+ Meer informatie

ENKELE GEDACHTEN RONDOM DE POLITIETAAK

11 minuten leestijd

Politietaak

De politietaak is als volgt omschreven in artikel 28 van de Politiewet:
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeen-stemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven.
Enkele zinsdelen behoeven een korte toelichting.

In ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag: De politie maakt dus niet zelf uit wat haar taak is. Geen baas in eigen huis. De burgemeester is „bevoegd gezag” op het ter-rein van de openbare orde. Voor zijn beleid op dat terrein is hij op grond van de Ge-meentewet verantwoording schuldig aan de gemeenteraad.

Voor de strafrechtelijke taak van de politie (oplossen van strafbare feiten, aanhouden van verdachten enz.) is deze ondergeschikt aan de officier van justitie.

Dit dualisme in gezag over de politie is historisch in ons staatsbestel zo gegroeid, met de goede en minder geslaagde facetten daaraan verbonden. In het kader van dit artikel acht ik een uitweiding daarover niet zinvol.

In overeenstemming met de geldende rechtsregels: De politie als handhaver van wet en orde heeft zieh uiteraard ook zelf aan de wet te houden. Wel geeft de wetgever aan de politie verdergaande bevoegdheden dan aan de burger teneinde de politietaak ten be-hoeve van de burger naar behoren te kunnen vervullen. Daarbij schept de wet tevens waarborgen. Zo heeft de opsporingsambtenaar de bevoegdheid ook tegen de wil van de bewoner diens huis binnen te treden en het grondwettelijke huisrecht dus te doorbre-ken. Echter slechts in de bij de wet bepaalde gevallen en dan nog voorzien van een schriftelijke last tot binnentreden in de woning, afgegeven door een (hulp)officier van justitie. Zo draagt de politie (vuur)wapens en kan zij in bepaalde gevallen een onder-zoek aan het lichaam of de kleding van een verdachte insteilen enz. Kortom, teneinde de politietaak naar behoren te vervullen heeft de politieman of -vrouw extra bevoegd-heden, bij de wet aan hem of haar toegekend. Ergo: in overeenstemming met de geldende rechtsregels.

Daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde: Er worden van de politie dus daden verwacht. Dat kan zijn het opmaken van een proces-verbaal, het aanhouden van een verdachte, een optreden in ME-verband, maar ook een bemiddelingspoging bij een buren-ruzie, een afzetting bij een wielerronde enz.

De rechtsorde omvat zowel de openbare orde (het reilen en Zeilen op straat), als de strafrechtelijke orde (oplossen van inbraken, aangifte mishandeling opnemen, de da-ders van strafbare feiten opsporen en aanhouden enz.).

In dit kader past ook een de laatste jaren steeds actiever vorm van voorkoming van mis-drijven („een zaak van de politie en u”).

Het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven: Hoewel in de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde ook een stuk hulpverlening zit (een redelijk veilig over straat kunnen gaan is ook een vorm van hulpverlening; dat geldt in zekere zin ook voor een opgeloste inbraak), heeft de wetgever de politie uitdrukkelijk en terecht een stuk hulpverlening opgelegd.

Hoewel de politieman geen hulpverlener van professie is, worden hem in zijn opleiding (21 maanden) daarvoor wel de nodige „Instrumenten” aangedragen. In de praktijk van alle dag en door voortgezette vorming en opleiding wordt hieraan meer inhoud gege-ven. De kreet „diender” is dan ook zeker niet (alleen) een scheldnaam. Terecht wordt van de politie ook een dienende taak verwacht. Niet alleen als „dienaar der wet”, maar vooral als dienaar van het publiek. Gelet op de taak van de politie in de maatschappij en het feit dat zij als enige overheidsdienst 24 uur van de dag en zeven dagen van de week voor het publiek direct bereikbaar is, is de hulpverlening vooral toegespitst op de „eerstelijnshulpverlening”, d.w.z. in het bijzonder in acute situaties en op momenten dat andere hulpverleningsinstanties niet bereikbaar zijn. De praktijk leert - afgezien van de grote Steden - dat de algemene hulpverlening meestal slechts direct bereikbaar is tij-dens de kantooruren. In de avond- en nachturen en vooral tijdens de weekenden wordt de acute eerstehulp op dit gebied dan ook veelal verleend door de politie.

Daarbij gaat het om een direct handelend optreden bij huwelijks- en gezinsproblemen, verwaarlozing van mens en dier, drugproblematiek met alle gevolgen van dien, stervens-problemen, minderheden enz.

