+ Meer informatie

Onnodige spanningen

11 minuten leestijd

Er zijn allerlei spanningen, die met het kerk-zijn en met het kerklid-zijn gegeven zijn.

Bijvoorbeeld de spanning tussen heden en toekomst. De kerk moet verwachtende kerk zijn en tevens staan midden in het leven van vandaag. Steeds is er de verzoeking deze spanning te ontlopen door zich — eenzijdig — slechts met het ene bezig te houden. Of alléén met de toekomst... óf alléén met het heden. De spanning om „zowel te werken als te waken” brengt strijd met zich mee. Strijd ook tegen hen, die door hun eenzijdigheid willen scheiden „wat God samengevoegd heeft”.

Toegeven aan de verzoeking deze strijd en deze spanning te ontlopen is tot schade, ja tot grote schade van de kerk.

Zo zijn er meer spanningen te noemen. Bijvoorbeeld die tussen ideaal en werkelijkheid. Tussen wat de kerk krachtens haar roeping heeft te zijn en wat ze in de praktijk werkelijk is.

En denk ook eens aan de spanning die het gevolg is van het jagen naar waarheid én eenheid. Hier ook steeds de verzoeking om het een aan het ander op te offeren.

Hier ook de strijd!

Deze strijd en deze spanningen kunnen we niet ontlopen.

Zij zijn als het ware gegeven met het echt kerk-zijn en het echt kerklid-zijn.

Er zijn echter ook spanningen op het terrein van het kerkelijk leven, die wél weggenomen kunnen en moeten worden.

Omdat ze schadelijk zijn voor de kerk.

Ik doel hier op de spanningen, die veroorzaakt worden door datgene, wat we maar aanduiden met de verzamelnaam: vernieuwingen.

Het ligt bij ons plaatselijk nogal verschillend, wat men daaronder verstaat.

In sommige kerken is het een vernieuwing, wanneer men ritmisch gaat zingen, terwijl men dat in andere kerken al meer dan tien jaar doet en niet beter weet.

Er zijn kerken, waar men al jaren de nieuwe vertaling leest en er zijn er ook, waar men er zelfs niet aan denkt, dit te gaan doen.

Nu is het niet mijn bedoeling over deze vernieuwingen zelf te gaan schrijven.

Er is al zoveel naar voren gebracht over het voor en tegen van een en ander, dat er moeilijk nog iets nieuws aan toegevoegd kan worden.

Met bovenstaande regels wilde ik alleen maar duidelijk maken, wat we in dit geval met vernieuwingen bedoelen. U kunt het lijstje zelf uitbreiden: Nieuwe formulering van de formulieren, nieuwe berijming etc.

Er is in vele kerken heel wat onnodige spanning om deze vernieuwingen.

Het is niet zo erg, dat men over deze (en andere — op hetzelfde vlak liggende) dingen verschillend denkt.

Wat wel erg is, dat dit in de kerken zoveel narigheid brengt.

Er zijn kerken, waar een groep gemeenteleden (en dan denk ik nog niet eens aan „opzettelijke” groepsvorming hiervoor) in gespannen verhouding staat tot de andere broeders en zusters. Alléén om deze dingen. Er is een groot aantal ambtsdragers, dat heel wat tijd en energie moet besteden aan het wegnemen of voorkomen van conflicten over deze zaken.

En er is menige kerkeraad, die vreest, over deze zaken een beslissing te nemen (hetzij vóór of tegen) omdat men opziet tegen de gevolgen.

Dat is toch wel een verdrietige zaak. Hoeveel tijd en energie gaat daar niet mee verloren? Hoeveel verdriet doen we daardoor elkaar niet aan? En… hoe zou de Here over al dat geharrewar oordelen?

Mogelijk zegt iemand: Hartelijk mee eens!

Maar, …hoe komen wij daar af?

Laat ik eerst mogen zeggen, hoe wij er — naar mijn mening — NIET van af komen. We komen niet uit deze situatie door elkaar steeds maar de schuld te geven.

Door te zeggen, dat zij, die steeds maar vernieuwingen willen, de oorzaak van alle narigheid zijn.

Of door te beweren, dat zij, die altijd het been strak houden en van geen toegeven willen weten de oorzaak zijn van alle ellende.

Wij komen — dacht ik — wel verder, wanneer we gaan inzien (en dat inzicht ook anderen trachten bij te brengen) de betrekkelijke onbelangrijkheid van deze dingen.

Met deze uitdrukking — betrekkelijke onbelangrijkheid — bedoel ik het volgende:

1. Alle zaken de liturgie betreffende (ik neem nu het woord liturgie maar in zijn ruimste betekenis) zijn belangrijk. Het laat de Here beslist niet onverschillig hoe Hij — ook in dit opzicht — gediend wordt.

2. Maar al de dingen, waarover het in dit artikel gaat (al die vernieuwingen dus) zijn onbelangrijk vergeleken met de eenheid en de liefde in de gemeente.

