+ Meer informatie

OVER DE VERHEERLIJKING ook verheerlijkt’ (Rom. 8: 30)

8 minuten leestijd

Deze serie artikelen over de heilsorde wordt besloten met het onderwerp ‘de verheerlijking’. De weg van de zaligheid loopt uit op de heerlijkmaking, ofwel de verheerlijking. Duidelijk schrijft Paulus daarover aan de Romeinen: ‘Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen. En die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtuaardigd. En die Hij gerechtuaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt’ (Rom. 8: 30). Wat we onder die verheerlijking hebben te verstaan? De Statenvertalers vatten haar, blijkens hun kanttekening bij deze tekst, breed op: ‘Namelijk hier in de beginselen door de heiligmaking en aanneming tot kinderen, en hiernamaals door de volle bezitting van dezelve heerlijkheid.’

DOOR LIJDEN TOT HEERLIJKHEID

Het is leerzaam om eens even stil te staan bij de teksten waarnaar zij in dit verband verwijzen. Dat zijn allereerst de verzen 17 en 21 uit hetzelfde hoofdstuk. Daar gaat het over de aanneming tot kinderen, de weldaad van de geestelijke adoptie. Maar tegelijkertijd over het lijden dat het deel is van hen die bij Christus behoren. De weg naar de verheerlijking is de weg die via het lijden verloopt. Dat is kennelijk evident behorend bij het christen zijn. Andere uitspraken van de apostel bevestigen dit. In Antiochië versterkt hij de discipelen en vermaant hen om te blijven in het geloof, ‘en dat wij door veel uerdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God’ (Hand. 14: 22). Veel jaren later schrijft hij aan zijn geestelijke zoon dat ‘allen die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden’ (2 Tim. 3: 12). Er hoort wel een belofte bij: ‘Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen’ (2: 12). In de uiteindelijke verheerlijking zullen de vervolgers en de vijanden zijn weggedaan. Er zal sprake zijn van ‘de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods’ (Rom. 8: 21).

De andere tekst waarnaar verwezen wordt, is 2 Kor. 3: 18. Dat geeft een bijzonder licht op het karakter van de verheerlijking. Paulus typeert haar als een verandering naar het beeld van Christus. Degenen die van Christus zijn, weerspiegelen zijn beeld ‘van heerlijkheid tot heerlijkheid’, namelijk door zijn Geest. De kracht van Gods genade is zo groot, dat Gods kinderen op hun oudste Broeder gaan gelijken. Ze dragen zijn beeld. Het ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk’, is hier vervuld. Paulus brengt het ter sprake in het directe verband van de verheerlijking: ‘Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te worden’ (Rom. 8: 29). Me dunkt dat hiermee het meest centrale van de verheerlijking onder woorden is gebracht: de gelijkvormigheid aan het beeld van Christus door de geestelijke gemeenschap met Hem.

MET HEM

Ondertussen wijst ons dit erop dat wij de verheerlijking niet moeten beperken tot de eeuwige zaligheid van Gods kinderen. Die verheerlijking is, zoals ook de Statenvertalers al aangaven, in beginsel hier en nu al werkelijkheid. Namelijk waar een zondaar door het geloof wordt ingelijfd in Christus en zo gemeenschap ontvangt aan Hem en aan al zijn weldaden. Inclusief aan zijn heerlijkheid. Maar dan ook alleen zó. Alleen ‘in Hem’ en door geloofsgemeenschap ‘met Hem!’ ‘Zal Hij ons’, schrijft Paulus eveneens in Rom. 8, ‘met Hem (!) niet alle dingen schenken?’ Alle dingen! Dezelfde apostel roemt daarin als hij aan de Efeziërs schrijft: ‘levend gemaakt met Christus, mede opgewekt, mede gezet in de hemel in Christus Jezus’, door Zijn grote liefde waarmee Hij ons liefgehad heeft (Ef. 2: 4-6). Gods kinderen zijn hier en nu zowel zondaar als rechtvaardig, zowel onrein als heilig, zowel aangevochten als verheerlijkt.

Maar deze spanning tussen het ‘alreeds’ en ‘nog niet’ zal ooit worden opgeheven. De Heere maakt Zijn werk af. Hij is zo getrouw als sterk. Hij zal Zijn werk voleinden. Daarbij geldt de verheerlijking als de uiteindelijke voltooiing van alle voorafgaande geestelijke weldaden. Daarop wijst Paulus: ‘Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus’ (Ef. 2: 7). Die Hij in beginsel de hemel in het hart heeft gegeven, die zal Hij ook de volkomen openbaring ervan schenken. Hij doet geen half werk. Dezelfde apostel oefent het geloof op die belofte en hij leeft het leven der hoop als hij aan Timotheüs schrijft: ‘De Heere zal mij verlossen van alle boos werk en Hij zal mij bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk.’ De Heere zal de Zijnen in dit lever zo leiden dat ze aankomen bij de poort van Zijn hemelrijk. Maar Hij bewaart niet alleen de erfgenamen voor de erfenis, Hij bewaart ook de erfenis voor de erfgenamen: ‘Ik ben verzekerd dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag’ (2 Tim. 4: 18 en 1: 12).

