+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste jongelui!

We hebben de vorige keer geschreven over de wedergeboorte. Dat is die wondere daad Gods, waardoor de mens van dood levend geworden is. Zo zou je het ook kunnen noemen. Want wedergeboren worden dat is van dood levend gemaakt worden. De belijdenis, zie de 5 art. tegen de rem., hfdst. 3 en 4 art. 12, noemt het „een nieuwe schepping, een vernieuwing, opwekking uit de doden, levendmaking, waarvan zo heerlijk in de Schrift gesproken wordt, die God zonder ons, in ons werkt”. Ik heb jullie al eens eerder op die passage gewezen. Kijkt het nog maar eens na. Ik noem deze verschillende benamingen voor één en dezelfde zaak, opdat jullie zouden weten als deze benamingen gebruikt worden, waar het over gaat.

Wanneer dus de mens wedergeboren wordt, van dood levend gemaakt wordt, dan kan dit niet verborgen blijven. Dit is, dacht ik, zonder meer wel duidelijk. O zeker, het komt bij de één duidelijker tot openbaring dan bij de ander. Wanneer b.v. iemand, die altijd midden in de wereld geleefd heeft en de zonden ingedronken heeft als water, dit Godswonder in zijn leven mag ervaren, dan zal dit duidelijker te zien zijn dan wanneer dit iemand overkomt, die altijd keurig in de lijn geleefd heeft. Als men nooit in de bioskoop geweest is, dan behoeft men daar ook niet uitgehaald te worden. Dat kan eenvoudig niet. Maar dit wil ook weer niet zeggen, dat als iemand altijd keurig en netjes geleefd heeft, hij dan als een „nettere zondaar” bekeerd wordt, dan degene, die het er in het openbaar zo slecht heeft afgebracht. Want als men als een z.g.n. nette jongen of meisje bekeerd wordt, wederomgeboren wordt, dan komt men er toch achter, dat hetgeen de één heeft „uitgeleefd”, door de ander wordt „ingeleefd”. M.a.w. een nette jongen of meisje moet evenzeer als een vijand met God verzoend worden als een openbare zondaar. Ten deze komt men er achter, dat er echt geen onderscheid is. Dat men van huis uit allemaal van hetzelfde maaksel is.

Een wedergeborene komt dus in de vruchten openbaar. Vroeger sprak men nog wel eens van een „sluimerende wedergeboorte”. Ja, dat woord hebben jullie misschien nog nooit gehoord. Maar het is indertijd door Dr. A. Kuyper ingevoerd. Hij bedoelde er dit mee, dat een mens wederom geboren kan zijn, zonder dat dit tot openbaring komt. Men verkeert dan in een „slapende toestand”. Het is dan net eender als met iemand die slaapt. Die verkeert in rust. Hij doet niets, ontwikkelt geen enkele aktie. Je merkt het helemaal niet dat hij leeft. En toch leeft hij. En zo kon men dan wel jaren slapen. Maar jullie begrijpen, dat, als iemand jaren slaapt, hij zich dan wel doodslaapt. Zo als dit in het natuurlijke onmogelijk is, dat iemand jaren slaapt en toch leeft, zo is dit ook geestelijk onmogelijk. Als iemand werkelijk tot een nieuw leven is gebracht, dan komt dit ook in het leven openbaar. Dit kan geen jaren meer verborgen blijven. De boom wordt uiteindelijk toch aan zijn vrucht gekend. Verschillende vruchten van de wedergeboorte hebben we jullie reeds genoemd. Zie het vorige artikel er nog maar eens op na. Die vruchten zouden natuurlijk ook nog weer anders omschreven kunnen worden. Alle goede godgeleerden drukken zich ook omtrent deze dingen niet op dezelfde wijze uit.

