+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

5 minuten leestijd

Letterkunde. In de vorige eeuw heeft zeker schrijver terecht opgemerkt: De taal is de ziel der natie; zij is de natie zelf.

In haar voortbrengselen weerspiegelt zich het leven der volksziel. Wilt ge deze leren kennen, bestudeer haar voortbrengselen. Niet alleen haar kunstvoortbrengselen, maar alle uitingen die in de verschillende kringen ' worden gevonden.

Wie in de gelegenheid en in staat is, bestudere maar eens de stichtelijke lectuur onzer Vaderen vlak voor de Hervorming. De waarde, van deze laatste zal er zeer door verhoogd worden!

Toch stond onze letterkunde in de M.E. niet op hoog peil.

In wetenschappelijke kringen was het Latijn het voertuig der gedachte en trok men de mens op vooral wat volkstaal was.

Latijn was dan ook het hoofdvak der scholen in die tijd en sommigen hebben het er ver in gebracht.

Wij noemen bv. Agricola en Erasmus. Eerstgenoemde wist door zijn redevoeringen de Italianen zo te boeien, dat zij er stil onder werden.

Laatstgenoemde gebruikte het Latijn of het zijn

moedertaal was. Jammer, dat hij wel eens een inhoud aan zijn werken gaf, die bepaald zeden-bedervend was. Blijkbaar was de vorm alles; de inhoud kwam er niet op aan. Men heeft dan ook wel eens de vraag gesteld: „Is hij werkelijk een christen geweest? !"

Wanneer wij nu even in onze geschiedenis teruggaan, zo blijkt, dat in de 12e eeuw het Nederlands als schrijftaal wordt gebezigd.

Onder invloed van de buitengewone ontwikkeling der Zuid-en Noordnederlandse steden ontstaat verzelfstandiging en deswege het Middel-Nf^vlands, feitelijk een verzamelnaam van Nederlandse u ecten.

Aanvankelijk meest vertaalwerken van inhoud ridderpoëzie, waarin uiteraard het avontuurlijke en het ruwe de hoofdrol spelen, wordt bij de voortgaande bloei de behoefte aan ontwikkeling groter en ontstaat, wat men zou kunnen noemen de didactische poëzie.

Wij noemen in dit verband Jacob van Maarlant (2e helft der 13e eeuw) wiens Martijnzangen godsdienstzin en zedelijkheid naar voren brachten en daardoor een grote tegenstelling vormden met „het geweld en de zinnelijkheid der ridderpoëzie."

Verder schreef hij de „Spiegel Historiael", een Algemene Geschiedenis tot op zijn tijd en opgedragen aan Floris V.

Melis Stoke schreef in die tijd een „Hollandse Rijmkroniek", bevattende de geschiedenis van het graafschap Holland tot de dood van Graaf Jan II.

Bekend is ook het gedicht „Van den Vos Reinaerde" wel naar Frans origineel, maar vrij bewerkt. Het is een scherpe satyre op de geestelijkheid en de adel en moet geschreven zijn door ee» geestelijke. In de Bourg. O. tijd stond echter de Ned. letterkunde niet op hoog peil.

Veel stichtelijke proza kwam aan de markt. Ook volksboeken verschenen, zoals de Vier Heemskinderen, Roeland, de Zwaanridder enz.

Het terrein der poëzie werd beheerst door de Rederijkers.

Vóór 1400 geestelijke broederschappen, die de priesters hielpen bij het vertonen van mysterie-en heiligenspelen, begonnen zij zich daarna te organiseren en zelfstandig stukken op te voeren. Zuid-Nederland had de

primeur van deze „Chambre, de Rhetorique". En alras was er in elke stad in elk groot dorp een

kamer te vinden. Aan 't hoofd van zo'n Kamer stond een „Prins" of „Keizer", bijgestaan door de „Factor" (leider der spelen) en de „Vaandrig." Verder was er een Nar en een Bode.

Onderlinge wedstrijden der Kamers heetten „landjuwelen." Tegelijk was het een volksfeest, waar steviggedronken werd.

(Rederijkers-Kannekijkers.) Aanvankelijk genoten zij de steun der vorsten. Maar weldra maakten zij het te bont, door de gebreken van kerk en staat op de planken te brengen en werden zij onder toezicht van de regering gesteld.

Wat zij voortbrachten was niet veel zaaks.

In deze periode bloeit ook het volkslied; zowel het geestelijk (in de kring van de Broeders des Gemenen Levens) als het wereldlijk lied. Een voorbeeld van het wereldlijk lied is het bekende: Het daghet in den Oosten. Bekend is ook de felle papiste Anna Bijns, die in een harer gedichten een vergelijking maakt tussen de woeste moordenaar Maarten van Rossum (Branden en blaken is het sieraad van de oorlog, was zijn devies) en Maarten Luther. „Noch schijnt Maarten van Rossom de beste van de twee, " luidt het aan 't eind van elke strophe!

Een waardige antipode is de grote Geus Marnix van St. Aldegonde, die in zijn „Bijenkorf der H. Roomse Kerk" deze onbarmhartig hekelt!

Wetenschap. Deze bediende zich, zoals wij reeds zagen, van het Latijn.

Erasmus (hij schreef de Lof der Zotheid) en Agricola noemden wij. Vooral willen wij hier wijzen op Wessel Gansfort, die de transsubstantiatieleer der R.K. aanviel en haar een „piaffraus", een vroom bedrog, noemde.

Overigens zij men voorzichtig met het wooi'd „voorlopers der Hervorming." De Broeders des Gemenen Levens waren dat niet. Zij bleven trouwe zonen der H. Moederkerk.

Wel hebben zij zich tegen de ontaarding der zeden gekeerd; hielden nauwlettend toezicht op de wandel der leerlingen, die de scholen bezochten en werkten mee aan schoolstichting.

In hun kring bloeide de navolgingsmystiek.

Beroemd is onder hen Thomas a Kempis, schrijver van het boekje „De navolging van Christus."

Ook dit is in zijn oorspronkelijke opzet geheel Rooms. Beroemde rectoren in die tijd waren: Alex. Hegius (Deventer), Joh. Cele (Zwolle), Murmellius (Münster en Alkmaar) e.a.

Velen hunner beoefenden niet alleen het Latijn maar ook het Grieks; zelfs het Hebreeuws.

Verder noemen wij: Gerard Mercater van Rupelmonde een bekend kaarttekenaar. (Mercator-projectie voor zeekaarten.)

Het zou te ver voeren de verschillende botanici, medici, anatomisten, juristen enz. enz. te noemen, die in de Nederlanden werden gevonden.

Alleen willen wij nog iets schrijven over onze Nederlandse hogeschool te Leuven.

Zij telde in die tijd circa 5000 leerlingen, onder welke zelfs uit Spanje en Portugal.

Toch was er al een depressie ingetreden.

Dit kwam vooral door haar tegenstand tegen Het Humanisme en de Reformatie. Karei V en Filips II wilden, dat de school persé bij het oude zou blijven en veel geleerden wilden juist „moderniseren."

Erasmus had bovendien te Leuven met de hulp van een 4-tal vrienden een „Collegium Trilinque" gesticht, (1518), vooral (de naam zegt het al) voor de studie van Latijn, Grieks en Hebreeuv/s.

Dit was voor de hogeschool niet aangenaam. Maar alle verzet was vergeefs.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.