+ Meer informatie

Ara Haguir wil terug naar zijn dorp

8 minuten leestijd

De oorlog om de Armeense enclave Nagorno Karabach is voorbij, het vluchtelingenleed echter nog niet. De 21-jarige Ara Haguir woont samen met zijn broer en moeder in vluchtelingenkamp Barda. Ze moesten vluchten voor de Armeniërs. Elke dag spreken ze over hun hoop op terugkeer naar hun eigen dorp.

De oorlog om de Armeense enclave Nagorno Karabach (1988-1994) in het zuiden van de Kaukasus in de voormalige Sowjet-Unie heeft jarenlang in het centrum van het nieuws gestaan. Miljoenen mensen sloegen op de vlucht. Armeniërs moesten Azerbeidzjan verlaten en Azeri's werden uit hun omgeving verdreven. Aan beide kanten zijn misdaden begaan. De Armeniërs hebben de Azeri's uit de plaatsen Lashin en Shoesha, in de corridor die Nagorno Karabach van Armenië scheidt, verdreven. De Azeri's spreken van slachtingen, maar de Armeniërs ontkennen dat. Er wordt nu niet langer meer gevochten, maar het leed van de vluchtelingen is gebleven.

Meestal trekken vluchtelingen naar de grote steden, in de hoop daar werk te vinden. Maar in de omgeving van de hoofdstad Bakoe is geen kamp te vinden. De kampen worden op grote afstand van de hoofdstad gehouden, waar ze veel meer begaan zijn met de ontwikkeling van de olie-industrie. Vluchtelingen moeten vooral niet te dicht bij komen. Maar als het onderwerp Armenië ter sprake komt, zijn ze een welkom wapen in de politieke strijd. De over het aantal Azj gen variëren van derdduizenden to een miljoen, in n derd kampen, die kele tientallen ki wapenstilstandsgrens met de Armeniërs van Nagorno Karabach liggen.

Islam
De vluchtelingen moeten niet op veel hulp vanuit het regeringscentrum in Bakoe rekenen. Het zijn vooral islamitische hulporganisaties uit andere landen die zich om hun lot bekommeren. Organisaties uit Iran doen dit om de islam te verbreiden in een land waar deze religie na 70 jaar communisme weinig meer is dan een naam. Andere Islamitische organisaties helpen echter uit oprecht medeleven met hun medemens. In kampen zoals Barda zien moslimvrijwiUigers uit een groot aantal landen wat christenen moslims hebben aangedaan. Vrijwilligers die dit leed hebben gezien en de verhalen hebben aangehoord, komen dan niet met positieve berichten over christenen terug. Dat heeft dan weer z'n weerslag op de houding van moslims in andere delen van de wereld tegenover christenen.

Ara Haguir
In het vluchtelingenkamp Barda, dat op de weg van Bakoe naar Tiflis (de hoofdstad van Georgië) ligt, is de Islamitische Hulporganisatie uit Saoedi-Arabië actief. Ik sprak daar met Ara Haguir (21), die me meenam naar de hut waar hij met zijn broer en moeder woont.

Wie is verantwoordelijk voor dit kamp?
„De staat en de Islamitische Hulporganisatie. Die organisatie is nu zon drie jaar in dit kamp en enkele andere kampen in de omgeving actief Ze heeft Jordaniërs en Palestij nen gestuurd om ons te helpen." 

Hoe praat u met hen? De Azeri's spreken Russich en een taal die op het Turks lijkt, terwijl de hulpverleners Arabisch spreken.
 „Het is moeilijk te praten. Somm ners van de Islam organisatie hebbe: malige Sowjet Ui en spreken dus Ri hebben mensen ook aangemoedigd om Arabisch te leren. Ik heb die taal in drie jaar geleerd en werk nu voor hen als vertaler."

Vaak worden lessen in de Arabische taal gekoppeld aan lessen over de islam. Was dat ook bij u?
„We hebben hier geen georganiseerd religieus onderwijs. De Islamitische Hulporganisatie organiseert gebedsbijeenkomsten op vrijdagen maar verder is er niets. Ik wil zelf wel graag meer van de islam weten. M'n ouders hebben me daar nooit iets over verteld. Ik praat erover met de hulpverleners en ik zou graag aan de Azhar-Universiteit in Egypte (de beroemdste instelling voor islamitisch onderwijs) studeren."

Hoeveel mensen wonen hier nu eigenlijk? Waar komen de vluchtelingen in dit kamp vandaan en komen er nog nieuwe mensen hij?
„Er zijn nu zo'n 750 families in Barda ofwel ongeveer 3600 mensen. Een derde van deze families is na de massamoord door Armeniërs op de (Azeri-)bevolking van Lashin (1993) gevlucht. Andere mensen komen uit Shoesha en uit dorpen uit Nagorno Karabach. Weer anderen, zoals wij, komen uit de omgeving van Agdam, een stad in Azerbeidzjan die de Armeniërs een paar jaar geleden, na de slag van Mahredi, hebben ingenomen."

Waar woon je?
„Kom maar mee naar ons huis. Ik woon daar samen met mijn broer Siyarosh (23) en mijn moeder."

Geen wodka
We lopen door de hoofdstraat van het kamp naar Ara's woning. Mensen zijn nieuwsgierig en volgen ons. Ze zien zelden buitenlanders. Kinderen spelen op straat met wat ze op straat kunnen vinden. Enkele tieners zijn erin geslaagd om een bromfiets te krijgen. Anderen proberen wat zelfgemaakte levensmiddelen te verkopen. Maar de goedkope Russische wodka die overal in Azerbeidzjan verkrijgbaar is, is hier opvallend afwezig. Mensen zijn dik gekleed. De temperatuur ligt rond het vriespunt. Over enkele weken zal het nog kouder zijn. De woningen bestaan vooral uit hout. Mensen zijn in staat geweest om tijdens de vlucht vaak nog wat huisraad en kleding mee te nemen. In de meeste woningen staat een kachel, waarin hout en alles wat brandbaar is wordt verstookt. In Ara's woning is dat niet anders.

