+ Meer informatie

Enkele punten uit de discussie

11 minuten leestijd

Enkele punten uit de discussie

Uit de vele vragen, die naar aanleiding van het referaat gesteld werden, wil ik de volgende noemen, omdat het belangrijkste van wat verder ter sprake kwam daarbij is onder te brengen.

1. Hoe moeten we Hand. 2 zien? Is het een voorbeeld, een doel dat bereikt moet worden of een nieuwe wet misschien?

2. Hoe komt het dat de kerk niet op het niveau van Hand. 2 is blijven staan?

3. Moeten er om inzicht te krijgen in het samenleven in de gemeente ook niet andere gegevens uit het N.T. ter sprake komen?

4. Is een niet profeterende gemeente eigenlijk niet een dode gemeente?

5. Hoe moet een en ander in praktijk gebracht worden en hoe denkt u b.v. het alle dingen gemeenschappelijk hebben te realiseren?

6. Wat kunnen we er aan doen om de vervreemding van elkander in eigen kerken te doorbreken?

Deze vragen werden ongeveer als volgt beantwoord.

1. In Hand. 2 wordt ons m.i. voor ogen gesteld wat ons aan heil in Christus Jezus gegeven is. Er is a.h.w. het uitstallen van de levensrijkdom in de Here als bestemd om in de Zijnen te worden uitgewerkt. Hand. 2 is voor mij daarom een machtige belofte-prediking, die ons oproept veel van de Here te verwachten.

Ons bedreigt wel het gevaar Hand. 2 als een, soort nieuwe wet te gaan beleven. Het te zien als een ideaal waarnaar wij moeten streven en dat wij moeten bereiken. Dit gevaar bedreigt alle leven in heiliging.

Het belofte karakter van Hand. 2 zullen we nooit uit het oog mogen verliezen. Maar wat beloofd is wil begeerd, gezocht en verwacht worden in geloof en gebed. Dit verwachten geeft echter ook richting aan ons denken en spreken en doen. Het doet ons de wegen gaan waarin de Here ons zijn heil doet zien.

Wie deze weg gaat zal telkens weer de neiging hebben te vervallen in een soort werk-heiligheid. Daarom behoeven we steeds de correctie van de Heilige Geest opdat het steeds weer en meer worde: alleen genade en daarom ook alleen door het geloof in wat de Here is en werkt.

2. Er zijn, dacht ik, drie zaken aan te wijzen waardoor de kerk niet op het niveau van Hand. 2 gebleven is.

Allereerst is er het innerlijk verzet, ook bij de ware gelovigen, om het oude leven te verzaken en zich te houden aan het nieuwe dat is geopenbaard. Het gaat alles zo dwars tegen onze natuurlijke inzichten en strevingen in. Er is zo veel innerlijk verzet tegen het heil dat Christus geeft en de Heilige Geest uitwerkt. Laat ons toch nooit vergeten dat ook Gods kinderen nog een diep gewortelde vijandschap in zich hebben tegen dat wat de Here werkt. Het heil wordt niet met open armen ontvangen. Integendeel, het wordt buiten de deur gehouden. Daarom is er van de beleving van Hand. 2 zo weinig terecht gekomen.

Maar daarmee is, dacht ik, niet alles gezegd. Want de Here weet wat van de Zijnen is te wachten. Het zij aarzelend en met eerbied gezegd, maar de Here voegt Zich naar de dwaasheid en zwakheid van zijn volk. Niet in één moment zet Hij de Zijnen in de volheid van de nieuwe levensorde in. Dat heeft Hij in het O.T. niet met Israël gedaan. Hij doet het ook in het N.T. met de kerk niet. De Here weet dat zulks voor de Zijnen niet te verwerken en bij te houden is. Daarom zoekt Hij ze op in de situatie waarin ze zich bevinden en gaat met hen op weg naar de voorgestelde volkomenheid. De vervulling met de Heilige Geest was dan ook niet blijvend. De leiding van de Heilige Geest is het wel. Even is ons de volheid voorgesteld in het leven van de Jeruzalemse gemeente. Dat wil zeggen voorzover dat binnen de grenzen van dit leven mogelijk is, want geloof vrij dat eens het heil des Heren nog heerlijker voor ons zal oplichten. Maar wat is een gelovige? En wat is de kerk? Achtgevende op onze grovig-heid en zwakheid voegt de Here de bediening des Geestes naar het werkelijke bestand van de gemeente. Hij haalt haar niet abrupt uit de situatie, waarin zij zich bevindt, maar staat toe dat zij weer afdaalt tot het niveau waarop zij stond. Hij is een goedertieren Vader. Maar Hij heeft de gemeente eens en voor goed laten zien waar Hij met haar naar toe wil en Hij wekt haar op ten deze niets van zichzelf maar alles van Hem te verwachten. Zo gaat Hij met de kerk op weg. Dat zij volge!

