+ Meer informatie

CONFLICTBEHEERSING IN DE GEMEENTE VAN CHRISTUS

30 minuten leestijd

Inleiding

Bij wijze van inleiding op mijn bijdrage aan de discussie van deze dag zou ik willen herinneren aan het artikel dat de voorzitter heeft geschreven in Ambtelijk Contact, het nummer van maart 1992. De tegenstelling tussen ideaal en werkelijkheid, zoals deze in de gemeente van Christus gelden, komt op een soms schrijnende manier tot uiting in de conflictsituaties die het leven van de gemeente kunnen beheersen. In vele gemeenten wordt men geconfronteerd met spanningen en conflicten. Zij staan in verband met en vinden veelal hun oorzaak in de gecompliceerdheid van de tijd waarin wij leven. Onze tijd is alles anders dan eenvoudig. Het is moeilijk om de eenheid van het levensgevoel te bewaren, terwijl zo veel feiten en problemen tegelijk op ons afkomen. Men kan denken aan de vele politieke en ethische vraagstukken die ons bezig houden. Vooruitstrevenden en behoudzuchtigen staan tegenover elkaar. De kerkeraad is in vele gevallen al blij, wanneer er geen openlijke oorlogstoestand heerst. Men heeft ambtelijke leiding te geven in gemeenten waarin liturgische vernieuwingen zich aankondigen, die ten dele gewenst en ten dele verworpen worden. Een compromis is niet altijd mogelijk. Verschil van inzicht doet zich voor wanneer maatschappelijke toestanden in de gemeente van Christus blijken door te werken: ongehuwd samenwonen, homofilie, abortus, euthanasie: het zijn problemen, die tot verwijdering kunnen voeren ussen gemeenteleden, niet omdat zich in de gemeente al die gevallen voordoen, maar omdat men van mening verschilt over de vraag, hoe men, indien zij zich zouden voordoen, ertegenover heeft te staan. Problemen op het terrein van huwelijk en echtscheiding werken negatief binnen families, die er mee te maken krijgen. “Op schrijnende wijze wordt door kerkeraden en door wijkouderlingen ervaren dat ook huwelijksconflicten en huwelijksontrouw de gemeente van Christus niet voorbijgaan.” Spanningen en overspanningen kunnen op allerlei terrein een gerede oorzaak vinden tot verwijdering tussen broeders en zusters, tot conflicten die niet gemakkelijk zijn te hanteren.

Op welke manier moet men met de conflicten omgaan? Br. Koole wijst in zijn artikel op twee factoren die van belang zijn: oprechtheid en vroomheid. Bij de oprechtheid behoort eerlijkheid, die in staat stelt om objectief te werk te gaan, zodat oorzaken geanalyseerd kunnen worden. Daarvoor is geestelijk onderscheidingsvermogen noodzakelijk. En dit hangt weer samen met de vroomheid, waardoor men biddend te werk gaat.

Eigenlijk is in deze korte weergave van het artikel van de voorzitter de opmaat gegeven voor onze bijdrage. We bedoelen daarmee, dat we de hele kwestie slechts nader hebben uit te werken. Daarbij moeten dan een paar aspecten nader worden bekeken, om in de terminologie van de voorzitter als redacteur van De Wekker te spreken.

