+ Meer informatie

Leer en Leven

5 minuten leestijd

(2.)

I. Het Woord Gods. (a)

In vele huisgezinnen in ons land is tegenwoordig een een Boek te vinden — het oudste en meest wondervolle boek in de gehele wereld.

Dit BOEK, de BIJBEL, is een openbaring van God. In het woord openbaring (onthulling, ontsluiering) ligt de betekenis van het opheffen van een sluier, en zo ontsluiert ook de Bijbel voor de mens datgene, wat hij anders niet zou kunnen weten omtrent de grote God, de mens zelf, en Jezus Christus, die in één persoon „God en mens" tegelijk is.

Er is dus een Woord van God. Gelijk de mens zijn gedachten, zijn gevoelens en zijn wil door de spraak openbaar maakt, zo heeft de Heere Zijn Raad en Wil aan de mensen bekend gemaakt.

In de staat der rechtheid sprak de Heere reeds tot Adam en ook na de zondeval heeft de Heere niet opgehouden om tot de mens te spreken.

Dat de Heere de Eerste is in het spreken is het bewijs, dat Hij Zijn heil aan de mens wilde openbaren. Wie onzer zou ooit naar God gevraagd hebben? Ook

Adam, ons verbondshoofd, verborg zich en durfde de Heere niet te ontmoeten. Onbegrijpelijk wonder, dat de Heere in Zijn nederbuigende goedheid de Eerste heeft willen zijn, om de mens in zijn jammerlijke ellendestaat aan te spreken, opdat Hij de rijkdom Zijner genade aan hem zou openbaren.

Openbaren, ja, dat is al het spreken Gods! Als God spreekt, dan openbaart Hij Zichzelf, en maakt Hij Zijn eigen deugden en Zijn wil aan de mensen bekend.

God sprak tot Adam en Eva ook voor de val. We lezen van het proefgebod in Gen. 2 : 16, 17, en van de plechtige inzegening van man en vrouw in Gen. 1 : 28—30. Het eerste was tot Adam alleen gericht, terwijl het tweede Adam en Eva samen aanging. Zo was dus het spreken Gods een spreken van mond tot mond. Adam, Eva, zelfs Kaïn, Henoch, Noach, Abraham en anderen hebben hoorbaar Gods stem vernomen. Eerst later in Mozes' tijd is het mondeling gesproken Woord Gods op schrift gesteld en de Heere droeg er zorg voor, dat al wat Hij tot zaligheid gesproken had en nog spreken zou, in de Heilige Schrift, het Woord Gods voor het nageslacht bewaard bleef.

Zulk een Woord van God is een weldaad, want wij hadden vanwege onze zonden verdiend, dat God de zwijgende God voor ons gebleven was; maar in Zijn oneindige goedertierenheid heeft Hij de sprekende God willén zijn, die ons openbaren wilde, wat tot ons eeuwig behoud nodig was. Hadden wij dit Woord Gods dus niet, er was voor de mens geen toekomst mogelijk. Indien dus de mens zalig zou kunnen worden, was de Godsopenbaring noodzakelijk.

Twee oorzaken zijn te noemen voor die noodzakelijkheid der Godsopenbaring. Allereerst dit. Toen Adam stond in de staat der rechtheid, was hij versierd met het beeld Gods, bestaande in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Doch door zijn diepe val heeft de zonde die zuivere Godskennis, die diep in zijn hart gegrift was, er als het ware uitgebrand. Zijn verstand werd dermate verduisterd, dat hij God Zijn Maker en Formeerder niet meer recht kennen kon. Niet alleen Adam, maar al Zijn nakomelingen missen nu die ware kennis van God, zodat wij de wil van God niet meer kenhen noch verstaan. Zo duidelijk leert ons dat de Heid. Cat. in vraag 9: „De mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd." Daar ligt nu de mens in zijn diepe doodstaat en zal er nu ooit wederom sprake zijn van een verzoende betrekking tussen de heilige God en de gevallen zondaar, dan zal het initiatief van God uit moeten gaan. Dan zal de Heerè weer moeten afdalen tot de diepgezonken mens, om hem bij vernieuwing te begiftigen met die geheiligde kennis, waardoor hij zijn eigen rampzalige toestand leert inzien, bevend voor de heiligheid Gods, opdat hij Gode recht en gerechtigheid lere toekennen.

In de tweede plaats was er ook een openbaring noodzakelijk, omdat de Heere de weg ontsluiten moest, waarlangs het gevallen Adamskind weer met God verzoend zou worden. Die weg, waardoor aan Gods recht zou worden voldaan en de schuld zou worden geboet, die weg, geopenbaard in Christus, aan God van voor de grondlegging der wereld reeds bekend, was voor Adam in zijn oorspronkelijke staat nog verborgen.

Waar de mens niet meer wist, hoe hij ooit weer tot God zou genaken, daar wilde de Heere in Zijn onbegrijpelijke ontferming die nieuwe heilsweg aan de mens verklaren en openbaren. Daartoe gebruikt Hij Zijn Woord. Toen en ook nu nog!

Daarom proeft Gods volk zoveel dierbaarheid in dat Woord. David zegt er van in Ps. 119 : 92: Indien Uwe Wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in Mijn druk al lang vergaan."

De verstandelijke kennis van Gods Woord mogen we nimmer verachten en we mogen elkander aansporen dat Getuigenis van God ernstig en biddend te onderzoeken, maar de uiterlijke kennis kan ons niet voor God doen bestaan. Daarom is het zo noodzakelijk, de Heere te smeken om de bearbeiding van Zijn Geest, gepaard aan

Zijn Woord, om ons daardoor te onderwijzen in de wco-en die wij tot zaligheid bewandelen moeten. Als we Gods Woord zo in ons leven uit de hand des Heeren mogen ontvangen, dan wordt dat Woord een gouden kleinood van allen, die alleen in de van God geopenbaarde Weg zalig willen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.