+ Meer informatie

'Kort begrip voor doleerenden'

10 minuten leestijd

Inleiding
Met de Doleantie van 1886 kwam een jarenlange richtingenstrijd binnen de Nederlandse Hervormde Kerk tot uitbarsting. In tal van plaatsen onttrokken kerkenraden zich aan het gezag van de hervormde synode. Zij organiseerden zich opnieuw op basis van de gereformeerde belijdenis en de Dordtse kerkorde van 1618/1619. Waar de kerkenraad in meerderheid hervormd bleef, namen afzonderlijke gereformeerde ambtdragers of - als die er niet waren - gemeenteleden zelf ‘de reformatie ter hand’ krachtens het ambt der gelovigen.
De eerste dolerende gemeenten die zich uit het synodale verband losmaakten waren te vinden op de Veluwe (Kootwijk en Voorthuizen resp. op 2 en 4 februari 1886) en in Friesland (Reitsum 9 februari, Kollum 7 juli, Gerkesklooster 19 oktober en Anjum 7 december). Verder ontstonden in 1886 dolerende gemeenten in Leiderdorp (15 juli) en Amsterdam (16 december). Na het Gereformeerd Kerkelijk Congres (Amsterdam 1 1 - 1 4 januari 1887), bezocht door 1500 bezwaarden uit het hele land, kwam de zaak in een stroomversnelling. Op 28 juni 1887 besloot het Synodaal Convent dat het kerkverband voortaan zou heten: Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende). Eind 1887 was het aantal dolerende kerken gestegen tot 1 5 1 . Uit de volkstelling van 1889 weten we dat er ongeveer 18 1.0 0 0 personen met de Doleantie zijn meegegaan, ruim 2,2 miljoen kerkleden in de Nederlandse Hervormde Kerk achterlatend. Uiteindelijk werd op 17 juni 1892 tot vereniging besloten met de christelijke gereformeerden, voortgekomen uit de Afscheiding van 1834. Met hen vormden de dolerende kerken sindsdien de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Context van het 'ingezonden stuk'
Het hierna volgende ‘document’ werd op 10 juni 1887 anoniem afgedrukt in de Barneveldsche Courant. Dit ‘Nieuws- & Advertentieblad’ verscheen in Barneveld en omstreken en werd uitgegeven door G.W. Boonstra. Toen hij in 18 7 1 met het weekblad begon nam hij zich onder meer voor “ geene godsdienstige onverdraagzaamheid aan te kweeken of andersdenkenden aanstoot te geven” . In het verspreidingsgebied lagen ook Kootwijk en Voorthuizen, waar het merendeel van de hervormden met de Doleantie was meegegaan. De krant volgde die gebeurtenissen op de voet en nam daarbij een gematigd anti-gereformeerde houding aan. Als reclame-afhankelijk nieuwsorgaan stelde ze zich aan de zijlijn op. Wel bood zij ruimte aan ‘scheurmakers’ en ‘getrouwen’ om gepeperde ingezonden brieven te plaatsen. Daarvan is bijgaand spotschrift op de dolerenden een voorbeeld.
De auteur van het ‘Kort begrip voor doleerenden’ is tot op heden onbekend. Mogelijk had de inzender het uit een ander blad geknipt. De analogie met het ‘Kort begrip der Christelijke religie’, dat in veel orthodoxe gemeenten als methode voor de belijdeniscatechisatie fungeerde, is onmiskenbaar. Alleen telde deze samenvatting van de Heidelbergse Catechismus 74 vragen en antwoorden, terwijl de schrijver van het spotschrift niet verder komt dan 3 6.

Doleantie te Barneveld
Het ingezonden stuk verscheen op een moment dat in Barneveld de doleantiegeest om zich heen greep. Op 5 mei 1887 zonden G.J. Knottenbelt, B. van Essen en A. Roskam namens 5 7 gemeenteleden het verzoek aan de hervormde kerkenraad om zich ‘niet langer te scharen aan de zijde van hen die getrouwe belijders van Christus vervolgen’ . De kerkenraad wees het verzoek af en de hervormde predikant ds. J.A.P. Ris Lambers deelde in de Barneveldscbe Courant mee dat er geen sprake van kon zijn dat er op Tweede Pinksterdag (30 mei) een dolerende predikant zou voorgaan. Daarop weken de dolantiegezinden uit naar de zondagsschool, waar op Tweede Pinkerdag ds. E. Eisma, dolerend predikant uit Bennekom, voorging en waar vanaf zondag 5 juni geregeld kerkdiensten werden gehouden.
Opmerkelijk genoeg kwam op dezelfde Tweede Pinksterdag in de oude armenschool onder leiding van oefenaar Willem Vermeer een groep bevindelijk- orthodoxe hervormden samen. Vermeer (1837-19x9) was als christelijk gereformeerd oefenaar werkzaam in Vianen, waar hij in 1888 meeging met de Doleantie, om in 1894 te Giessendam terug te keren tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Uit de groep in de Barneveldse armenschool is later een gereformeerde gemeente ontstaan.
In feite voltrokken zich begin j uni 18 8 7 te Barneveld gelij ktij dig twee afsplitsingen van de hervormde gemeente. Onderstaand ‘Kort Begrip’, geplaatst in de krant van vrijdag 10 juni, illustreert dus iets van de publieke commotie en spot die dat veroorzaakte. Wat de afloop betreft: op 4 september 1887 bevestigde ds. J.H. Houtzagers uit Kootwijk de eerste ambtsdragers van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Barneveld, die daarmee geïnstitueerd was.