Moderniteit van het onderwerp

Een eerste opmerking die we maken, betreft de moderniteit van het onderwerp, die samenhangt met bekende factoren. Onze wereld was tot voor kort een wereld van grote conflicten. De Oost-Westverhouding bepaalde inderdaad het leven van volken in de gehele wereld. Zij zette een Stempel op de gehele samenleving. De vredesbeweging trachtte aan de permanente conflictdreiging iets te doen, maar behoorde zelf tot de omstreden zaken, die eigen conflictsituaties meebracht. In verwijderde samenhang daarmee kwam binnen de psychologie een sterke belangstelling op gang voor het mechanisme, dat in een dergelijke situatie in werking treedt. Wat gebeurt er eigenlijk wanneer een probleem niet opgelost kan worden, en zich ontwikkelt tot een conflict tussen twee partijen? Wat gebeurt er bij de ene, zowel als bij de andere partij? De psychologie heeft daarvoor een aantal theorieën ontwikkeld, die inzicht bedoelen te geven in het ontstaan, in de verwerking en in de hantering van een conflict. Men spreekt veelal van de oplossing van een probléém, maar van de hàntering van een conflict. Het verschil is duidelijk. Men kan een probleem omschrijven en helder en klaar definiëren, de factoren die daarbij speien op een formule brengen en op die manier trachten het probleem uit de wereld te helpen. Maar wanneer een probleem verandert in een conflict, is er van een directe oplossing geen sprake. Men moet ermee leren omgaan. Daarom spreekt men veelal over een conflictsituatie, waarin iets wordt aangegeven van het blijvende karakter van de problematiek. Hoe reageert een mens, een groep, een volk op een probleem dat niet terstond opgelost wordt, of dat mogelijk in het geheel niet opgelost kan worden? Hoe leert men ermee te leven? Ook daarover heeft de psychologie, met name de organisatiepsychologie haar eigen standpunten ontwikkeld.

Voor een deel zijn deze inzichten vervolgens weer vruchtbaar gemaakt voor een gebied, waarin theologie en psychologie elkaar zeer dicht naderen. Ik bedoel in de pastorale psychologie. Het betreft hier een wetenschap, die allang niet meer in opkomst is, maar die reeds in haar resultaten vrucht is gaan afwerpen. Ik ga nu voorbij aan het feit, dat deze mengvorm van theologische en psychologische wetenschap, zèlf in vele kringen een aanleiding is geworden voor menig conflict. We hebben daarvan kennis kunnen nemen, ook onder ons. Maar het laat zich niet ontkennen, dat juist door het kanaal van de pastorale psychologie de aandacht voor de conflictsituatie in de gemeente in de theologie is toegenomen. In veel handboeken, die zich wijden aan de theorie en de praktijk van de gemeenteopbouw, wordt tegenwoordig aandacht geschonken aan de problematiek die gegeven is met de veranderde samenleving, die ook leidt tot een veranderende emeente, die juist zo conflictsituaties te zien geeft. Hoe gaan wij met conflicten om: het is een vraag, die in de psychologische vakliteratuur grondig besproken wordt. Een vraag ook die in de context van de gemeenteopbouw telkens weer aan de orde komt: hoe hanteren wij conflicten in de gemeente?

Ik meen daarmee iets aangeduid te hebben van de moderniteit van ons onderwerp. De wereld is aan het veranderen. De kerk leeft niet op een eiland. Zij heeft moeite om de zaken bij te houden. Verandering is nog geen bekering. ledere bekering betekent een verandering. Maar elke verandering is nog geen bekering. Hoe staat de gemeente in een wereld vol conflicten ervoor, wanneer zij conflicten in eigen miclden heeft te verwerken? Kan de moderne psychologie, zoals deze toegepast wordt in de pastorale psychologie en aldus weer een toepassing vindt in de gemeenteopbouw, ons werkelijk helpen?

Toepasbaarheid van psychologische inzichten op de gemeente

De vraag of de moderne psychologie, de pastorale psychologie en de theorie achter de gemeenteopbouw ons kunnen helpen, kunnen we niet beantwoorden, wanneer we niet weten wat zij ons te bieden hebben. Op het vrij uitgestrekte terrein kunnen we ons laten voorlichten 1).

