+ Meer informatie

Het beroepingswerk 2

12 minuten leestijd

Een dominee van eigen geur en kleur

Onze kerken zijn samengestelde kerken, dat weten we. En dat komt in allerlei zaken tot uitdrukking. Ook in het beroepingswerk. Een goed kenner van ons kerkelijk leven kan U en mij precies vertellen welke dominee en welke kandidaat in welke gemeenten niet beroepen zullen worden. Dat hangt samen met de geestelijke structuur van die gemeenten. Bij de ligging van bepaalde predikanten en kandidaten heeft men daar kennelijk geen aansluiting. Heel sterk manifesteert dit verschijnsel zich wanneer Apeldoorn de kerken haar gereed gekomen kandidaten presenteert. Dan kan het gebeuren dat één kandidaat, in wie sommige gemeenten wat de geestelijke ligging betreft zich zelf in meer of mindere mate herkennen, tien tot vijftien beroepsbrieven in de bus krijgt, terwijl een andere adspirantdienaar des Woords vele weken achtereen tevergeefs naar de brievenbus loopt en blij mag zijn als er uiteindelijk toch nog een gemeente blijkt te zijn die hem een plaats gunt. De kandidaat van de vijftien beroepen heeft een ruime keuzemogelijkheid uit gemeenten die geestelijk vrijwel gelijk gestructureerd zijn. Beroepen uit gemeenten van andere geur en kleur zijn er niet bij. Wat hiervan te zeggen. Wel, wij zijn als christelijke gereformeerde kerken nu eenmaal wat we zijn, samengesteld uit mensen die over zaken van geloof en leven verschillend denken en die daarbij sterk bepaald worden door herkomst, opvoeding en ontwikkeling. Dat mede daardoor de vormen waarin wij de dienst van God betrachten en de aspecten van de geloofsbeleving onderling verschillen, is iets waarvoor begrip moet bestaan. Dat begrip moet er ook zijn voor het feit dat niet elke dominee overal past. Wil een samenwerking tussen een predikant en een gemeente vruchtbaar zijn dan zal in elk geval het uit te brengen beroep gebaseerd moeten zijn op een zekere mate van geestelijke herkenning van elkaar vanuit de gehoorde prediking en de eventueel gevoerde gesprekken. Voor die gesprekken pleit ik nogmaals. Te veel wordt dit in de sfeer van het beroepingswerk ondernomen of nagelaten op grond van een keertje horen preken of op grond van informaties die deze of gene broeder langs de weg opdeed en waardoor soms vertekende beelden van predikanten kunnen ontstaan. Door een gesprek ontstaat misschien een heel ander beeld, misschien een veel meer aanvaardbare figuur dan op afstand werd verondersteld. Binnen de verschillende groeperingen die ons kerkelijk leven kent gaat het niet bemind zijn voor bepaalde figuren terug op het niet voldoende bekend zijn. Te veel wordt er binnen onze kerken vanuit twee geestelijke werelden geleefd van waaruit de één niet tot de ander kan overkomen. Ook wat het beroepingswerk betreft zijn de posities te veel bevroren. Ik ben er van overtuigd dat een minder krampachtig preekverzoek-systeem (naar meerdere kanten wel te verstaan) en meer bereidheid tot een eerlijk gesprek tussen kerkeraden en predikanten een verblijdende verschuiving in het beroepingswerk zouden kunnen opleveren.

Ik wil dit stuk niet afsluiten zonder mijn waardering uit te spreken aan het adres van veel gemeenten in het noorden van ons land waar men zo’n grote bereidheid aantreft om jonge predikanten in hun eerste jaren als herder en leraar met veel liefde, begrip en goede raad te begeleiden.