Je zou b.v. ook kunnen spreken over „een droefheid naar God”. Dat is een droefheid overeenkomstig de wil van God. Dat is een hartelijke droefheid, of een droefheid des harten. Die moet wel onderscheiden worden van een „droefheid der wereld”. Want die is er ook. Dat is een droefheid zoals onbekeerde mensen ook wel kennen. Zij zijn dan bedroefd, meer over de gevolgen van de zonde dan dat ze het over de zonde zelf zijn. Wie „een droefheid naar God” heeft, die wordt bedroefd over de zonde zelf. Hij leert ze zien als Godonterend. Hij heeft er de allerhoogste majesteit Gods door beledigd. Hij heeft God aangetast in al Zijn heilige en heerlijke deugden. N.l. die God, Die het allerhoogste en eeuwige Goed is, en Die alleen maar waard is geëerd en gediend en gevreesd te worden. Deze is door de zonde beledigd, op het hart getrapt door de zondaar. En daar wordt dan pijn over in de ziel gevoeld, dat is van binnen in het gemoed. Zulk een „droefheid naar God” werkt dan ook een „onberouwelijke bekering tot zaligheid”. D.w.z. degenen, die werkelijk over de zonden droefheid hebben leren kennen, die kunnen in de zonden hun vermaak niet meer vinden. Zij gaan de zonden verachten in het diepst van hun hart. En als zij in zonden vallen, iedere keer weer — vanwege de zwakheid van het zondige vlees — dan zijn ze net als kleine kinderen, die gevallen zijn. Jullie weten dat wel hoe dat gaat. Kleine kinderen, als ze leren lopen, vallen nogal eens. Maar dit heeft dan meestal een huilbui tot gevolg. Het doet pijn. Zo is het ook geestelijk. Wanneer diegenen, die door de Geest wederom geboren zijn, vallen, terwijl zij het pad van Gods geboden zoeken te bewandelen, dan geeft dit vernieuwde smart in het hart. Het zijn dan echt geen zaken om over te „lachen”. Het zijn dan voor die „kleine kinderen” ook geen vergeeflijke fouten. Zo redeneert wel een uiterlijk vroom kerkmens. Die zegt: Kom kom, je kunt overal geen honderd pond aanhangen hoor. Zo erg is dat niet. Ben je mal. Zoiets komt dagelijks voor. Zoiets doet iedereen wel eens. Ik zou mij daar maar geen zorg over maken. En zo tracht men dan die kleinen op „droggronden” gerust te stellen. Maar als er echt „leven” aanwezig is, dan laat men zich met dergelijke redeneringen niet gerust stellen. Maar de z.g.n. kleine zonden worden dan ook als groot gezien. En men gaat ze zichzelf ook niet vergeven, zoals dat ook zo menigmaal gebeurt, maar men gaat er zichzelf over aanklagen bij God en men smeekt Hem vergeving af. Want God, tegen Wie de zonden bedreven zijn, moet ze uiteindelijk Zelf vergeven. Daar wordt dan ook om gebeden. Al de gebeden van de bijbelheiligen worden dan overgenomen. Men doet dit niet om hen „na” te bidden, „na te praten”, zonder meer. O zeker, dat is er ook veel. Napraterij. Dat kan geweldig klinken. Maar als het hart er niet in gemengd is, als de woorden van David en Asaf en Petrus en Paulus maar loze klanken zijn, dan kan men daar natuurlijk de Heere niet mee behagen. Want de Heere ziet het hart aan, en Hij vraagt naar waarheid in het binnenste. Doch diegenen, waar „echt leven aan de ziel” verheerlijkt is, gaan dezelfde gebeden van de bijbelheiligen bidden, omdat ze door dezelfde Geest worden geleid.

Dit kunnen jullie wel begrijpen, want zo gaat het in zeker opzicht in het natuurlijke ook. Wanneer één bepaalde leraar honderd leerlingen op onderscheiden tijden en plaatsen onderwijs geeft, dan zullen al die leerlingen toch in meer of mindere mate, al kennen zij elkaar misschien helemaal niet, er blijk van geven dat ze leerlingen zijn geweest van die ene leraar.

De Heilige Geest nu is de Leraar in het hart van al Gods kinderen. Het is de Heilige Geest, Die alle dingen leert, Die in al de waarheid leidt. Hij heeft, om het zo eens te zeggen, Adam en Eva onderwezen in de dingen, die ter zaligheid nodig zijn. Maar David en Jesaja ook. En Thomas en Jakobus hebben geen andere Leraar gehad. En zo worden vandaag de kinderen Gods nog door dezelfde Geest onderwezen. Het is daarom waar, dat een mens nu nog precies eender bekeerd wordt als 1000 jaar geleden, al zijn dan de tijden en omstandigheden anders.

Als ze je dus willen vertellen dat het vandaag „anders” gaat dan vroeger, laat je niet van de wijs brengen, want het is bedrog.

Gods kinderen zijn daarom in zekere zin ook familie van elkaar. Zij zijn allen door één Geest onderwezen, en spreken daarom ook één taal. Zodoende krijgt men ook verwantschap aan de bijbelheiligen, dat zijn Gods kinderen, die in de Bijbel worden genoemd. Men krijgt ook een levensband aan al de heiligen, al zal de band aan de één dan weer sterker zijn dan aan de ander. Dat hangt weer samen met aard, aanleg en karakter. Zo houdt de één b.v. veel van Jakob en de ander van David en een derde kan het zo goed met Petrus vinden en een vierde kan Thomas zo goed begrijpen. En ga zo maar door. Misschien zegt wel iemand van jullie: Ik houd van hen allemaal, ondanks al hun zonden en gebreken. Ik gevoel mij één met hen, al durf ik mij met hen niet te vergelijken.

Nu, beste vriend of vriendin, dat kan ik verstaan. Ik zelf houd b.v. heel veel van Jakob. Dat was zo’n albederver. Maar de Heere maakte het iedere keer weer wonderlijk goed met hem. Hij is daarom een toonbeeld van genade in het Woord van God.

Laat ik voor ditmaal eindigen met te zeggen:


Zalig hij, die in dit leven;
Jakobs God ter hulpe heeft.
Hij, die door de nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft.
Die zijn hoop in ’t hach’lijkst lot.
Vestigt op de Heer’, zijn God.


Met hartelijke groeten en tot de volgende keer. Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.