+ Meer informatie

Als de catecheet zichzelf gaat vervelen:

bemoediging door Augustinus

11 minuten leestijd

Een preek kan zoveel indruk maken, dat een hoorder die preek zich jaren later nog kan herinneren. Ik vang daar regelmatig iets over op in het pastoraat: gaandeweg een gesprek komt zo’n goede herinnering boven. Het is mij echter nog nooit overkomen, dat iemand een herinnering aan een bepaalde, zeer aansprekende catechisatie noemt. Wel, meer algemeen, dat deze of gene catecheet wist te boeien.

De mooiste momenten die ik mij van vroeger herinner, als catechisant, waren die waarop ds. Op den Velde van zijn stoel opstond, volledig loskwam van het boekje, en ons min of meer mediterend in hoger sferen bracht. Hij liep dan wat heen en weer en was, begeesterd, helemaal één met de stof, en wist mij dan te “vervoeren”.

Deze gouden momenten waren relatief zeldzaam, maar des te kostbaarder!

De catecheet verlangt naar gouden momenten

Catechisatiemethoden zijn met de tijd meegegaan en worden steeds meer didactisch verantwoord. Het probleem blijft echter, dat de schitterende boodschap van Gods Woord op catechisatie noodzakelijk overgeleverd en geleerd moet worden met menselijke middelen. Zelfs al wordt er gestreefd naar maximale interactie en worden moderne middelen van beeld en geluid volop ingeschakeld. Zaken van eeuwigheidswaarde moeten ter sprake worden gebracht binnen een beperkte tijd (dat is niet per se het meest gelegen moment), een beperkte ruimte (niet per se de meest stimulerende ruimte), en door middel van beperkte mensen (niet per se degenen die vonken doen overslaan) met beperkte methoden. En niet alleen de catechisanten kunnen gegronde reden tot klagen hebben, de catecheten die hun eigen beperktheid danig voelen niet minder. Wie zou niet willen dat zijn catechisanten als vanzelf enthousiast worden over God de Vader, als de catecheet Gods Vaderschap ter sprake brengt, of sprakeloos over het wonder van vergeving van zonden als het hierover gaat, om maar enkele thema’s te noemen? Maar al te vaak lukt het niet, ervaart de catecheet.

Augustinus om raad gevraagd

Het is geen probleem van vandaag of gisteren. Het speelde al in de kerkelijke oudheid.

De grootste theoloog onder de Latijnse kerkvaders, Aurelius Augustinus (354 – 430) kreeg een vraag voorgelegd over deze moeilijkheid door de Carthaagse diaken broeder Deogratias.

En dan ging het nog niet eens om hele jonge catechisanten die door hun ouders verplicht worden te komen, maar om ongedoopte volwassenen die persoonlijk toestemming hadden gevraagd om aan de catechisatie te mogen deelnemen. Dus mensen van wie een bepaalde betrokkenheid mocht worden verondersteld. De catecheet Deogratias vond zichzelf ook in deze kring van belangstellenden nog tegenvallen. En dat terwijl Deogratias, zoals Augustinus van hem getuigt, in Carthago bijzonder geschikt werd geacht voor het geven van geloofsonderricht zowel door zijn kennis van de geloofsleer als door zijn aantrekkelijke manier van spreken. Deogratias had Augustinus laten weten, dat hij zichzelf tijdens een lang, lauw betoog ging vervelen en tegenstaan. Dat moest dan al helemaal zo zijn bij zijn leerling en wie er verder nog bij stond te luisteren.

Augustinus gaat welwillend op deze vraag in. Opvallend is de pastorale toonzetting en de openhartigheid van zijn reactie. Want hij is zo eerlijk te bekennen dat hij het probleem helemaal herkent. Hij zegt letterlijk: “Ik ken dat ook van mezelf: vrijwel altijd ben ik ontevreden met wat ik zeg”.

Behalve de vraag die nu aan de orde is had Deogratias nog wel enkele andere punten, die we hier niet aanroeren. Augustinus gaat op al die vragen breedvoerig in zodat alle antwoorden samen een heel boekje vormen, dat ook enkele malen in het Nederlands vertaald is.1

Maar wij laten hem nu zelf aan het woord.

Mijn tong heeft niet mee gekund met mijn hart

Zoals al gezegd herkent Augustinus het door Deogratias aangedragen probleem bij zichzelf ook:

“Vrijwel altijd ben ik ontevreden met wat ik zeg; ik wil namelijk zo graag iets beters geven, het woord dat ik vaak innerlijk geniet alvorens ik het in klinkende woorden begin te ontplooien;

en wanneer ik dat woord dan niet zo goed tot uiting vermag te brengen als ik zou willen, word ik verdrietig dat mijn tong niet mee heeft gekund met mijn hart”.

Het is dus niet zo dat Augustinus dat maar eens een enkele keer overkomt; het is bijna altijd zo.