Onbelangrijk in vergelijking met de opdracht voor de kerk „een pilaar en vastigheid van de waarheid” te zijn.

Met andere woorden: Wanneer er om afwijkingen in de leer dergelijke spanningen zich zouden voordoen, dan zou ik zeggen: Jammer, maar het moet. Daar zijn we kerk voor.

Maar dat men verschillen over de liturgie gaat behandelen en bespreken alsof het verschillen in de leer zijn is beslist onjuist.

Tot zover zal menigeen ook nog wel met mij mee willen gaan. Maar blijft nog de vraag: Hoe komen we er af?

Mijns inziens is dat alleen maar mogelijk, wanneer we de vernieuwingen gaan loskoppelen van al of niet vermeende achtergronden.

Wij moeten gaan inzien, dat iedereen, die vóór of tegen bepaalde vernieuwingen is, dat meestal niet zonder speciale redenen is. De mensen, die VÓÓT zijn zijn niet allemaal oppervlakkige mensen, die het in uiterlijke dingen zoeken en van een schriftuurlijke prediking niet meer willen weten.

En de mensen, die tegen zijn, zijn niet allemaal verstarde traditionalisten, die bij voorbaat overal „neen” tegen zeggen.

ET zit wat achter!

Vele „tegenstanders” houden er deze redenering op na: „Je ziet in andere kerken (ik noem geen namen, omdat we ons nu wel heel speciaal met onszelf bezig houden) zoveel verwatering en achteruitgang. Dat is indertijd begonnen met … (volgt een aantal vernieuwingen) en nü zijn ze al zover. Laten wij bij de eerste stap nee zeggen. Aanvaarden van vernieuwingen betekent voor deze broeders en zusters de eerste stap op het hellend vlak.

Er is ook een ander soort „tegenstanders”. Dat zijn mensen, die vanwege hun aard „tegen” zijn en deze dingen dankbaar aangrijpen om dat „tegen zijn” uit te leven. Dat dit onverantwoord en zondig is behoeft — dunkt me — geen betoog. Maar de eerstgenoemde groep „tegenstanders” heeft recht op begrip! (vergeten we — óók in de kerk — niet teveel, dat begrip voor iets of iemand hebben nog niet hetzelfde is als het er mee eens zijn?)

Dat begrip moeten we des te meer hebben, daar deze „tegenstanders” soms in hun mening gestijfd worden door bepaalde „verontrusten” uit andere kerken. Deze laten zich dan dikwijls als volgt horen: „Beginnen ze nu bij jullie ook al met ……?

Kijk maar uit, want je ziet, hoe het bij ons gegaan is. Het begint met …… en je komt uiteindelijk terecht bij ……” (wat in plaats van de stippeltjes moet staan kunt u zelf wel in vullen).

Om ons nu even bij deze groep „tegenstanders” te bepalen, ik geloof, dat zij deze dingen van elkaar moeten loskoppelen. Veranderingen in de liturgie behoeven niet te leiden tot een vervlakking in de prediking en alles, wat er mee samenhangt. Er is een enorm verschil tussen „het zich laten beïnvloeden door de „geest van de wereld” én „het in rapport blijven staan met het levensgevoel van deze tijd.”

Deze woorden drukken mogelijk maar heel gebrekkig uit, wat ik bedoel en ik geef ze ook graag voor beter.

Ik wil er alleen maar dit mee zeggen. Elke tijd draagt een eigen stempel. Dat is in alles merkbaar. Wie correspondentie uit vroeger eeuwen leest vindt daarin dezelfde stijl als in de preken van die tijd.

Omdat die stijl verdwenen is, hoeft de inhoud van de preken nog niet veranderd te zijn. Het bestek van dit artikel Iaat niet toe, op deze dingen dieper in te gaan.

Ik wil alleen maar zeggen, dat het levensgevoel van een bepaalde tijd zich op allerlei wijzen openbaart. Het stempelt óók de vorm van de eredienst.

Het plechtstatige en gedragene is voor iedereen wat het gewone leven betreft uit de tijd. Wanneer dit nu ook in de eredienst openbaar gaat komen, moet men niet direct denken en zeggen, dat er van afval sprake is.

Hier speelt ook het gevoel een rol.

De een voelt het plechtstatige en gedragene aan als wat echt bij de kerk hoort, en daarom de kerk onderscheidt van de wereld. De ander voelt het aan als iets onnatuurlijks. Je doet dan in de kerk anders dan gewoon.

Daarom moeten we ook trachten, wat begrip op te brengen voor de „voorstanders”. Zij zijn ook in twee groepen te verdelen. Er zijn er bij — ik overdrijf misschien wat — die het in de kerk allemaal maar niks vinden en alle heil en welstand voor de kerk verwachten van het in ijltempo invoeren van allerlei vernieuwingen.

Tegen deze mensen zou ik ook willen zeggen: Uw mening is onjuist. Wanneer de prediking „het niet meer doet” brengen de vernieuwingen ook geen heil!