Wanneer de wetenschap van de psychologie spreekt over het ontstaan en het hanteren van een conflictsituatie, is het haar te doen om het doorzichtig maken van die situatie, het bewust maken van de speiende problematiek en het openen van wegen tot een hanteren ervan. Het gaat in ieder conflict om een crisis èn om een nieuwe kans. Conflicten kunnen leiden tot een breuk die onherstelbaar is, of die onheelbare littekenen nalaat. Ze kunnen echter ook het begin zijn van een nieuwe mogelijkheid om samen verder te komen. Een conflict wordt dan omschreven als een situatie, waarin twee of meer partijen, personen of groepen, door hun houding met elkaar in botsing komen. Deze situatie dwingt tot een heroverweging van de wederzijdse verhouding. Daarbij kan het voor de diagnose gemakkelijk zijn, dat men onderscheidt tussen verschwende soorten van conflicten. Er zijn er die zich afspelen op het terrein van de waardering van een situatie. Daarbij gaat het om vragen als: Waarop moet de nadruk vallen? Wat heeft prioriteit? Welke eisen mag men stellen aan een gemeente? Wat mag men verwachten en hoe is het resultaat van een bepaalde actie in te schatten? Een tweede terrein waarop zich conflicten kunnen afspelen, is dat van de beoordeling omtrent wegen en middelen die men moet gebruiken om een doel te bereiken: Wat is wezenlijk voor het verkrijgen van een goed resultaat? Een derde gebied, waarop conflicten zich voordoen, is dat van de intermenselijke verhouding, relatieconflicten zijn het, die opgebouwd worden uit sympathie, antipathie, voorliefde, afkeer. Oorzaak is vaak het gevoel, dat men door een ander niet geaccepteerd wordt of gerespecteerd. De vraag is wat wij van elkaar mogen verwachten. Het kan ons dienen, wanneer we in een bepaalde situatie ons bewust zijn op welk niveau zich een conflict afspeelt.

Wanneer een conflict altijd een gebrek aan communicatie verraadt, is het goed te bedenken, dat communicatie zich ook altijd afspeelt op twee vlakken. Wij hèbben iets te delen, er bestaat gemeenschappelijke belangstelling. Men kan dit het zakelijke vlak noemen. Maar er is ook een manier, waarop die communicatie tot stand komt en waarbij de onderlinge relatie van belang is. Men kan dit het relationele vlak noemen. Op beide vlakken kan het tot een conflict komen 2). Er kan sprake zijn van zakelijke onenigheid, maar ook van een storing in de onderlinge verhouding, waardoor een conflictsituatie ontstaat.

Zal men een conflictsituatie werkelijk kunnen beoordelen, dan is kennis noodzakelijk, niet alleen omtrent de aard van het conflict, zodat we een idee hebben of het om een zakelijk verschil gaat dan wel om een relationele storing. Maar er is meer nodig. We dienen ook te weten hoe de partijen die tegenover elkaar staan, in hun houding terecht zijn gekomen, welke geschiedenis erachter steekt, welke achtergronden er zijn en vooral ook wat de betekenis is die men aan de verschillen toekent, wat de partijen hebben te verliezen of te Winnen, en dergelijke meer. Met andere woorden, men zal degelijk op de hoogte moeten zijn van het ontstaan, van de toedracht, van het verloop van het gebeuren, dat tot een situatie geleid heeft.

Mogen wij dit alles rekenen tot de diagnose, even belangrijk is de vraag, welke middelen kunnen dienen om het conflict te beheersen. K. Berkel noemt in dit verband vijf mogelijkheden: 1. men kan trachten het te vermijden, d.w.z. men ontloopt het, ofschoon men de zaak heel goed heeft waargenomen; 2. men zet een conflict door zonder toe te geven, waarbij men de eigen positie op het oog heeft en niet bereid is deze te verlaten; 3. men geeft toe, waarbij men ervan afziet om eigen belangen vast te houden: men laat voorlopig zijn doel Schieten en stelt een zaak uit tot later; 4. men sluit een compromis, d.w.z. men is bereid om een maximale eis te laten vallen en zorgt dat er een resultaat komt, waarbij beide partijen voor de helft bevredigd zijn; 5. men zoekt een oplossing, waarbij het komt tot een integratie, d.w.z. de doelstellingen worden niet losgelaten, maar men probeert een regeling te vinden, die de probleemstelling overstijgt. Daarbij is creatieve verbeeldingskracht vereist. Maar zo kan een conflict het begin worden van een nieuwe situatie vol beloften voor de toekomst.

