+ Meer informatie

BESCHIKBAARHEID VOOR HET KONINKRIJK VAN GOD IN RELATIE TOT EEN MAATSCHAPPELIJKE CARRIÈRE

9 minuten leestijd

Ouderling X heeft een hoge positie in een financiële instelling. Momenteel staat een reorganisatie binnen deze onderneming op stapel. In zijn district moet hij leiding geven aan dat proces: met ‘poppetjes’ schuiven en mensen aanzeggen dat zij naar een andere functie moeten uitzien. Vanwege deze opdracht vraagt hij ontheffing uit het ambt van ouderling.

Y heeft een gezin met opgroeiende kinderen en volgt voor zijn werk een cursus die veel tijd en aandacht vraagt. Als hij verder wil groeien in het bedrijf, kan hij deze scholing niet missen. Y wordt na zijn talstelling verkozen in het ambt van diaken en staat voor een moeilijke afweging.

De problemen zijn herkenbaar. Kerkenraden kampen met de moeite van de vervulling van vacatures voor het ambt van ouderling en diaken als gevolg van verplichtingen die kandidaat-ambtsdragers zijn aangegaan in hun werkkring. De vraag is hoe wij deze dingen moeten waarderen. Is het dagelijks werk ondergeschikt aan de roeping tot het ambt of mag zonder bezwaard geweten van deze roeping worden afgezien in verband met het dagelijks werk en de daaraan verbonden studie? Wat is de relatie tussen een maatschappelijke carrière en beschikbaarheid voor het Koninkrijk van God?

Volledig beschikbaar

Op zichzelf is er geen tegenstelling tussen een maatschappelijke carrière en de beschikbaarheid voor het Koninkrijk van God. Jezus roept ons niet allereerst in het ambt, maar tot navolging. Deze mag niet alleen in de kerk, maar ook in het dagelijks leven en een carrière gestalte krijgen. Wie door Jezus is geroepen en Hem volgt, is daarmee volledig, altijd en overal beschikbaar voor zijn Koninkrijk. Daarover mag geen misverstand bestaan. Dat mag ook in de uitoefening van het dagelijks werk blijken.

Van concurrentieverhouding tussen de dienst in het Koninkrijk van God en de dagelijkse arbeid is in beginsel geen sprake. Als wij werken in dienst van het Koninkrijk komt dat niet in mindering op de dienst in het dagelijks leven, en als wij bezig zijn in een carrière komt dat niet in mindering op onze dienst aan God. De beschikbaarheid voor zijn Koninkrijk is niet beperkt tot beschikbaarheid voor kerkelijk werk, maar krijgt ook gestalte in ons dagelijks werk. Wie Jezus volgt en staat in zijn dagelijkse arbeid is niet minder dienstbaar in het Rijk van God dan een predikant die door de week preken maakt.

God en de naaste

De beschikbaarheid voor God en zijn Rijk kan worden samengevat in twee zaken: dienst aan God en dienst aan de naaste. Als ouderling X aannemelijk kan maken dat zijn keuze voor een nieuwe functie binnnen de onderneming dienstbaar is aan God en de naaste, is hij daarmee beschikbaar voor het Koninkrijk van God. Promotie in het bedrijfsleven en een daaraan gekoppeld hoger inkomen zijn op zichzelf niet in tegenspraak met een leven in navolging.

Op welke wijze mogen wij in een maatschappelijke carrière vorm geven aan onze dienst in het Koninkrijk van God? Er zijn functies in de maatschappij die direct of indirect verband houden met de doorwerking van het Koninkrijk van God in de samenleving. Als voorbeeld kan worden gewezen op een politieke functie. Is het niet van evident belang dat de wet van het Rijk van God in het politieke leven wordt gehoord en dat er op sleutelposities mensen werkzaam zijn die naar deze wet luisteren? Een ander voorbeeld is een functie in het onderwijs. Onderwijs en opvoeding staan direct in verband met dienst in het Koninkrijk van God. Aan de komende generatie mogen de grote daden van God worden verkondigd.

Er zijn ook functies in het maatschappij waarbij het verband met de doorwerking van het Koninkrijk van God in de samenleving moeilijker gelegd kan worden. Staat de bedrijfsvoering van een financiële instelling in onze westerse samenleving die in het kapitalisme is gedrenkt, dikwijls niet haaks op het woord van God over liefde voor de behoeftige naaste en zorg voor de schepping? Vaak is er nauwelijks een verband aanwijsbaar tussen een maatschappelijke carrière en dienst aan zijn Koninkrijk. Toch blijft ook dan het woord van Jezus waar dat wij overal waar wij werkzaam zijn, geroepen zijn tot navolging. Beslissend is altijd de vraag naar de wil van God in deze dingen. Dat is kenmerkend voor het leven van een christen. Hij toetst en onderzoekt waaraan God vreugde beleeft en zoekt naar zijn wil en gebod.

Het enige motief voor de ontwikkeling naar een hogere maatschappelijke functie is dienst aan God en de naaste. Daaraan zijn persoonlijke arbeidsvreugde, het verlangen naar een hoger inkomen of het streven naar een groter aanzien ondergeschikt. Beslissend in de keuze moet altijd zijn de dienst aan God en de naaste. Wie aannemelijk kan maken dat een hogere positie in de maatschappelijke carrière de dienst in het koninkrijk van God ten goede komt, behoeft zich niet bezwaard te voelen bij de vraag om ontheffing uit het ambt. Anders ligt het bij hen die hun eigen belang vooropstellen. Zij hebben voor het aangezicht van God met hun beslissing geen rust.