Wanneer zijn jullie naar dit kamp gekomen en waarom zijn jullie gevlucht?
„We zijn hier drie jaar geleden gekomen. Het was oorlog in Nagorno Karabach en we hoorden dat de Armeniërs naar Akhdam kwamen. We zijn toen gevlucht."

Ze hebben jullie niet verdreven?
„Nee, we zijn ontsnapt"

Ontsnapt? Wat is er dan gebeurd?
„De Armeniërs kwamen en we wisten dat ze sterk waren en door de Russen werden gesteund. Azerbeidzjan is 70 jaar door de Sowjet-Unie bezet geweest. We waren daarom zwak. Ons leger kon zich niet verdedigen. Toen ons leger zich terugtrok, zijn we meegegaan. We hoorden dat de Armeniërs verschrikkelijk tekeergingen tegen Azeri's die achterbleven. Dat wilden we niet meemaken."

Wonen er nog Azeri's in Akhdam?
„De stad is nu bezet en er wonen geen Azeri's meer. De Armeniërs hebben de Azeri's die ze hebben aangetroffen gevangengezet."

Wat hebben de Armeniërs gedaan toen ze Akhdam veroverden? Zijn er misdaden gepleegd?
„Toen het Armeense leger Karabach bezette, begonnen de Azeri's hun leger te helpen. Diegenen die het leger konden helpen bleven en diegenen die dat niet konden trokken weg." Siyarosh vult z'n broer dan aan: „Ik heb met ons leger meegevochten. We vochten vooral ook tegen de Russen die met het Armeense leger meekwamen. De Russen beweerden dat ze de Armeniërs niet hielpen maar we hebben sommige tanks verwoest die in Rusland waren gemaakt en die door Russen werden bemand. Dat zagen we aan de papieren die we op de lichamen vonden."

Hebben de Armeniërs gemarteld?
„Ja, gevangenen kregen geen voedsel, ze werden geslagen. Sommigen konden niet meer lopen. Er zijn mensen uit Shoesha en Lashin in ons kamp die door Armeniërs gemarteld zijn.

Wat voor hulp ontvangen jullie? Wat eten en drinken jullie? Hoe ziet jullie dagelijks leven eruit? Zijn er scholen?
„Alles wat we hier krijgen, komt van de Islamitische Hulporganisatie. Iedereen krijgt twee broden per dag. We hebben hier een bakker die van de organisatie bloem krijgt. De Islamitische Hulporganisatie verdeelt die broden onder de bewoners. We krijgen geen vlees maar wel boter, rijst, suiker, olie, thee en soep. We hebben voor de winter zware winterkleding gekregen. De Islamitische Hulporganisatie geeft geen geld, alleen maar hulpgoederen. Als er iemand echt geld nodig heeft, kan die naar de leiding van de Islamitische Hulporganisatie gaan, die de aanvragen van geval tot geval bekijkt. Sommige mensen hebben werk gevonden. We hebben een werkplaats waar kleding wordt gemaakt, er is een bakkerij en een timmerwerkplaats. Ook zijn er artsen. Sommigen hebben in el-Barda, een plaats buiten het kamp, werk gevonden. Weer anderen verbouwen aardappels en tomaten op kleine stukjes land rond het kamp, maar voor veel mensen is er geen werk."

Waar leefden jullie van voordat jullie moesten vluchten?
„Ik kom uit Alaghala, een dorp van zo'n 3000 inwoners dat in de bergen zo'n 30 kilometers van Akhdam ligt. Er woonden ook veel Armeniërs in de omgeving. Ik denk dat ongeveer 60 procent van de bevolking Azeri was en 40 procent Armeens. Ik ging tot de Armeniërs kwamen naar de middelbare school. M'n grootvader was timmerman, m'n vader bewerkte daarnaast wat land en we hadden ook dieren: geiten en koeien. We moesten per voet vluchten en hebben 70 km moeten lopen voordat we in dit kamp kwamen. We hebben daar acht dagen over gedaan. We hebben een paar dieren en wat huisraad kunnen meenemen, maar het meeste is achtergebleven."

Hoop je nog weer naar je dorp terug te keren?
„Elke dag praten we over de hoop om weer terug te gaan. We willen niet in dit kamp blijven. We willen tegen elke prijs teruggaan, of dat nu door oorlog is of door een politieke overeenkomst. Dat is Allah's wil"

Spreek je ook Armeens? Hoe waren jouw contacten met Armeniers voor de oorlog?
„Ik ken geen Armeens maar er waren mensen in ons dorp die die taal wel spraken. We leefden in het verleden in vrede naast elkaar. We hebben geen problemen met de Armeniërs maar met de Russen. Die hebben ons dit aangedaan."

Zonen van het land
Dan komt Aram Ara, 98 jaar oud, binnen. „Ik heb in de Eerste Wereldoorlog tegen de Duitsers en de Armeniërs gevochten. In 1918 wilden de Armeniërs in Karabach de Azeri's aanvallen, maar we konden ons verdedigen dankzij de hulp van het Turkse leger. In de Tweede Wereldoorlog heb ik in de slag van Stalingrad gevochten. Ik geloof dat we ondanks alles met de Armeniërs kunnen praten want zij zijn zonen van het land. Maar met de Russen valt niet te praten."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.