Men kan in de literatuur allerlei variaties aantreffen, die zowel de aanduiding van de aard van een conflict betreffen als de wijze waarop men ermee moet omgaan. We laten deze variaties rusten, om nog slechts te wijzen op de zeven punten op een lijst, die Christian Schwarz hanteert om aan anderen een conflictstrategie bij te brengen 3). Hij hanteert deze zeven punten voornamelijk bij het uitvoeren van zijn programma voor gemeenteopbouw, in het geval dat hij op verzet stuit. Maar ze hebben afgedacht daarvan ook voor ons wel hun waarde. 1. Verwelkom een conflict; wees er niet bang voor. Mensen, die ieder conflict als een bedreiging ervaren, gaan daaraan vroeg of laat te gronde. 2. Bid om de leiding van de Geest, om te weten welke weg er betreden moet worden. 3. Tracht er achter te komen, op welk terrein er van overeenkomst sprake is. Bij alle verschil is er dikwijls meer overeenkomst in fundamentele zaken. 4. Tracht er achter te komen wat de diepere oorzaak van een conflict is. Wanneer angst voor verandering de oorzaak is, dient men daarop in te gaan en niet aan te komen met leerstellige uiteenzettingen. 5. Bied aan de andere partij vooral de mogelijkheid om zich sterk te voelen. Onze enige zorg is dikwijls om de zwakke punten van de andere partij op te sporen en daarop de aanval in te zetten. We zouden moeten trachten om de sterke kant van de partij tegenover ons aan het licht te brengen en vandaaruit trachten een gemeenschappelijk standpunt in te nemen. 6. Vermijd absoluut elke vorm van agressiviteit, maar stel vragen. Men kan uitspraken doen in de vorm van stellige thesen en daarmee een ander tot tegenthesen verlokken. Men kan ook de methode kiezen van het stellen van vragen en daarmee een openheid nastreven, die gunstig op de situatie inwerkt. 7. Behoud de humor, die meer kan bijdragen tot het oplossen van een conflict dan de meest kloeke onderhandelingstactiek. Daarbij kan het geen kwaad om blijk te geven van zelfkritiek; het werkt verruimend. Humor heeft nog nooit een probleem opgelost. Maar het kan een klimaat scheppen, waarin een verbeten zucht om gelijk te krijgen van zijn kramp wordt ontdaan.

Niemand kan ontkennen dat er in het bovengenoemde veel elementen zijn, die we kunnen gebruiken, wanneer het er om gaat om conflicten in de gemeente te beheersen. Maar ieder voelt ook dat we met een zuivere diagnose niet klaar zijn, evenmin als we ons tevreden zouden kunnen stellen met de therapeutische middelen om met conflicten te leren leven. We zijn er wel mee gebaat, om te weten wat zich in een conflictsituatie eigenlijk voordoet, waar het ten diepste speelt, welke factoren in geding zijn, welke achtergronden we niet mogen vergeten en welke geschiedenis wij in rekening hebben te brengen. We zullen ook onszelf afvragen of het de moeite waard is om een conflict aan te gaan, of dat we liever deze situatie zoeken te vermijden, of mogelijkheden zullen zoeken om tot een compromis te geraken, ofwel dat we alles op alles zullen zetten om een conflict te transcenderen, d.w.z. overstijgen en te bóven komen om vervolgens op hoger niveau met elkaar om te gaan, verrijkt en verdiept in onze perspectieven op een nieuwe toekomst. AI deze dingen, zeggen we nu, al deze dingen zijn leerzaam. Maar, kunnen we ook zeggen: al deze dingen zoeken de heidenen. Gij gaat ze alle verre te boven. We spreken over de gemeente van Christus.

