+ Meer informatie

Een open vraag aangaande het Godsbezit van Godskind

7 minuten leestijd

Waar is uw God? Ps. 42 : 4b

De satan weet, dat hij des Heeren volk voor eeuwig kwijt is. Christus heeft satan zijn vaten ontnomen. Op Golgotha is de slag tussen Christus en satan geleverd. Daar heeft satan het verloren en Christus getriomfeerd. Dat volk, door God verkoren, is voor eeuwig het eigendom van Jezus. De Vader heeft het Hem van eeuwigheid reeds gegeven. Hij heeft het ook met Zijn bloed gekocht en merkt het nu ook door Zijn Geest met Zijn bloed. Zij zijn gezalfd met de Geest van Koning Jezus. Zó zijn zij eeuwig van de Heere!

Doch al weet satan, dat hij dat volk voor eeuwig kwijt raakt, in zijn helse haat kan hij niet nalaten hen hier te bestrijden. Daartoe heeft hij onder de mensen zijn vele gewillige handlangers. Zo is het hier ook met David. Het laat geen twijfel over of deze Psalm dag tekent uit de tijd, dat David vluchtte voor zijn zoon Absalom.

Op zijn vlucht vloekt Simei hem en Achitòfel verlaat hem, wil hem in de hand van Absalom overgeven. De dichter verkeert hier in b allings oord. Eertijds ging hij op naar Gods huis, met een stem van vreugdegezangenlof, onder de feesthoudende menigte. Daar is hij nu van verstoken. Het is voor hem, alsof hij verstoten is van de gemeenschap Gods. In Gods huis is toch de plaats van Gods ontmoetingen. David voelt hier ook zijn zonde. Die maakt scheiding tussen de Heere en ons. David mist hier God. Hij heeft met een Zich verbergend God te doen. Nu gaan de vijanden spottend vragen: „Waar is uw God?”

Daar achter zit de duivel. Dit is zo bang als hij de ziel in de zeef schudt, aangaande haar genadestaat of haar geloof wel echt is, of datgeen zij van de Heere geniet, wel van de Heere is? Wat kan het bang zijn, als dat hels gesnater zo door de ziel klinkt.

Nog erger wordt de pijn der ziel als hij haar in haar God aantast: „Waar is uw God?” O, als hij God in een kwaad daglicht stelt overstelpt dit de ziel met rouw. Wat is dit een krenkende vraag voor David, omdat zijn God er bij betrokken wordt. Wat hels, listig weet hij hier de pijl in het hart te treffen. Hij zegt niet: „Waar is God?” doch: „Waar is uw God?” Het tederste van Gods kind treft de vijand. Door genade is er een tedere band desgeloofs en der liefde tussen God en dit volk gelegd. Dit heeft de Heere Zelf gedaan door Zijn genadearbeid des Geestes.

„Uw God!” Dat volk behoort de Heere toe. Die God, Die zij verloren in het paradijs, is ook weer het eigendom van dit volk. God en dat volk bezitten elkander weer. Hij heeft het in Christus reeds uitverkoren. Doch Hij heeft Zich in de tijd in Christus aan hen geopen baard en Zich weggeschonken. Echter, er worden tijden beleefd, dat Hij Zijn vriendelijk aangezicht weer voor hen verbergt. Hun zonden zijn daar dikwijls de oorzaak van. Hij leidt ze ook wel eens in diepe wegen van beproeving in grote teleurstelling, dat het zo anders gaat dan zij gedacht en gehoopt had den. Dit is zo smartelijk voor het vlees. Gods wegen met de Zijnen zijn soms zulke wegen waar zij maar niet uit kunnen komen, die satan gebruikt om te spotten.

Wat bang als de ganse.lag gezegd wordt: „Waar is uw God?” Dit is een aanranden van de trouw en eer Gods. Dat zeggen: „Waar is uw God?” klinkt als een „zeggen des satans” door de ziel. Hij tracht ongoeder tieren gedachten van God te kweken in het hart; hij wil tot diepe machteloosheid brengen. Het is hem te doen tot wanhoop te brengen, al weet hij, dat dit hem niet zal gelukken.