In deze leiding van God is, dacht ik, nog iets op te merken. De Here heeft in het O.T. Israël nooit volledig geïsoleerd van zijn omgeving. De Here doet het Zijn kerk ook niet. In het O.T. heeft de verbondenheid van het leven van Israël met dat van de omliggende volkeren grote aandacht ontvangen. Ik dacht dat iets dergelijks ook in de geschiedenis van de kerk opgemerkt moet worden. God leidt Zijn volk verder in het verstaan en beleven van de waarheid in verband met Zijn leiding van het volke-renleven. Er is dan ook een nauwe samenhang tussen kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis. In het licht van het O.T. kan ons veel van de situatie van de kerk in het N.T. duidelijk worden. God doet het in het N.T. niet in eens heel anders dan in het O.T. Hij gaat verder. Hij trekt de lijnen door, maar buigt ze niet om. Daarom heeft de Here het leven van de kerk ook niet in | één ruk heel ver van het leven van de haar omringende wereld weggetrokken. Zij werd niet een absoluut vreemd lichaam in het midden van de wereld. Geen eiland zonder enige verbinding met het haar omringende leven. Er blijft iets gemeenschappelijks.

Samenvattend kunnen we zeggen: De kerk is niet op het niveau van Hand. 2 gebleven vanwege haar vleselijk bestaan én vanwege Gods vaderlijk erbarmen, waardoor Hij rekening houdend met onze zwakheden ons leidt als een Vader en ons niet isoleert van onze omgeving zodat we de verbondenheid met het leven der volkeren verliezen. Er blijven op deze wijze communicatiemogelijkheden.

3. Er zijn zeker andere gegevens in het N.T. die betrokken moeten worden in onze overwegingen inzake het samenleven in de kerk. Denk o.m. aan wat Paulus schrijft in zijn brieven aan de Corinthiërs en aan 1 Petrus. Maar deze gegevens doen m.i. niets af of toe aan Hand. 2. Ze maken wel iets heel duidelijk.

Eerst, dat de apostelen de verhouding van de gemeente tot de haar omringende wereld niet uit het oog verliezen. Er wordt rekening gehouden met de te verwachten reactie van die wereld op de wijze waarop de gemeente leeft. Het leven van de gemeente is een getuigenis naar buiten. De apostelen dragen er zorg voor dat dit getuigenis „verstaanbaar” is en geen misverstanden oproept. Zie b.v. 1 Cor. 14. In dit licht wil ik b.v. ook uitdrukkingen verstaan als: het staat lelijk voor een vrouw, en: leert ook de natuur zelf u niet. 1 Cor. 11 : 6 en 16. Paulus remt dan ook al te ontstuimige ontwikkelingen af. Niet om bestaande situaties en gewoonten te bevriezen en nog minder om ze te canoniseren, maar om te voorkomen dat het leven van de gemeente onverstaanbaar wordt voor de wereld. Maar Hand. 2 wordt niet uit het oog verloren. Ook Paulus is met de gemeente op weg. Hij begeleidt en gaat voor in bepaalde ontwikkelingen. Daarbij hoopt hij ook op doorwerking van de invloed, die er van de gemeente uitgaat op de wereld. Als Paulus in 2 Cor. 3 de gemeente een leesbare brief van Christus noemt ziet hij deze brief ook inderdaad voor de wereld geschreven met de bedoeling dat de boodschap van deze brief ook zal doorwerken in de wereld.

In de tweede plaats is bij de apostelen duidelijk op te merken een verzet tegen het op revolutionaire wijze gestalte geven in de wereldlijke samenleving aan verhoudingen, die in de kerk gelden. Slaven moeten hun heren onderdanig zijn. Vrouwen worden vermaand en jongeren eveneens. Lees o.a. Col. 3. Het evangelie en het leven van de gemeente overeenkomstig het evangelie wil doorwerken in de wereld en ook de verhoudingen daar omzetten, maar zoals een zuurdesem dat doet en niet door middel van revolutionair geweld.