Scherp analyseert Augustinus het eigenlijke probleem: iets waar je hart helemaal vol van is, waar je van geniet, iets moois wat je ontdekt hebt, een visie– dat zo in je hebben is nog iets anders dan het eruit brengen! Onnavolgbaar mooi en raak is de formulering dat de tong niet meekomt met het hart. Knap geformuleerd is ook wat hij erop laat volgen, en waarmee hij het probleem nog iets scherper stelt:

“Alles immers wat ik begrijp, wil ik door mijn toehoorder begrepen zien en ik merk dat ik daar in mijn spreken niet in slaag, vooral omdat het begrijpen de geest als het ware met een snelle lichtglans overgiet, terwijl het spreken traag is en langdurig, iets van een heel andere aard; terwijl dat spreken zich nog afspeelt, heeft het begrijpen zich al weer teruggetrokken in zijn afzonderlijk domein; het heeft echter op een wonderlijke manier zoiets als sporen in het geheugen geprent, die blijven voortbestaan, terwijl de tijdsverlopen van de lettergrepen zich afspelen; met die sporen brengen wij de klinkende tekens tot stand, die taal genoemd worden…”.

Taalwetenschappen bestonden nog niet in Augustinus’ dagen en er was ook geen inzicht in het functioneren van de hersenen zoals nu. Des te knapper is de manier waarop Augustinus in staat is te verwoorden hoe het kan “haperen” tussen inzichten en uitspraken!

Hiermee is nog niet alles gezegd, want

Onze eigen hooggespannen verwachtingen maken het nog erger

Er komen nog spanningen bij! “In onze vurige ijver om de toehoorder van nut te zijn willen wij echter doorgaans net zo spreken als wij begrijpen op dat moment waarop wij van louter gespannen aandacht niet kunnen spreken. En omdat we daar niet in slagen, voelen wij ons beklemd,

en omdat we menen vergeefse moeite te doen, worden we door tegenzin ontmoedigd, waarop we dan juist door die tegenzin nog onbezielder en met minder vuur gaan spreken dan we al deden toen onze woorden die tegenzin gaande maakten”.

Dus: ik wil dat waar ik innerlijk door gegrepen ben mondeling overbrengen. Maar het besef van onvermogen geeft me spanning. Juist door die spanning gaat het spreken me nog slechter af.

Dat verergert mijn gevoel van beklemming alleen maar. Ik raak des te meer ontmoedigd. Het resulteert in nog minder bezieling en vuur.

Mij dunkt, opnieuw heel trefzeker waargenomen en onder woorden gebracht.

Wat Augustinus hier als een probleem van catecheten beschrijft, zal ook herkend worden door predikanten. Daar spelen dezelfde processen een rol. Hoe breng je iets waar je zelf helemaal vol van bent, een schitterend inzicht dat je verworven hebt, een ontdekking in Gods Woord, boeiend ter sprake voor een groter gehoor? Hoe tel je het kapitaal dat in de geest ligt opgeslagen uit in de klinkende munt van de woorden?

Ervaren mijn hoorders het ook zo als ik denk?

Augustinus wil de vragensteller graag een hart onder de riem steken: “Wat nu uw persoonlijke zorgen betreft, ik zou toch liever niet zien dat u zich liet verontrusten door het zo vaak bij u optredende gevoel dat u een minderwaardig en vervelend betoog ten beste geeft”.

Vóórdat hij het probleem als zodanig onder woorden brengt zegt hij direct al – wat blijk geeft van zijn pastorale zin en haast om te troosten: “Het kan namelijk wel zijn, dat uw leerling niet die indruk heeft gekregen, maar dat u zelf door uw verlangen dat er iets beters te horen werd geboden, bent gaan menen dat uw woorden voor de anderen niet goed genoeg waren”.

We zullen dit Augustinus onmiddellijk moeten toegeven. We laten ons, ook in andere opzichten, soms te gauw bepalen door wat we denken dat een ander van ons vindt.

Weer spreekt Augustinus uit eigen ervaring: “Voor mij is echter vaak de belangstelling van hen die mij wensen te horen een aanwijzing dat mijn spreken niet zo kil en kleurloos is als ikzelf denk; de hoorders hebben er toch wel enig nut van: dat maak ik op uit het genoegen waarmee ze luisteren”.

“Hetzelfde geldt voor u: het feit zelf dat degenen die hun eerste geloofsonderricht moeten ontvangen, herhaaldelijk naar u worden verwezen, moet u toch wel doen begrijpen dat uw woorden door anderen niet zo ongunstig worden beoordeeld als door uzelf”.