In vele gemeenten bestaat een goed contact tussen politie en het plaatselijk maatschap-pelijk werk met respectering van ieders bijzondere taak op dit gemeenschappelijke ter-rein. Veel Problemen komen na een „eerstehulp” van de politie, met instemming van de betrokkene(n) en via de politie voor verdere begeleiding bij het maatschappelijk werk terecht.

Signierende taak

Onder de hulpverlenende taak van de politie valt in zekere zin ook te rekenen een sig-nalerende taak naar de overheid. De maatschappij is niet statisch. Ontwikkelingen gaan sneller dan aanpassing van wetten. Met zaken als kraken van woningen, drugproblematiek, minderheden, maatschappelijke ongehoorzaamheid, de kleine criminaliteit enz. wordt de politie in een aanvangsstadium geconfronteerd, nog voordat van overheidswege een beleid is (of kan worden) ontwikkeld. De politie dient deze Signalen uit de maatschappij op te vangen, daarop in eerste instantie - door het onverwachte daartoe gedwongen - zelf een voorlopig antwoord te geven (achteraf kan dat wel eens een ver-keerd antwoord blijken te zijn of een antwoord dat door de politiek niet wordt onder-schreven) en vervolgens dit „signaal” door te geven aan het bestuur.

Organisatie van de politie

De Nederlandse politie bestaat uit rond 30.000 mannen en vrouwen; gemiddeld één politieambtenaar op de 460 inwoners. Daarvan zijn rond 23.000 man gemeentepolitie, die in 150 zelfstandige politiekorpsen dienst doen in de grotere gemeenten. Voorts is er een 7.000 man rijkspolitie in de kleinere gemeenten. Zowel voor rijks- als gemeentepolitie geldt een zelfde taakstelling.

In grote lijnen is een gemeentelijk politiekorps opgebouwd uit een aantal diensten, te weten de geüniformeerde dienst (surveillance, assistentieverlening, verkeerstoezicht, bestrijding kleine criminaliteit e.d.), de justitiele dienst (de recherche en de recherche-technische dienst voor sporenonderzoek, vingerafdrukken, fotografie e.d.), de vreem-delingendienst (het vreemdelingentoezicht) en de administratieve dienst. Dit geheel Staat onder leiding van de korpschef, die ondergeschikt is aan de burgemeester en de officier van justitie.

Hoewel de rijkspolitie als grote landelijke dienst iets anders is opgezet, is het principe van de organisatie gelijk aan dat van de gemeentepolitie.

Politiewerk is maatschappijgericht

De politie Staat als overheidsdienst midden in de maatschappij en is - soms zeer inten-sief - betrokken bij het leven van alle dag met zijn goede, humoristische en soms in-trieste kanten. De individuele politieambtenaar komt door zijn werk bij voortduring en vaak op heel indringende wijze in contact met zijn medemens, die hij tevoren lang niet altijd kende, soms echter juist maar al te goed kent. Politiewerk vraagt van de man of vrouw die dat uitoefent, een zekere mate van (geestelijke) souplesse, vermogen tot relativeren en afstandnemen. Immers je kunt niet de last van de hele wereld op je schou-ders dragen.

Drugproblematiek

Ik meen dat het in het kader van dit artikel en gelet op de maatschappijgerichte en sig-nalerende taak van de politie past om met een enkel woord ook aandacht te schenken aan de drugproblematiek.

Ongetwijfeld is hier sprake van een zeer ernstig maatschappelijk probleem dat heel direct ook onze volksgezondheid raakt. Een probleem waarvoor wij anno 1984 nog zelfs geen begin van een oplossing hebben gevonden. Voorts een zaak die in alle kringen voorkomt en als een olievlek zieh uitbreidt. Flinke jongens en meisjes, soms al van een jaar of veertien of nog jonger, vervallen in korte tijd tot wrakken die hun dagelijkse dosis niet meer kunnen missen en, als het moet, daarvoor letterlijk een moord doen of zieh doodspuiten. Hun leven wordt alleen nog beheerst door de gedachte aan hun dagelijkse shot, die voor een behoorlijk verslaafde al gauw f. 150,- tot f. 200,- per dag kost. Daar de zwaarverslaafde vrijwel zonder uitzondering of daardoor werkeloos is geworden of - werkeloos zijnde - verslaafd is geworden, en de bijstandsuitkering e.d. uiteraard onvoldoende is om drugs te kopen, vervalt hij „automatisch” tot diefstallen, berovingen enz. Een eenvoudige rekensom leert voor hoeveel een verslaafde moet „bij-verdienen op illegale wijze” om zijn drugs dagelijks te kunnen kopen. Dat is voor hem een eerste levensbehoefte geworden. En ook overigens moet hij nog in leven kunnen blijven. De randcriminaliteit om de verslaafden is dan ook groot, zeker omdat gestolen spullen nog maar een fractie van hun waarde opbrengen.