4. Een gemeente, waarin geen ruimte is voor profetie, vertoont niet meer het beeld van de gemeente in het N.T. In dit opzicht is er beslist iets scheef gegroeid in onze kerken. Ik dacht, dat we dit eerlijk moeten erkennen. Hoe daarin verandering ten goede kan worden aangebracht zie ik nog niet. Er is natuurlijk ook zo iets als valse profetie. En als de ware profetie kansen krijgt, krijgt de valse profetie het ook. Maar als een gemeente mond-dood wordt gemaakt en de genadegaven van de Heilige Geest geen ruimte krijgen om te functioneren, zal er aan het leven van de gemeente grote schade worden toegebracht.

5. Hoe het in Hand. 2 gegevene in praktijk moet worden gebracht? Ik vraag me af of we direct al zover zijn dat we wat kunnen dóén. We moeten eerst met elkaar om de bijbel gaan zitten en samen leren luisteren! Dat valt ons moderne mensen zwaar. We willen reeds doen voor we weten wat er gedaan moet worden. Nog enkele opmerkingen.

We moeten in onze gemeenten vooral de vragen van het samenleven aan de orde stellen. Daarvoor moet in onze kerken meer openheid komen. Het gesprek daarover is hier en daar begonnen, maar meerderen moeten er bij betrokken worden en allen moeten gaan begrijpen dat hier zaken aan de orde zijn die direct te maken hebben met het werk van de Heilige Geest.

Het is nodig dat we als ambtsdragers er voor zorgen dat het gesprek over deze dingen plaats vindt in het licht van de Heilige Geest. Het behoort op een werkelijk geestelijke wijze te geschieden. Gemeenschappelijk worde gezocht naar een weg, die het samenleven van de gemeente leidt in de richting van Hand. 2.

Ondoordachte experimenten of voorstellen in die richting bederven veel. Maar het moet in de gemeente wel duidelijk worden dat een bevriezen van de huidige situatie de bedoeling van de Here beslist niet is. De angst voor iets nieuws is zeker in onze tijd begrijpelijk. Maar het moet duidelijk worden in de gemeente dat de Here met ons op weg is, dat wij niet achter eerst veroordeelde en later geaccepteerde veranderingen in het maatschappelijke leven moeten aanlopen, doch een eigen weg hebben te gaan, die leidt naar het heil dat in Hand. 2 verkondigd wordt. En wie die weg gaat en het gemeenteleven zo zoekt te schikken en te ordenen dat deze dingen gestalte krijgen, loopt op de maatschappelijke ontwikkelingen vooruit!

Laten we dan maar eens gaan studeren over de verhouding blank-zwart, werkgeverwerknemer en hun wijze van samenwerken in de gemeente (om van daar uit dan eens na te denken hoe dat in het bedrijf kan zijn), over arm en rijk, over de positie van de vrouw in de gemeente en de positie van de jeugd, over het functioneren van de geestelijke gaven en zo veel meer. Uit de gemeenschappelijke bezinning op de openbaring Gods groeit de dééd. Mââk-werk zonder meer haalt in de gemeente niets uit. Het gaat daar om nieuwe verhoudingen én nieuwe mensen door de Heilige Geest.

6. Er is bij ons verwijdering op te merken tussen broeders en zusters van hetzelfde huis. Soms ook onwil tot een werkelijk samengaan. Wat daaraan te doen? Niet de schuld aan één kant zoeken. Men maakt het er soms naar dat er vervreemding van elkaar ontstaat. Er is soms bitter weinig begrip voor elkander en een niet willen of kunnen verstaan van eikaars diepste bedoelen. Waar dat gekrenkt wordt, wordt het vertrouwen geschonden. En geschonden vertrouwen herstelt maar moeizaam. Er is soms niet veel meer te doen dan het blijven bidden tot God en het blijven zoeken van elkaar. Als zichtbaar wordt dat de liefde van Christus ons dringt, als duidelijk wordt dat er in dit zoeken iets van de Heilige Geest is, dan zal toch ieder die uit Christus en door de Geest leeft zich uiteindelijk gewonnen moeten geven en weer gaan deelnemen aan de daadwerkelijke beoefening van de gemeenschap der heiligen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.