Conflicten in de gemeente

In de moderne psychologie is een dispuut gaande geweest over de mogelijkheid om conflicten te elimineren. Een these die verdedigd is en ook verdedigbaar lijkt, laat zich zo formuleren: “dat een volkomen eliminering van alle konflikten in geen enkele zin wenselijk zou zijn”. De steller van deze uitspraak, Joh. Galtung, schrijft: “wij willen veeleer pleiten voor een positieve opvatting van het konflikt: konflikt als uitdaging, de onverenigbaarheid van doeleinden als een soms enorme, zowel intellektuele als emotionele uitdaging aan de in het konflikt betrokken partijen” 4).

Op dit standpunt is een conflict even noodzakelijk voor ons sociaal bestaan als frisse lucht is voor het leven van de mens. Het is een van de meest essentiële motiverende krachten van ons bestaan 5). Zonder conflict geen vooruitgang.

Op het eerste gezicht laat deze Stelling zich verdedigen met het oog op de christelijke gemeente, zoals deze ons in het Nieuwe Testament wordt getekend en eveneens met het oog op de geschiedenis van de kerk. Om met het laatste te beginnen: heel de kerkgeschiedenis is een historie van conflicten vanaf het begin tot op vandaag. De oorzaken ervan verschillen al naar gelang de tijd en de omstandigheden. Er was al de eeuwen door sprake van waarderingsconflicten, beoordelingsconflicten en relationele conflicten. Tussen Pelagius en Augustinus speelde een conflict in de relationele sfeer. Beide mannen liepen om elkaar heen. Er was een zakelijk verschil dat ertussendoor speelde en een onderscheid in waardering van een en ander. Het laat zich verklaren. Was het op te lossen geweest, b.v. door te doen alsof het niet bestond? Door toe te geven en de tegenstander gelijk te geven? Door het door te zetten of door het op een hoger plan te brengen?

Het conflict tussen Rome en de Reformatie laten we eerst rusten. Dat tussen Luther en Zwingli speelde op alle niveaus, op dat van de persoonlijke relatie, op dat van een zakelijk verschil, op dat van een waardering van de consequenties. Was dit verschil tussen broeders op te lossen geweest door het onder het kleed te vegen, door het te ontwijken, door toe te geven, door het wérkelijk te bóven te komen? De psychologie, ook de pastorale psychologie kan hier kerkhistorische conflicten doorzichtig maken, maar kan ze niet meer oplossen. Wij moeten leven met de gevolgen van die botsingen der meningen tot op vandaag.

Maar is het een wonder, dat we in de kerkgeschiedenis zoveel conflicten kunnen registreren, daar ze immers reeds in de gemeente van het Nieuwe Testament soms op grote schaal voorkomen? Spanningen en uiteenlopende meningen zijn er in menigte geweest. Er was blijkens Hand. 15:7 veel verschil van mening gerezen tussen de apostelen en de oudsten over de besnijdenis en de plaats van de wet. Het apostelconvent kon de zaken maar ten dele oplossen. Tussen Paulus en Petrus ontstond, zoals we lezen in Gal. 2:11 een publieke twist niet over enige vraag van orthodoxie, maar over kwesties van orthopraxie: hoe moet de broederschap beleefd worden? Een conflictsituatie ontstond tussen Paulus en Barnabas, een verbittering, zoals de bijbel het noemt, zodat beide broeders apostelen uit elkaar gingen, Hand. 15: 39. Het verbaast ons eigenlijk niet, daar er immers vlak na Pinksteren reeds sprake was van spanningen: er ontstond een murmerering, gemor, dat aanleiding gaf tot het aanstellen van de diakenen. Reeds daar trad er een zekere partijzucht aan het licht, die nog veel sterker zou openbaar worden in de gemeente van Corinthe, waar ieder zijn eigen apostel had en sommigen een Christuspartij vormden. Sociale achtergronden zijn aan te wijzen. Er zijn conflicten met wortels in de oorsprong uit de heidenchristelijke gemeente of uit de joodschristelijke gemeente. Generatie conflicten kan men signaleren, tweedracht tussen een man en zijn vader, tussen een moeder en haar dochter (Matt. 10: 37vv.). Wie de brieven leest in het Nieuwe Testament, krijgt van de gemeente niet een beeld dat beantwoordt aan ons ideaal van de vroegchristelijke kerk, hoezeer dit ideaal de eeuwen door de mensen ook heeft aangesproken. Paulus gaat bijzonder ver, wanneer hij zegt, dat er conflicten moeten zijn: er is verdeeldheid in de gemeente, zo is hem gemeld omtrent de kerk van Corinthe (1 Cor. 11: 18). Hij gelooft het zonder meer. Hij weet zelfs, dat er verdeeldheid en scheuringen moeten zijn, zodat kan blijken wie de toets kunnen doorstaan. Zij dienen om te laten blijken wie de toets kunnen doorstaan.