Het is voor de jongelui zelf één doffe eilende. Zij kunnen niet meer normaal denken, hebben geen eigen wil meer, vertonen na een dag onthouding al de eerste ontwennings-verschijnselen, zitten dan te rillen op hun stoel, vallen ter plaatse in slaap en zijn niet meer aanspreekbaar. Als ze op een goed moment al willen afkicken (in de cel komt men nog wel eens tot nadenken; de rechercheurs trachten daarin ook een stuk sociaal werk te doen) ontbreekt het vaak aan deskundige hulp (de hulpverlening op dit gebied kan de grote vraag niet aan) en vrijwel steeds aan de wil om door te zetten. Het blijkt dat de lichamelijke afhankelijkheid na een dag of veertien wel over is. In die tijd zijn de jongelui wel doodziek. De geestelijke afhankelijkheid kan echter jaren duren. De kans op succes is dan ook uitermate klein, te meer daar de verleiding na enige tijd (toch geen werk, het wil thuis niet, weer in contact met siechte vrienden e.d.) meestal te groot blijkt.

Voorts is het voor de directe omgeving van de verslaafde een probleem van de eerste orde. Als een kind uit een gezin verslaafd raakt, komt hierdoor het hele gezin in de Problemen. Immers naast de zorg voor en om dat ene kind, is er de zorg voor het overige gezin. Vele ouders zien zieh op de duur dan ook genoodzaakt ter wille van het gezin dat verslaafde kind los te laten. Een zaak waarover men zieh niet lichtvaardig een oordeel mag aanmeten.

De drugproblematiek is een diep tragische zaak van onnoemlijk menselijk leed en een groot maatschappelijk kwaad. Een probleem waarvoor wij helaas nog zelfs geen begin van een oplossing hebben weten te vinden. Ik pretendeer ook zeker niet dat ik die wel zou weten. Wel meen ik dat:

- voortgaan op de huidige weg alleen tot erger leidt, zoals de praktijk ook uitwijst;

- de deskundige en enthousiaste begeleiding door allerlei instellingen op het gebied van drugsbestrijding relatief gezien nauwelijks enig succes heeft; vrijwillig afkicken mag ideaai gezien de beste weg lijken, de praktijk bewijst het tegendeel; de verslaaf-de heeft geen eigen wil meer op dit gebied;

- gratis verstrekken van drugs principieel onjuist is en immoreel; dat is ook het hoofd in de schoot leggen; tevens stellen wij daarbij het overgrote deel van onze jeugd die gelukkig niet verslaafd is, aan extra risico’s bloot;

- de softdrugs (hash e.d.) in dezen een even groot kwaad zijn als de harddrugs (he-roihe, cocaine e.d.); weliswaar schijnt de vorm van verslaving minder te zijn, maar ik ken geen hard-drugverslaafde die niet eerst begon met softdrugs; het is de weg van het hellende vlak; van het één komt het ander;

- de tijd gekomen is ons nader te bezinnen op de vraag of een verplichte vorm van afkicken toch niet noodzakelijk is geworden; ik ben mij ervan bewust dat uitvoering daarvan ook gigantische Problemen oproept; doorgaan op de huidige weg doet dat echter net zo goed en leidt tot niets, zo is wel gebleken;

- het kwaad in de wortel moet worden aangepakt; de handelaar is in dezen de meest immorele figuur die van andermans eilende (de verslaving) misbruik maakt en zieh daardoor verrijkt; zeker voor de handelaar geldt dan ook naar mijn stellige overtui-ging maar één oplossing: de harde aanpak; daarbij mogen kosten noch moeite worden gespaard voor onderzoek, opsporing, aanhouding en straf.

Ik heb de indruk dat velen denken dat drugverslaving tot nu toe meer een algemeen maatschappelijk probleem is gebleven dat aan het kerkelijk erf ietwat zou zijn voorbij-gegaan. Op zieh niet geheel onbegrijpelijk, omdat deze problematiek zieh in kerkelijke kring (tot nu toe gelukkig) minder manifesteert. Toch bedreigt het ook zeker onze kerkelijke jeugd. Voorts meen ik dat ook de niet-kerkelijke jongere onze naaste is. Uiteraard is de drugproblematiek in eerste instantie geen speeifiek politie-probleem. Toch tracht ik op geschikte momenten en plaatsen vooral op hen die hiermee wellicht (nog) niet zoveel van doen hadden, de ernst van de zaak en de gevolgen over te brengen. Om die reden meen ik dan ook mijn bijdrage aan uw blad hiermee te moeten besluiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.