De tegenstelling tussen het ongewone zien en het gewone mededelen

Een nog belangrijker bemoediging ontvangt Deogratias doordat Augustinus hem probeert duidelijk te maken dat zijn moeite met het catechisatie geven ook te maken heeft met de spanning tussen het hemelse en het aardse. Wanneer ons geestelijk inzicht geschonken wordt, is zelfs dat eigen inzicht dat wij ontvangen niet volkomen. “Wie ziet er namelijk in dit leven anders dan in een raadsel en in een spiegel?” Door de “duisternis van het vlees” kan niemand hier al doordringen tot de “eeuwige helderheid”. Iemand die vorderingen heeft gemaakt op de geloofsweg kent weliswaar “vreugde om het ongewone zien”. Hoewel nog beperkt, mag een gelovige al wel iets zien. Maar de dingen die je hier en nu al mag zien zijn “ongewoon”, het zijn schitteringen van het hemelse. En zodra je ze wil vangen met woorden, is het “ongewone” er alweer vanaf. En dat verklaart “onze weerzin tegen het gewone mededelen”. Als ik Augustinus goed begrijp, wil hij zeggen dat wat wij nu soms al bij glimpen mogen aanschouwen in het geloof, te ongewoon is om met gewone woorden weer te geven. In elke gelovige catecheet zelf is een soort dubbelheid, de tweespalt tussen hemels en aards. Daarmee zegt Augustinus eigenlijk dat de weerzin die Deogratias beklemt onvermijdelijk is.

Zeker, persoonlijke gaven en kwaliteiten spelen een rol (Deogratias wordt niet voor niets geprezen om zijn faam!) maar zelfs de best gekwalificeerde catecheet ontkomt niet altijd aan de weerzin.

Die weerzin is dan te verklaren uit het pijnlijk ervaren van de bovengenoemde tegenstelling.

Andere oorzaken van weerzin

Het kan ook zijn dat we, zelfs als we tamelijk aantrekkelijk weten te spreken, zelf toch liever iets in een betere stijl horen (die wij niet beheersen); terwijl het maar de vraag is of de catechisant dit boeit. We moeten “ineens woorden bijeenbrengen die bij de denkwijze van de ander passen”.

Dan kan het enerzijds zo zijn dat onze woorden naar eigen besef onvoldoende niveau hebben, en anderzijds dat ze bij de hoorder misschien niet eens overkomen – omdat ze hem nog te verheven zijn.

Verder kan het zo zijn dat het ons tegenstaat “steeds maar weer terug te komen op wat de beginnelingen wordt bijgebracht”. De stof is ons overbekend – het liefst behandelden we iets nieuws.

Ook doorkruist een catechisatie soms de bezigheden waar wij ons op dat moment liever aan zouden wijden. Dat maakt onrustig en die verdrietige stemming remt ons.

Tenslotte kunnen we wat neerslachtig zijn door iets moeilijks wat ons bezighoudt. Het valt niet mee om dit te verbergen en tegenover de catechisant opgewekt te zijn.

Advies: geef je geloofsonderricht met blijdschap

In het uitgebreid “spiegelen” van de verschillende kanten van het probleem heeft Augustinus de vragensteller al een heel eind op weg geholpen. Inzicht geven in wat er aan de hand is, fungeert als begin van de oplossing. Er worden door Augustinus meer woorden gewijd aan het schetsen van het probleem dan aan de eigenlijke remedie. Ik vat het kort samen.

Belangrijker dan de methode van lesgeven (die in Augustinus’ boekje uitgebreid aan de orde komt) is de gemoedsgesteldheid van de catecheet: “De voornaamste zorg is…, hoe men kan bereiken dat de leermeester zijn geloofsonderricht met blijdschap geeft. Hoe meer hij daarin slaagt, des te aantrekkelijker zal het zijn”. God heeft de blijmoedige gever lief, zegt Augustinus, en dat betreft ook het geestelijke geld. Hoe kan die opgewektheid er op het juiste moment zijn? We mogen het verwachten door de barmhartigheid van God, die ook het voorschrift heeft gegeven om opgewekt te zijn. God geeft wat Hij vraagt.

Deze blijdschap wordt gevoed door inzicht in Gods liefde. Hoe zou Christus bereid zijn geweest zich voor onze zielen te geven, als het Hem had tegengestaan zich naar onze oren te buigen? “Daarom heeft Hij zich te midden van ons klein gemaakt, als een voedster die haar kinderen koestert. Wat is er immers voor genoegen aan, als de liefde er niet toe aanzette, om de kinderen afgehakte, verminkte woordjes toe te prevelen?”

Als wij blij kunnen zijn over wat wij zelf innerlijk mogen begrijpen en inzien, laten we niet minder blij zijn met hoe wij een ander iets kunnen aanreiken van wat we zelf ontvangen hebben.

“Hoe behulpzamer (onze liefde) naar het laagste is afgedaald, des te krachtiger keert zij naar het diepste innerlijk terug, in het goede bewustzijn dat zij bij hen, naar wie zij is afgedaald, niets anders zocht dan alleen hun eeuwig heil”.


1 Het eerste geloofsonderricht, vertaald door Gerard Wijdeveld,1982 en Goed onderwijs-Christendom voor beginners, vertaald door Vincent Hunink en Hans van Reisen, 2008. Ik citeer in dit artikel uit de vertaling van Gerard Wijdeveld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.