Hier wordt door Paulus op een heel bijzondere manier geargumenteerd. Het moet zo zijn, zegt de apostel. Wij kunnen er niet zonder. Hij constateert de twisten, de scheuringen en de ketterijen. Zij zijn er binnen de gemeente. Op zakelijk niveau speien zij zich af. Op waarderingsniveau en binnen het vlak van de persoonlijke relaties, die vertroebeld worden. De conflicten zijn er, ze moeten er zelfs zijn. Hoe gaan we ermee om, op welke manier hanteren wij ze?

De diagnose

De vraag is, welke diagnose de Schrift stelt met betrekking tot de conflicten, die zich voordoen in de gemeente van Christus. Ook wanneer we lezen, dat er conflicten en scheuringen zijn en er zelfs moeten zijn, houdt dit gegeven op zichzelf nog niet een waardering in. Met andere woorden die conflictsituaties zijn daarmee nog niet goed gepraat. Men moet ze niet ontkennen. Ze zijn er. Maar mogen ze er zijn? Behoren ze er te zijn? Ook al is het zo dat Gods wijsheid ze hanteert, deze conflicten, met een hoger doel nl. om te zien wie de toets kunnen doorstaan, zijn ze daarmee te verwelkomen als uitdagingen voor een hoger leven?

Op geen enkele manier. Het is slechts de vraag, welke houding wij aannemen in dergelijke conflicten en van welke aard ze zijn.

Om met het laatste te beginnen: van welke aard zijn de conflicten, waarvan wij lezen in het Nieuwe Testament? Er zijn er, waarvan Paulus met een soort van apostolische gemoedelijkheid zegt, dat er verschil in gevoelen mag zijn (Phil. 3: 16). Dat is zijn gezindheid en daarin gunt hij aan een ander een andere gezindheid. God zal openbaren, wie daarin het meest uit het evangelie leeft. En daarom laat de apostel dit aan de Here over. Evenmin als een dienaar van de Here twistziek mag zijn (2 Tim. 2: 24), evenmin is de apostel dit. Als het om de zwakken gaat is Paulus bereid om alles toe te geven. Hij wil alles allen worden; een woord, dat ons eraan herinnert, dat hij de Joden een Jood en de Grieken een Griek wil zijn. Kortom hij wil alles in allen terwille zijn (1 Cor. 10: 33). Hij is bereid om vrede te houden met alle mensen, zoveel als in hem is (Rom. 12: 18) en hij roept de mensen daartoe op. Paulus kan, zo lijkt het ons toe, uiterst toegefelijk zijn. Het komt ons voor, dat een moderne psycholoog hem in de beoordeling zou rangschikken onder degenen, die voor alle dingen bedacht zijn op een goede relatie met de mensen, met alle mensen, ofschoon dit in het bijzonder geldt voor de huisgenoten des geloofs.