Dominees die nooit een beroep krijgen

Je hebt dominees wier naam regelmatig in de publiciteit is. Hun naam siert vele tweetallen en wat het aantal op hen uitgebrachte beroepen betreft zijn zij de kerken zowat rond geweest. Het gaat soms met vlagen. Wanneer een naam eenmaal in circulatie is trekt dat kennelijk de aandacht van veel vacante gemeenten, met als gevolg een groot aantal beroepen. Er zijn echter ook namen die men in de rubriek beroepingswerk nooit of bijna niet tegenkomt. Ik denk daarbij niet alleen of allereerst aan predikanten die misschien over hun hoogtepunt heen zijn (hogere leeftijd en verminderde vitaliteit) waardoor zij steeds minder in beeld komen, maar ik heb hier met name het oog op die dienstknechten van Christus die lange, lange jaren achtereen dezelfde gemeente dienen zonder ooit een beroep naar elders te krijgen. Onder hen zullen er zijn die daaronder niet gebukt gaan omdat zij zich met hun huidige gemeente nog altijd zeer gelukkig voelen en omgekeerd hun gemeente met hen. Dat is dan een gezegende zaak. Maar de praktijk van het kerkelijk leven is ook dat een al te lange verbintenis tussen een bepaalde gemeente en haar predikant voor het geestelijk heil van beide partijen fnuikend kan zijn. Vooral op het punt van de zondagse prediking kijkt in zo’n gemeente het gevaar van een zekere verstarring en verstening om de hoek. De kerkdiensten worden dan misschien nog wel trouw waargenomen maar de verrukking over het boeiende en verrassende van de dienst des Heeren op de zondagen neemt af. De gemeente kan dan met verlangen uitzien naar een acceptabel beroep voor haar predikant omdat daarin voor haar de kans ligt ooit nog eens een andere herder en leraar te krijgen. En de predikant van zo’n gemeente hoopt misschien ook op een beroep, al was het alleen maar omdat het tegenover zijn tegenwoordige gemeente zijn imago kan versterken. Soms is dat laatste echt wel eens nodig. Door kerkeraadsleden en onaangename leden van de gemeente kunnen op het zonder beroep blijven van hun predikant wel eens van die fijne toespelinkjes worden gemaakt. Het kan ook zijn dat een predikant die een gemeente al heel lang heeft gediend echt wel eens naar een andere gemeente wil om het heilige dienstwerk daar weer helemaal nieuw aan te vangen. Maar … een beroep kan niet worden geforceerd. Het blijft uit. Men voelt zich buiten de krijtlijn staan. Wat daar dan ook maar de oorzaak van mag zijn. Leeftijd ? Onvermogen om boeiend te preken? Ten onrechte verspreide geruchten over een wat nonchalante opvatting van de pastorale taak? Een kleine oneffenheid in de ambtelijke loopbaan? Of — wat ook mogelijk is — te geringe bekendheid in de kerken omdat men op het bredere front van het kerkelijk leven steeds een bescheiden opstelling kiest en niet overal met de vlag voorop loopt ? Men kan al deze dingen natuurlijk afdoen met de stelling dat God Zijn dienstknechten ergens plaatst en op Zijn tijd wegen naar elders zal openen wanneer Hij dat wil of wegen gesloten houdt als Zijn heilige wil dat beter acht. En dat is natuurlijk waar, maar alles is er niet mee gezegd. Ook hier kan de wil van de Heere zich realiseren door onze menselijke verantwoordelijkheid heen. En daarom zou ik kerkeraden van vacante gemeenten willen toeroepen: ga bij Uw overwegingen rond het beroepingswerk niet met een zekere vanzelfsprekendheid voorbij aan de namen van die predikanten die om welke reden dan ook niet veel in de circulatie zijn. Het zijn misschien niet allemaal zulke sterke figuren op de kansel, maar er kunnen uitstekende herders onder zitten. Ik ken ze uit mijn eigen kerkelijke ervaring. De zegen die een dienstknecht van God voor een gemeente meebrengt hangt naar mijn overtuiging niet alleen af van de vraag of de dominee over een spectaculair preekvermogen beschikt. Dat kan die zegen soms zelfs in de weg staan. En ook daarvan zouden voorbeelden te noemen zijn.

Sollicitatie-systeem

Er kleven wellicht te veel praktische en misschien ook kerkrechtelijke bezwaren aan, maar speciaal met het oog op die predikanten die best eens van plaats zouden willen veranderen maar die nooit of maar heel zelden een beroep krijgen, zou ik bijna willen pleiten voor een sollicitatie-systeem. De onnavolgbare banen die men in het beroepingswerk soms beschrijft beziende, heb ik al eens vaker gedacht dat de mogelijkheid voor een predikant om naar een vacante gemeente te solliciteren misschien wel gewenst zou zijn. Zou er nu werkelijk iets tegen zijn dat een vacante gemeente in het kerkelijk orgaan een oproep plaatst om met geïnteresseerde predikanten voor de vervulling van de vacature in gesprek te komen ? Op die wijze wordt elke predikant in de gelegenheid gesteld mee te doen. De selectie na het voorgesprek zal natuurlijk een aantal teleurstellingen opleveren, maar die teleurstellingen zijn er ook wanneer men op beroep is wezen preken en men blijkt in het beroepingsverhaal verder niet voor te komen. Een zeker sollicitatiesysteem bestaat er trouwens toch al. Van meerdere gemeenten is bekend dat zij een predikant beriep nadat deze te kennen had gegeven er niet onverschillig tegenover te staan. Ik persoonlijk ben er van overtuigd dat toepassing van dit systeem de opheffing van vacatures in bepaalde gevallen zou kunnen bespoedigen. Eén van de grootste bezwaren die tegen dit systeem kan worden ingebracht is dat een predikant het zich tegenover zijn tegenwoordige gemeente toch nauwelijks kan veroorloven naar een andere gemeente te solliciteren. Stil houdt men zoiets niet. Het kerkelijk wereldje is klein. Ook in de kerk geldt (helaas): ’t geheim van één weet God alleen, ’t geheim van twee wordt licht gemeen en dat van drie weet iedereen. Ja, zo gaat dat. ’t Ligt gauw op straat.

Maar dat bezwaar zou zijn gewicht verliezen naarmate het systeem meer algemeen toepassing zou gaan vinden. En natuurlijk zou het voor een predikant een zaak van zorgvuldige en biddende overweging behoren te zijn of hij met zijn huidige gemeente op een punt is gekomen waarop de gedachte aan een ander werkterrein in de wijngaard des Heeren verantwoord kan worden geacht.