Satanisch klinkt het: „Is dat nu een God, Die gij hebt? Nu het er op aankomt vergeet en verlaat Hij u, laat Hij u alleen tobben en worstelen. Wel, zegen Hem en sterf, zeg Hem de dienst op; is dat nu een liefdevol God? Is dat nu die God, waar gij zo vaak van gezon gen hebt, dat Hij u hulp schenkt en redt keer op keer? Waarvan gij zo vaak getuigd hebt, dat Hij groot van goedertierenheid is? Is dit nu die God, waarvan gij zo hoog hebt op gegeven, dat Hij zo getrouw is als sterken zo sterk als getrouw? Zie je wel, hoe ontrouw Hij is?” Of: „zie je wel, dat Hij u in toorn ver stoot, dat Hij lust heeft in uw verderf? Zie je nu wel, dat Hij u in de steek laat? Als Hij dan getrouw is, is uw werk geen waarheid”. O, dat spottend vragen van de vijand aan de ziel, aangaande haar God, dat, jadatis „har tepijn”. Dat doet nog meer pijn dan dat men de ziel zelf aanrandt.

In vers 11 zegt de dichter dan ook: „Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?”

Het is niet een even vluchtig spotten als in het voorbijgaan. Doch de ganse dag zeggen zij: „Waar is uw God?” Hoe benauwd kan de ziel het hebben onder het voortdurend snateren der hel! Had ze dan dadelijk maar wapenen bij de hand om die spotters te bestrijden! Ja, dat wapen is er wel, nl. Gods Woord. Daar is Jezus dat volk in voorgegaan toen Hij van de duivel verzocht werd in de woestijn. Jezus wees satan af met het woord: „Daar staat geschre ven”. Doch als dat volk in donker zit, in raadselwegen, de hand des geloofs als lam langs het lichaam hangt, kan het dat zwaard niet hanteren. Hier moet de Heere dan Zelf weer de eerste zijn, Die uit Zijn verborgenheid tevoorschijn treedt, met de genade des Geestes invloeit, met de hand des geloofs het wapen weer doet hanteren. Zalig, zo de ziel met die spotvraag tot de Heere mag zuchten. Dat kreeg de dichter hier ook te doen. Hij kwam er mede op de knieën voor de Heere. En al verbergt de Heere Zich dan ook een tijd, zodat het schijnt, dat de spotters vrij spel hebben, het te vergeefs is tot God te roepen. Of God niet meer met ons te doen wil hebben. Hij komt toch weer, neemt het voor Zichzelf, voor Zijn zaak, voor Zijn kind op. Het laatste woord is niet aan satan, maar aan de Heere. De zaak van Gods kind is niet verloren, omdat het Gods zaak is.

Hebt gij kennis aan deze dingen? Is God door genade uw God weer geworden?Doch verkeert gij soms in een zelfde toestand als de dichter? Zijt gij teleurgesteld? Is het donker?Spotten ze: „Waar is uw God?” Moge Hij Zich dan weer openbaren in Hem, Die op Golgotha aan het vloekhout van God verlaten werd. Hoe heeft Jezus daar de spot uit de hel beluisterd. Hoe werd daar Zijn reine Borgziel doorstoken. Dit alles heeft Hij willen lijden om Zijn volk daar eeuwig van te verlossen.

Volk, gij weet toch waar uw God is? Hij is in de hemel, doet al wat Hem behaagt. Eens zal de mond der spotters voor eeuwig gesloten zijn. Satan met zijn aanhang, onder engelen èn mensen, zal eens gesloten worden in de put van des afgronds donkere nacht. Dan zal hij Gods volk nooit meer treffen kunnen. Dan weten zij niet alleen waar hun God is, maar zijn zij eeuwig bij Hem. Dat zal hen goed zijn. Dan eeuwig door Hem vertroost. Dan geen verborgen God meer, maar een Zich eeuwig te genieten gevend God. Zal dat ook uw deel zijn? lezer of lezeres, jong of oud?

Begenadigden, hier is het wel bang onder de spotters. Echter, gij zult straks met Christus over hen triomferen. Doch zo wij zonder gena de leven en sterven, dat zal dan zo bang zijn, als wij onder het spotten van satan in de hel wegzinken, temeer daar wij hier leefden onder het Evangelie. Dan eeuwig van God geschei den, door satan eeuwig gefolterd, liggende onder de toorn Gods. Die rechtvaardige God doet geen onrecht. Er is nu nog een weg der ontkoming. Haast u dan om uws levens wil. Nu is het nog de dag der zaligheid.

Doornspijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.