Maar is deze toegefelijkheid, waarmee hij in de concrete situatie de conflicten op de koop toeneemt en zelfs zegt dat ze niet kunnen ontbreken, toe te schrijven aan een gebrek aan principes, of aan een tekort aan werkelijke standvastigheid? We kennen de apostel voldoende om het antwoord op die vraag te geven. Paulus kon de Joden een Jood, de Grieken een Griek zijn, ja, hij kon allen alles worden “opdat zij behouden zouden worden” (1 Cor. 10: 33). Het gaat hem om de “sotèria”, om het behoud van allen. Daarom volgt hij niet zijn eigen belang. Daarom is hij volstrekt onbaatzuchtig, omdat hij het belang, het nut zoekt van zéér velen. In de manier waarop hij dit nut kan verwezenlijken, is hij vindingrijk, creatief, bereid om zichzelf aan de kant te zetten, voor wat zijn persoon betreft.

Maar er is verschil tussen dit persoonlijke en het ambtelijke bij de apostel. Hij was in staat om zijn eigen persoon, zijn eigen voordeel geheel uit te schakelen, wanneer hij het behoud van de ander kon bewerken. Maar in dit laatste was hij, wat de zaak betreft volstrekt niet in staat om toe te geven. Juist dan kan hij de dingen op scherp stellen en de indruk wekken, dat hij het conflict niet schuwt. Ik zeg niet dat hij het zocht. Paulus laat zich niet spoedig van zijn medemensen scheiden. Hij roept het “wee” over zichzelf af, wanneer hij het evangelie niet verkondigt. Hij is een gedrevene, wat dit evangelie betreft, beter gezegd een gezondene, een ware apostel en bode van Christus, met barmhartigheid bewogen. Maar hij roept ook het “wee u” uit als het gaat over een andere Jezus, een andere geest, een an-der evangelie. Dan schuwt hij het conflict niet. Hij ontwijkt het niet, wanneer het evangelie door Petrus bedreigd wordt, en evenmin wanneer het door de pseudoapostelen aan de man wordt gebracht. Hij laakt het in de Corinthiërs, wanneer zij dàn het conflict vermijden: “Want indien de eerste de beste een àndere Jezus preekt, dien wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel” (2 Cor. 11: 4). Wanneer de schijnapostelen in zicht komen, dan zegt Paulus niet: ik zal de schijnapostelen een schijnapostel worden. Maar dan handhaaft hij de volle autoriteit van zijn aposto-laat. Dan neemt hij het desnoods op tegen een engel uit de hemel, Het àndere evangelie roept een onherstelbaar conflict op. Het verdraaide, verwrongen evangelie mag niet op toegefelijkheid rekenen. “Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt (Gal. 1: 8v.). Paulus maakt verschil tussen het mensen benaderen, en het mensen behagen. Het eerste zoekt hij uit alle macht. Het tweede schuwt hij terwille van het evangelie, dat niet naar de mens is. Conflictbeheersing binnen de gemeente van Christus kan slechts wanneer het fundament van die gemeente ongeschonden bewaard blijft. Zodra het fundament van de gemeente in geding is, is tevens het conflict gegeven dat niet gehanteerd kan worden. Het moet aangegaan worden. En uitgestreden, desnoods tegen een engel uit de hemel. Het raakt dan het fundament van de gemeente.