Het argument dat de mens bij dit systeem te veel in handen neemt kan ik niet goed zien. Ook aan het thans gangbare systeem kleeft veel menselijks en ook daarbij doen zich soms meer vleselijke dan geestelijke factoren gelden.

Aannemen–of–bedanken ?

Een moeilijke vraag, waarover eigenlijk een predikant zou moeten schrijven. Ik zelf heb over deze vraag nooit hoeven na te denken. De overwegingen die een beroepen predikant tot een bepaalde beslissing brengen, zullen van geval tot geval verschillen. De bijkomende omstandigheden, zoals woonmogelijkheden, studiebehoeften van het gezin, wensen van de echtgenote die zich bij de bezinning op een beroep veelal niet passief opstelt en al dergelijke dingen, zullen bij elke predikant weer anders liggen. Dat de pastoorse de beslissing van de predikant in bepaalde gevallen sterk beïnvloedt, staat, geloof ik, wel vast. Het oude verhaal van de beroepen dominee uit het Zeeuwse dorp speelt zich misschien ook in onze tijd nog wel eens af. In de weken van beraad ontmoet een ouderling op straat het dochtertje van de dominee. ”En, wat zal vader doen ?” luidt de vraag. Antwoord: ”Ach, baas Eversdijk, vader ligt nog op zijn knieën maar moeder is al aan het inpakken”.

Ik wil aan die bijkomende omstandigheden verder graag voorbijgaan. Wel graag nog enkele andere opmerkingen. Heeft een predikant een beroep gekregen dan is natuurlijk van het allergrootste belang een krachtig gebed van de beroepene en de bij het beroep betrokken gemeenten, een gebed waarin de Heere wordt gevraagd de gedachten en de overwegingen van de predikant in de weken van bezinning zò te ordenen dat zich aan het einde van de bezinningsperiode duidelijk Gods wil aftekent. Wie het wel eens moeilijk mocht hebben met de gedachte dat rond een uitgebracht beroep door de beroepende en de tegenwoordige gemeente van de predikant tegengestelde belangen aan de Heere worden voorgelegd, mag bedenken dat daarvan geen sprake is wanneer men in dat gebed Gods wil over het doen en laten van Zijn knechten primair stelt.

Een tweede punt vormt het gesprek dat een beroepen predikant in de weken van bezinning met zijn kerkeraad heeft. Ik ben er niet zeker van dat dit gesprek er altijd is en evenmin of dit gesprek van kerkeraadszijde altijd op de juiste wijze wordt gevoerd. Zijn er geen predikanten die zich op een beroep moeten bezinnen zonder precies te weten waar men met zijn huidige kerkeraad en gemeente aan toe is ?

Als predikant heeft men natuurlijk wel een indruk; men weet natuurlijk wel enigszins hoe er in de gemeente gedacht wordt. Een eerlijk gesprek met de kerkeraad is echter toch van het grootste belang. De predikant dient bij zijn overwegingen rond het beroep een juist beeld te hebben van de gevoelens die binnen kerkeraad en gemeente jegens hem als dienstknecht van Christus leven. En laten dan in zo’n gesprek aan kerkeraadszijde de woorden toch vooral de werkelijke gedachten dekken. Want in de kerk — het is erg om het te zeggen — worden erg veel woorden gesproken waarachter andere gedachten verborgen gaan. Ik heb in de tijd van overweging van een beroep en bij gelegenheden als het afscheid door mij bekende predikanten wel woorden horen spreken waarbij ik dacht: waarde broeder, ik heb wel eens anders van je gehoord. Oprechtheid en vroomheid mogen kerkeraden en hun woordvoerders ook in situaties als deze zeer behoeden. Wat van dit alles zij, in de tijd van bezinning op een beroep zal er bij een goede verstandhouding tussen predikant en kerkeraad een levendig contact zijn. Want uiteindelijk is het zo dat de beroepen predikant ten principale toestemming van zijn kerkeraad behoeft om het beroep naar elders aan te nemen.

En dan is er natuurlijk ook het contact met de kerkeraad die het beroep uitbracht. Behalve de regeling van zakelijke dingen kan zo’n gesprek uitstekend dienen om de predikant een nog wat duidelijker indruk te geven van de gemeente die hem begeert. Wanneer het om een gemeente in een grote stad gaat zal de predikant het erg op prijs stellen wat meer te mogen weten van de totale ontwikkeling van het kerkelijk leven in die stad en over de vraag hoe de verschillende gemeenten in de stad zich onderling verhouden.

Tenslotte: het lijkt mij voor een beroepen predikant een uiterst aangename ervaring wanneer ook de bij een beroep betrokken gemeenten blijk van medeleven geven. Ik weet van predikanten bij wie de Heere Zieh bediende van een enkel eenvoudig woord dat recht uit het hart aan het adres van een zich bezinnende predikant werd gesproken of geschreven.

Ik wens de kerkeraden die op zoek zijn naar een predikant voor de gemeente veel wijsheid toe en de dominees, die misschien op een beroep wachten, veel geduld. Moge de Heere onze kerken ook in het beroepingswerk zegenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.