweer overvallen. De bemanning verkeerde in zo'n groot levensgevaar, dat alle opvarenden zich op de dood voorbereidden. Doch God heeft, omdat Hij Zijn dienstknecht nog tot veel wilde gebruiken, de wateren gestild en het schip in behouden haven gebracht. In Rotterdam dacht men reeds, dat Brakei verongelukt was, omdat het schip, door de storm ver buiten koers gedreven, lang over de gestelde tijd aankwam.

Zondag 21 November 1683 werd Brakei te Rotterdam bevestigd door Ds Tilenius, die sprak naar aanleiding van Jes. 52 : 7. De Zondag daarop deed Brakei zijn intree en sprak daarbij naar aanleiding van 2 Cor. 5 : 20.

De staatkundige gebeurtenissen van 1689 en volgende jaren en de Spaanse successieoorlog maakten de dagen van Brakel's verblijf te Rotterdam tot een belangrijke tijd voor ons vaderland. De onmenselijke wreedheden van Lodewijk XIV werkten zijdelings toch uit, dat de geloofsijver onzer voorouders toenam en de christelijke liefdadigheid werd opgewekt. Met het oog op de oorlog hield men sedert 29 Mei 1692 des Woensdagsavonds te Rotterdam bedestonden.

Reeds twee weken later moest men niet in één, maarin drie kerken dienst houden, wegens de zeer grote toeloop van mensen. Bovendien hield men in de kerken collecten voor de vervolgden in Frankrijk, in Gulik en de Palts. In 1708 verzond de kerkeraad van Rotterdam ƒ 300 aan de larig verdrukte broeders op de galeien en een jaar later had men weer ƒ 200 voor hetzelfde doel in kas. Acht en twintig jaar heeft Brakei onvermoeid en niet zonder zegen te Rotterdam het Evangelie verkondigd. De voornaamste collega's, met wie hij in die 28 jaar heeft samengewerkt, zijn geweest: Wilhelmus Eversdijk, Abraham Hellenbroek en Jacobus Fruytier.

Tijdens zijn verblijf te Rotterdam heeft Brakei een zware strijd gevoerd voor de onafhankelijkheid van de Kerk van de Staat. Eén der Rotterdamse predikanten, Ds J. Ursinus was 8 Januari 1688 overleden en spoedig ging men over tot het beroepen van een opvolger. De keus viel daartoe op Ds Crombrugge van Utrecht. Doch de stadsregering keurde dit beroep niet goed, ja stond er zelfs op, dat een andere beroepen zou worden. Er werd nu besloten (11 Juli 1688) dat de predikanten Brakei en Grebben met een ouderling en een diake-n hierover met de Vroedschap zouden gaan spreken, om zo mogelijk nog goedkeuring van het beroep te verkrijgen. Twee dagen later echter besloot men, hier toch maar van af te zien en het beroepingswerk weer te hervatten. Dus legde men zich neer bij het besluit der Overheid. Doch een man als Brakei kon niet in het onrecht berusten. De liefde voor de onafhankelijkheid der-Kerk werd weer vaardig over hem. Zondag 25 Juli preekte hij over Ps. 2:6: Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, de berg mijner heiligheid", en behandelde daarbij de vraag: f de Overheid het recht toekomt om het beroep van een door de Gemeente gekozen leraar, nietig te verklaren en aan te dringen op beroeping van een ander. Brakei beantwoordde deze vraag ontkennend en staafde zijn mening, door het Woord van God, de Nederl. Geloofsbelijdenis en de beroemdste godgeleerden van zijn tijd te doen spreken.

De volgende dag deelde Brakei de Kerkeraad mede, dat hij van de stadsregering bevel gekregen had, morgen zijn preek op schrift in te leveren, maar tevens vroeg hij het oordeel der Kerkeraad over zijn gevoelen. Inmiddels had de Vroedschap reeds een commissie benoemd om te onderzoeken of de preek van Brakei niet strijdig was tegen de autoriteiten en het respect der regering.

Dinsdags bracht deze commissie al een voorlopig rapport uit, dat voor Brakei verre van gunstig was. De commissie adviseerde Brakei voorlopig de kansel te ontzeggen en zijn stadstractement in te houden. Ondanks het verbod der Vroedschap trad Brakei Woensdag 28 Juli toch voor de Gemeente op. Niet uit stijfhoofdigheid, naar hij zelf verklaarde, maar uit gehoorzaamheid. Het bevel zijns Konings dwong hem te prediken. In de vergadering der vroedschap op 9 Aug. kwam de zaak van Brakei w T eer ter sprake. Men vond zijn manier van spreken hoogst hatelijk, ja kwetsend en tekortdoende aan het gezag der Regering, waarom men besloot, dat hij binnen vier weken aan de stadsregering „behoorlijke reparatie ende satisfactie" zou hebben te geven.

Zaterdag 21 Aug. verschijnt Brakei in de burge-

meesterskamer met dit drieledig voorstel:1. Dat de zaak — vermoedelijk van zijn preek — zonder gevolg mocht worden gelaten. 2. Dat hem een copie zou worden gegeven van het besluit van 9 Aiig. en van de rechtsgronden, waarop dit steunde. 3. Dat men zou omschrijven, wat onder de geëiste reparatie en satisfactie te verstaan zij. Burgemeesters konden niet meer beloven dan zijn verzoek aan de andere regeringsleden voor te leggen, maar verzochten hem tevens de volgende dag niet te zullen prediken. Brakel antwoordde, dat hij dit verzoek om des gewetens wil niet kon inwilligen en dat hij liever de stad zou verlaten, ja zijn leven verliezen zou, dan dat hij zou nalaten te prediken. Door dit geval zaten de heren in grote verlegenheid. Maar misschien kan de Kerkeraad uitkomst brengen. IJlings wordt Ds Grebber ontboden. Ten spoedigste moet hij een kerkeraadsvergadering beleggen en trachten te bereiken, dat Ds Brakel morgen niet in de stad zal preken. Des avonds om zes uur kon hij de Vroedschap berichten, dat hij zijn doel bereikt had. Hoewel Brakel dit kerkeraadsbesluit niet kon goedkeuren, heeft hij er toch in berust.

ren, heeft hij er toch in berust. Maandag 23 Aug. kwam de Vroedschap weer bijeen, om Brakeis voorstel te bespreken. Daar besloot men het eerste punt ronduit af te slaan en het tweede in te willigen. Van het derde zei men, dat Brakel , , rondelijk" de autoriteit der stadsoverheid omtrent het beroepen der prediken zou erkennen en zijn spijt zou betuigen over de preek van 25 Juli.

Tenslotte stelde de Vroedschap een verklaring over de drie bedoelde punten op en eiste, dat Brakel deze zonder enige de minste verandering zou ondertekenen. Doch ondertekening van een door de Overheid voorgelegd stuk kon licht als erkenning van haar vermeend recht in de-Kerk worden voorgesteld.

Daarom werkte Brakel deze verklaring om in een brief, waarmede de regering genoegen nam. Zo was dan de vrede getekend.

Ook Prins Willem III koos partij vóór Brakel en tegen de Vroedschap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.