En het bespottelijk maken van hen, die deze geest aanvoelen en zich des te meer tegen de vernieuwingen gaan kanten doet de tegenstellingen alleen maar toenemen. Er zijn echter ook andere „voorstanders”, Zij willen niet koste wat het kost allerlei veranderingen invoeren, maar zij zijn beducht voor een onnodig isolement. B.v. waarom ons onnodig isoleren van wat de kinderen op school zingen? Waarom de jongeren afstoten door het vasthouden aan allerlei bijkomstigheden, die op hen de indruk maken van „volkomen uit de tijd te zijn”. Zij zeggen: Wanneer mensen bij ons weggaan omdat ze de schriftuurlijke prediking niet meer kunnen verdragen dan kunnen we ze alleen maar met verdriet in het hart laten gaan. Maar wanneer mensen (vooral jongeren) weggaan omdat ze zich stoten aan een hardnekkig vasthouden aan „zoals het altijd geweest is” moeten we de hand in eigen boezem steken.

Hier kunnen we uiteraard nog heel wat over doorpraten. Men kan hiertegen opmerken: „Wanneer iemand door de prediking gegrepen wordt, zal hij niet weglopen omdat er (b.v.) zo langzaam gezongen wordt.” Waar een ander weer tegenin-brengt: „Hoe is het dan mogelijk, dat mensen, die geen bezwaren tegen een bepaalde prediking hebben toch niet in die kerk willen komen, waar dezelfde dominé preekt, maar waar ritmisch gezongen wordt?” etc.

Waar ik echter voor pleiten wil is: Heb meer begrip voor elkaar. Tracht het te verstaan, wanneer mensen uit liefde tot onze kerken en uit liefde voor de waarheid al die veranderingen wat wantrouwig gadeslaan. Heb echter ook begrip voor hen, die hun kinderen ook zo graag bij de kerk willen houden, maar geen antwoord weten op de vraag: „Is het zingen van een andere berijming dan die van 1773 dan zo’n groot kwaad, dat we daarom elkaar moeten wantrouwen!!? Ze zien hun kinderen langzaam losweken, niet om de oude dingen op zichzelf, maar omdat zij het zo halsstarrig vasthouden er aan niet kunnen begrijpen en nog veel minder hoe men elkaar in deze tijd om zulke dingen bestrijdt.

Wanneer men op deze wijze begrip voor elkaar tracht op te brengen, zal er heel wat onnodige spanning worden weggenomen. Dan kan men ook in veel rustiger sfeer over deze op zichzelf belangrijke dingen spreken. Dan is men ook veel minder bevooroordeeld.

Het is mij namelijk dikwijls opgevallen, dat de gebruikte argumenten meestal overeenstemmen met het reeds ingenomen standpunt.

Wie b.v. a priori tegen de nieuwe vertaling is, gaat — bewust of onbewust — bij het lezen daarvan argumenten zoeken tegen het gebruik van deze vertaling. Wie van te voren reeds van mening is, dat de nieuwe berijming hoognodig de plaats moet gaan innemen van de oude, gaat de oude waarschijnlijk erg kritisch bekijken. Dit kan men zowel bij voorstanders als tegenstanders constateren.

Wanneer iemand op een bijeenkomst (kerkeraadsvergadering, gemeentevergadering, classis, ambtsdragersconferentie etc.) over één van deze zaken gaat spreken kan men — wanneer men de persoon in kwestie kent — meestal tevoren wel weten, wat de eindconclusie zal zijn.

Pakt het is een keer anders uit, dan heerst er grote verbazing: Is hij voor? (of tegen, al naar het uitkomt).

Dat bewijst al, dat men een objectief oordeel over deze zaken eigenlijk niet eens verwacht. En dat is een bewijs, dat het ontkoppelen, waarover ik hierboven sprak, nog niet is gebeurd. En dat zal toch moeten, willen we waarachtig het heil van de kerken dienen.

Dan zal er ook meer merkbaar worden van de spanningen, die aan het kerk zijn eigen zijn.

Nu lijkt het wel eens, dat de vraag, of we „voor” of „tegen” zijn belangrijker is dan de vraag, of we — om maar één van de legitieme spanningen te noemen — in het geloof uitzien naar de komst van onze Heiland en tevens ons inzetten voor Zijn werk in deze tijd en op onze plaats.

Het is beslist niet verantwoord om — bij de grote nood die er in deze tijd is — onze krachten te verbruiken in een strijd om dingen, die wél belangrijk zijn, maar die het wezen van het kerk-zijn niet raken. Men heeft mij, na het spreken over deze dingen wel eens gevraagd: Maar bent U nou voor of tegen?

Of bent U soms zoéén, die de kool en de geit wil sparen.

Daarop heb ik dit antwoord gegeven: Ik wil zo heel graag de kerk sparen. En daarom is mijn voor en tegen in deze dingen nimmer absoluut.

Om deze dingen mag er geen verwijdering zijn of komen. En wanneer het om andere dingen gaat moet men het kind bij de naam noemen en zich niet verschuilen achter — uiteindelijk — onbelangrijke zaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.