Toelichting op de tekst
Naar de bedoeling van het stuk kan men gissen. Het was te ludiek om twijfelaars te bewegen in de hervormde kerk te blijven. De opsteller suggereert een blind vertrouwen in dr. Abraham Kuyper, de belangrijkste aanvoerder der dolerenden. Kuyper was ook de stichter van de Vrije Umversiteit aan de Keizergracht 16 2 te Amsterdam, welk gebouw als ‘hoofdkwartier’ van de dolerenden wordt aangeduid. Intussen blijkt de spotschrijver goed begrepen te hebben dat de Doleantie in aanleg bedoeld was als een binnenkerkelijke reformatiepoging, en zeker niet als afscheiding. Dat verklaart dat de niet toevallig aangehaalde christelijke gereformeerde voorlieden prof. Helenius de Cock (Kampen) en ds. W.H. Gispen (Amsterdam) aanvankelijk zeer kritisch stonden tegenover samenwerking met de dolerenden. Dit werd versterkt door Kuypers afwijzing van het Reglement op de inrichting en het bestuur van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland uit 1869, door Kuyper altijd aangeduid als ‘Statuut’ - een woord dat in de tekst ook opduikt. Voor dolerenden week het daarin vastgelegde kerkmodel te zeer af van de Dordtse kerkorde. De genoemde professor Ph.J. Hoedemaker was een geestverwant van Kuyper, die hervomd bleef en daarom ontslag nam als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.
Aan het eind verlegt de auteur zijn aandacht naar de ultra-bevindelijke Ledeboerianen. Dat past bij de Barneveldse context. Maar het verwijst ook naar de samenwerking die de dolerende kerken aanvankelijk hebben gezocht met de vrije bevindelijke gemeenten, gesticht door ds. L.G.C. Ledeboer, wiens Zeeuwse leerlingen ds. D. Bakker en ds. P. van Dijke intussen eigen gemeenten hadden voortgebracht. De suggestie dat dolerenden om hen te paaien de psalmberijming van Datheen zouden aanbevelen duidt op een actualiteit in die verkennende besprekingen in juni 1887. Tijdens het eerdergenoemde Synodaal Convent te Rotterdam werd op 29 juni afgesproken dat de keuze van psalmberijming aan de kerkenraden zelf zou worden overgelaten. De toenaderingspogingen strandden later op verschillen in ligging.