DIE DAG

Wanneer zal die dag zijn? Ik citeer opnieuw de kanttekenaars: ‘namelijk van de toekomst van Christus ten oordeel, wanneer Hij hetzelve hun zal geven om metterdaad en eeuwig te bezitten.’ Het is terecht gezegd: wanneer de Heere Jezus als Rechter komen zal om zijn Bruidskerk op te halen, wanneer de eeuwige dag zal aanvangen en als alle vijanden zullen verdoemd zijn - ja, dan zal de heerlijkheid van Gods Kerk volkomen zijn.

Toch is hiermee niet alles gezegd. Ook op een andere plaats in zijn tweede brief aan Timotheüs schrijft Paulus over ‘die dag...’ Het is als hij belijdt de goede strijd te hebben gestreden, de loop geëindigd en het geloof behouden te hebben. Voor hem is weggelegd de krans der rechtvaardigheid die de rechtvaardige Rechter Hem geven zal ‘in die dag...’ Me dunkt, dat hiermee niet in de eerste plaats gedoeld wordt op de oordeelsdag, maar dat hier sprake is van ‘de tijd van mijn ontbinding’, de dag van zijn sterven.

We moeten hier inderdaad met twee woorden spreken; in dubbele zin. We belijden dat de ware gelovigen direct na hun sterven bij Christus zijn, welk voorrecht eerst na de wederkomst van Christus ten volle - dat is: naar lichaam en ziel - werkelijkheid zal zijn. Tegelijkertijd zal zowel bij het sterven als op de laatste dag de aangrijpende scheiding tussen ongelovigen en gelovigen blijken. Ik kan me goed vinden in de leeruitspraak van de Gereformeerde Kerken in 1942: ‘dat naar Schrift en belijdenis bij het sterven van de mens zijn lichaam wederkeert tot stof, maar zijn ziel, hetzij in de gemeenschap met Christus zaligheid genietend, hetzij in rampzaligheid lijdend, voortbestaat, totdat zij op de jongste dag, wanneer de doden zullen opstaan, wederom met haar lichaam verenigd wordt, en de gelovigen naar ziel en lichaam eeuunge zaligheid zullen ontvangen, de ongelovigen daarentegen naar ziel en lichaam zullen worden overgegeven tot een voortbestaan in eeuwige rampzaligheid.’ Dan zal openbaar komen wat in dit leven nog verborgen was.

LEVEN NA DE DOOD

Over het leven na de dood is veel geschreven. Toch is de Schrift hierover mijns inziens duidelijk. Hoewel het OT hierover niet zwijgt - ik denk aan de belijdenis van Job in 19: 25-27 - is het NT meer uitgesproken. Het belangrijkste getuigenis is, zo meen ik, het kruiswoord dat de stervende Heiland richt tot de ene moordenaar: ‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn’ (Luk. 23: 43). Christus zal hem voorgaan ten leven, maar deze misdadiger mag deze zelfde dag nog volgen Hem in wie Hij geloofd heeft. Heden nog gaat de deur van het hemels Koninkrijk voor hem open. Ook op grond van 2 Kor. 5: 8 mogen alle ware gelovigen met grond verwachten dat zij na hun sterven bij Christus zullen zijn.

‘Deze Schriftwoorden staan niet op zichzelf. Wat de apostel hier zegt, vloeit voort uit de overtuiging dat de gelovigen in leven en sterven het eigendom van Christus zijn en ook door de dood niet van Zijn liefde gescheiden kunnen worden. De verbondenheid met Christus en de gemeenschap met Hem zijn een blijvende werkelijkheid. Bij het sterven van de gelovigen komt er geen eind aan hun zijn in Christus’ (BGD, p. 749).

VERVULDE VERWACHTING

De eeuwige heerlijkheid zal pas defmitief en volkomen zijn als Christus zal zijn wedergekomen. Dan zal Hij ‘ten anderen male zonder zonde gezien worde door degenen die Hem vermachten tot zaligheid’ (Hebr. 9: 28). De verwachting die Hij door zijn Geest zelf verwekte en deed beoefenen, zal vervuld worden op die grote dag. Het leven van zijn Kerk tot dusver is een leven van uitzien en verwachten. Samen met de Geest, die roept en die doet roepen: ‘Kom, Heere Jezus!’ Daarop is de christelijke hoop gericht. ‘Onze wandel, ons burgerschap, is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus, die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam’ (Fil. 3: 20, 21). Hij zal hen met zich opnemen in zijn heerlijkheid.

Wat die zalige werkelijkheid zal inhouden, kan niet beter gezegd worden dan met de klassieke belijdenis van Guido de Brès (NGB, art. 37): ‘De gelovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De Zoon van God zal hun naam belijden voor God Zijn Vader en Zijn uitverkoren engelen. Alle tranen zullen van hun ogen afgewist worden. Hun zaak die nu tegenwoordig door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld wordt, zal bekend worden de zaak van de Zoon van God te zijn. En tot een genadige vergelding zal de Heere hen zulk een heerlijkheid doen bezitten, als het hart van een mens nimmer zou kunnen bedenken. Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere.’

Ds. J.MJ. Kieviet (1950) is predikant van de gemeente van Dordrecht-Centrum

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.