Gevaren van de carrière

Wel moeten in dit verband worden gewaarschuwd tegen gevaren die een maatschappelijke carrière met zich meebrengt. Wie zich ontwikkelt in een maatschappelijke carrière staat bloot aan twee verzoekingen. De eerste verzoeking komt van de zijde van de roem. Wie behagen schept in het ontvangen van roem van mensen, graag geëerd wil worden om zijn prestaties, heeft zijn loon reeds. Hij mag in het leven dat komt geen loon meer verwachten. Jezus leert ons dat wij in het dagelijks leven niet meer zijn dan dienaren van God.

Een tweede verzoeking komt van de kant van de rijkdom. Vaak brengt een voortgang in de carrière een hoger inkomen met zich mee. Dat is niet zonder gevaar. Jezus spreekt over de dorens en distels van het bedrog van de rijkdom (Mat. 13, 22), waardoor het woord (van het evangelie) verstikt. Het gevaar ligt op de loer dat wij de heer van het geld gaan dienen, een zaak die in het licht van het evangelie onbestaanbaar is (Luc. 16,13). Daarbij moeten wij bedenken dat het voor rijke mensen moeilijk is het Koninkrijk van God binnen te komen (Mar. 10, 23–27). Bij toename van bezit en rijkdom is afstand daarvan onontbeerlijk, leder die de naam van Jezus belijdt en in zijn denken, voelen en streven gehecht is aan zijn maatschappelijke positie, moet het woord van Jezus horen: Eén ding hebt u nog niet gedaan: ga naar huis en verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg Mij (Mar. 10, 21). Bij de afweging met betrekking tot een maatschappelijke carrière moet altijd het woord van Jezus in gedachte worden gehouden.

Een teken voor ons is het handelen van de discipelen, die hun boten en netten achterlieten en Jezus volgden (Mar. 1, 16–20). Toen Hij hen eropuit zond om het evangelie te verkondigen, mochten zij slechts een reisstaf meenemen: geen brood, geen tas, geen beurs met geld; wel moesten zij sandalen aan hun voeten doen (Mar. 6, 7–8). In het licht van het komende Rijk van God is een maatschappelijke carrière betrekkelijk, want de wereld in zijn huidige vorm is aan het voorbijgaan (1 Kor. 7, 31). God vraagt niet dat wij een maatschappelijke carrière opgeven. Wel gebiedt Hij dat wij datgene loslaten waar wij ons hart op hebben gezet en de dienst aan zijn Rijk belemmert. Een maatschappelijke carrière is geen doel in zichzelf, maar moet dienstbaar zijn aan zijn Naam en het welzijn van de nabije en verrre naaste.

Carrière en ambt

Reeds is gezegd dat wij in een maatschappelijke carrière God mogen en moeten dienen. Tegelijkertijd kan deze werkzaamheid op gespannen voet staan met de dienst in het midden van zijn kerk. Tijd en energie die worden besteed aan de carrière leggen een druk op de tijd en energie die kan worden besteed aan de dienst binnen de geloofsgemeenschap. Hoe moet X of Y handelen, staande in het spanningsveld van ambt en maatschappelijke carrière? De vraag kan ook algemener worden gesteld: wat moeten wij doen als vanuit de kerk een beroep op ons wordt gedaan terwijl wij anderzijds verplichtingen zijn aangegaan of willen aangaan met betrekking tot onze maatschappelijke carrière? En op welke wijze komen wij tot een goede afweging?

Wij moeten in de eerste plaats nagaan wat onze motieven zijn. Het enige juiste motief voor onze keuze moet zijn de dienst aan God en de naaste. Wie ontheffing vraagt uit het ambt om het enkele feit van succes in de maatschappelijke carrière, maakt een keuze waarin de Here geen vreugde heeft. Wie ontheffing vraagt uit het ambt om wille van de dienst van God in het brede maatschappelijke leven en de dienst aan de nabije naaste in het gezin, maakt een keuze die alleszins verantwoord is.

Wie ontheffing vraagt omdat hij (nog) rijker wil worden in materieel opzicht, heeft een slechte beslissing genoman. Het evangelie waarschuwt tegen de dorens en distels van het bedrog van de rijkdom die de plant van het gezaaide woord bedreigen. Liever arm en beschikbaar voor net Koninkrijk van God in de kerk, dan rijk en in zichzelf gekeerd. Wie meer hecht aan de maatschappelijke carrière, dan aan Jezus is Hem niet waard. Tegelijkertijd geldt ook voor degene die geen ontheffing vraagt uit het ambt: Wie meer hecht aan roem en aanzien in de kerk dan aan dienst aan God en de naaste is Hem niet waard. Bij de spanning tussen de dienst aan God en de naaste in maatschappij of kerk, is de vraag naar de motieven van essentieel belang.

In de tweede plaats zijn die zaken van belang die altijd een rol spelen wanneer een belangrijke keuze moet worden gemaakt. Daarbij moet aan het gebed worden gedacht. Wij mogen de Here bidden om wijsheid en de liefde die ons leven ordent naar het patroon van zijn Koninkrijk in en buiten de kerk. Verder is overleg met anderen van wezenlijk belang. Een beslissing over een maatschappelijke carrière is geen individuele onderneming, maar een zaak van de gemeenschap waarin wij staan. Dan moet niet alleen worden gedacht aan de gemeenschap van het gezin en de vriendenkring, maar vooral ook aan de geloofsgemeenschap. Verder is ook van belang dat wij, als eenmaal een keuze is gemaakt, daar vrede mee hebben. Wie kiest voor een maatschappelijke carrière en ontheffing vraagt voor het ambt, moet zich blijvend de vraag stellen naar de vervulling van de roeping tot dienst aan God en de naaste.

Dr. D.J. Steensma (1958) is sinds 1986 predikant te Veenwouden; hij heeft zich gespecialiseerd in de christelijke ethiek, en is als zodanig tot op heden part-time docent aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.