Kort begrip voor doleerenden
Vraag 1 . Hoeveel kerken zijn er?
Antwoord. Er is maar één Kerk, de doleerende genaamd.
Vr. 2. Zijn er niet meer?
A. Neen. Alle andere zijn genootschappen.
Vr. 3. Maar zij noemen zich toch ‘Kerk’ ?
A. Ja, maar dit is niet gereformeerd-, alleen doleeren is gereformeerd.
Vr. 4. Waarom zijn het geen Kerken?
A. Zij hebben een Statuut, wat niet gereformeerd is.
Vr. 5. Hoe bewijst gij dat?
A. Prof. Kuyper heeft het gezegd.
Vr. 6. Zijn er nog meer bewijzen?
A. Ja, maar dit is het voornaamste en het eenig afdoend bewijs.
Vr. 7. Hoeveel stukken zijn u noodig te weten, om lid te zijn van de doleerende Kerk?
A. Twee stukken: Ten eerste, dat gij uw naam teekent; ten tweede, dat gij uw leiders maar volgt.
Vr. 8. Is dit wel gereformeerd?
A. Ja, waarlijk.
Vr. 9. Hoe moet ik denken over de Hervormde Kerk (genootschap)?
A. Dit genootschap is door en door slecht.
Vr. 10. Is er dan niets goeds in dit genootschap?
A. Ja wel, het bezit vele goederen.
Vr. 1 1 . Wat moet ik daarom doen?
A. Trachten die goederen in handen te krijgen en anders een proces beginnen.
Vr. 12 . Moet gij uw lidmaatschap opzeggen?
A. Neen, dat nooit.
Vr. 13 . Waarom niet?
A. Dan kunt ge niets van de goederen krijgen.
Vr. 14. Hoe verklaart ge dit nader?
A. De menschen hebben over ’t algemeen een afkeer van en een vrees voor afscheiden; daarom moet gij zeggen: ik scheid mij niet af, ik blijf in de Herv. Kerk.
Vr. 15 . Is dat ook gereformeerd?
A. Ja.
Vr. 16. Hoe weet ge dat?
A. Prof. Kuyper heeft het gezegd.
Vr. 17 . Wat zegt de Bijbel ervan?
A. Dat weet ik niet, maar wel prof. Kuyper, en hij beter dan iemand. Daarom is het maar ’t best naar hem te luisteren.
Vr. 18. Hoe te denken over prof. Hoedemaker en zijne volgelingen?
A. Het zijn dolende broeders.
Vr. 19. Hoe te denken over de ‘Etischen’ ?
A. Gij zult met hen noch eten, noch drinken, noch ze in uw huis noodigen, opdat ge niet met hun dolingen besmet wordet.
Vr. 20. Wat zijn Afgescheidenen?
A. Het zijn uit de Kerk geloopenen.
Vr. 21. Hoe moet ge over hen denken en jegens hen gezind zijn?
A. Gij moogt ze in uwe samenkomsten ontvangen, maar u met bij hen aansluiten.
Vr. 22. Waarom niet?
A. Zij hebben een Statuut.
Vr. 23. Hebt ge nog meer bewijzen?
A. Ja, prof. Kuyper heeft het gezegd.
Vr. 24. Voor wien hebt ge u ten hunnen aanzien te wachten?
A. Voor prof. H. de Cock en voor ds. Gispen.
Vr. 25. Waarom?
A. Zij willen niet mededoleeren en keuren het zelfs af.
Vr. 26. Wordt de tucht onder ons gehandhaafd?
A. Ja, maar nu nog niet.
Vr. 27. Waarom niet?
A. Omdat het getal der Doleerenden dan veel kleiner zou worden.
Vr. 28. Is er dan nog iets in acht te nemen?
A. Ja, dit alles gestreng op te volgen.
Vr. 29. Waar is ons Hoofdkwartier?
A. Bureau Keizersgracht 16 2, te Amsterdam.
Vr. 30. Zijn er ook nog secten in ons land?
A. Ja, er zijn Backerianen, Dijkianen, Ledeboerianen enz.
Vr. 31. Welke houding past ons tegenover hen?
A. Wij moeten ze met een goed oog aanzien en hen vleien, opdat ze mede gaan doleeren.
Vr. 32. Kan men dienaangaande nog meer doen?
A. Ja, de Psalmen van Datheen prijzen en zingen.
Vr. 33. Maar wij hebben immers Psalmen?
A. Gewis, maar er zijn Psalmen bij, die niet gereformeerd zijn.
Vr. 34. Zijn de Psalmen van Datheen dan gereformeerd?
A. Ja, zeer zeker. Daarbij is de poëzie onberispelijk.
Vr. 35. Geef eens een voorbeeld van Datheensche Poëzie?
A. “ En op Edom, groot van doen, Zal ik werpen mijn oude schoen.”
Vr. 36. Is dit doleerende poëzie?
A. Ja, zeer gepast voor onze Kerk, en onberispelijk volgens de Dordtsche Kerkeordening.

Geraadpleegde literatuur
Acta van het synodaal Convent (i88y) en van de voorlopige synoden van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (1888-1892), met bijlagen en registers, Kampen 1985, blz. 74.
W. Bakker e.a. (red.), De Doleantie en haar geschiedenis, Kampen 1986.
A.J. Barth, ‘De Doleantie en de Ledeboerianen in Zeeland’, in: Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland, deel 2, Kampen 1988, blz. 51-68.
Jolanda Denekamp en Maureen Hommerson, Barneveld in perspectief. 12 5 jaar geschiedenis van Barneveld weerspiegeld door de Barneveldse Krant (i8 y i- 1 996), Barneveld 1997, blz. 145-147.
A. Ros, Kleine kerkgeschiedenis van de West-Veluwe. Voorgeschiedenis, wording en beginjaren van de Gereformeerde Gemeente te Barneveld, Houten 1985, blz. 10 3 - 112 . Het knipsel met het ‘Kort begrip voor doleerenden’ staat op blz. 106.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.