Ook wat het leven betreft

Een dergelijke houding past, wanneer de gemeenschap van de gemeente zelf in geding is. Wij spreken graag over de openheid van de gemeente naar de wereld toe. Maar die openheid mag nimmer ten koste gaan van het principiële verschil tussen hen die buiten en hen die binnen zijn. Men vergelijke in dit verband wat de apostel schrijft over de zonden in de gemeente van Corinthe. De partijzucht, de onderlinge twisten en al de conflictsituaties, die tegen het leven van de gemeente indruisen. Heel bijzonder wijst Paulus op de grove zonde die daar werd bedreven door een man die leefde met de vrouw van zijn vader. Men is daar in Corinthe ook nog trots en opgeblazen (1 Cor. 5: 1-13). Paulus ervaart echter dit conflict als niet te rijmen met de gemeenschap die men binnen de gemeente vormt. Met hoereerders gaat men niet om. Paulus bedoelt daar, zoals hij duidelijk te kennen geeft, niet mee de zondaren in de wereld, de hoereerders, geldgierigen, oplichters, afgodendienaars uit deze wereld in het algemeen, “want dan zou men wel uit de wereld moeten gaan” (vs. 10). Maar hij heeft het oog op de broeder, tenminste hij héét een broeder. En toch is hij een hoereerder, een geldgierige, een afgodendienaar, een lasteraar. Nu, met zo iemand mag men zelfs niet eten. Was hij buiten de gemeente, dan zou Paulus zeggen: “Hen die buiten zijn, zal God oordelen”. Wij oordelen alleen over hen, die in onze kring zijn.

Zeker er zijn dan dingen, waarvan wij zeggen: een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Wij respecteren dan de christelijke vrijheid terwille van de broederschap die in onze kring heerst. Deze mag niet verbroken worden. Zij bestaat uit sterken en uit zwakken. Maar er zijn dingen waarvan de apostel zegt, dat zij zich niet laten verenigen met de erfenis van het Koninkrijk Gods. Dan ontstaat een conflictsituatie, waarvan de apostel in die wonderlijke verzen uit 1 Cor. 5 zegt, dat hij er met zijn geest bij is, ofschoon hij lichamelijk afwezig is. Zijn geest en de geest van de gemeente verenigen zich in het conflict met de broeder, die zo grof gezondigd heeft, dat hij blijk gaf van buiten te zijn, ofschoon hij zich binnen bevond. En wanneer zo de vergadering tot stand is gekomen tussen Paulus en de gemeente, dan wordt er vonnis geveld over hem die op zulk een wijze zoiets gedaan heeft. “Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de kracht van onze Here Jezus, leveren wij in de naam van de Here Jezus die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden worde in de dag des Heren” (1 Cor. 5: 4v.). Men kan deze tekst vergelijken met andere uitspraken over de tucht der gemeente bij Paulus. En men kan ze dan rangschikken onder het hoofd “conflictbeheersing”. Inderdaad, dit is de manier waarop de gemeente met conflicten omgaat. Omgaan met conflicten binnen de gemeente van Christus: de apostel begeeft zich daarbij bnnen het spoor, dat Christus gewezen heeft voor zijn gemeente: indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen… (Matt. 18: 15vv.). Men heeft deze hoofdstukken bij Mattheüs wel de kerkorde van het evangelie genoemd. Zij is gegeven om conflicten in de gemeente te hanteren. In diezelfde lijn bevindt zich de gereformeerde traditie, wanneer zij de kerkorde ziet als een ordening, waarin conflicten gehanteerd kunnen worden, zodat het fundament van de gemeente ongeschonden bewaard blijft en tegelijk het verschil tussen kerk en wereld zichtbaar blijft. Er is een buiten ten opzichte van de gemeente. En er is een binnen de gemeente waar op het fundament gebouwd wordt, Jezus Christus.

De therapie

De vraag is er nog, hoe wij conflicten kunnen hanteren, nadat wij vastgesteld hebben om wat voor soort conflict het gaat. Als ik voor het moment gebruik maak - in het licht van het voorafgaande - van de onderscheiding fundamenteel en niet-fundamenteel, dan kunnen we in verband daarmee ook een onderscheid aanbrengen in de wijze waarop we met het conflict omgaan.

Blijkens de Schrift zijn er zaken waarvan de apostel zegt: ik geef u mijn persoonlijke mening, maar misschien hebt u een ander inzicht. Hij spreekt op die manier in verband met de collecte die gehouden moest worden (2 Cor. 8: 8, 10): “Ik geef dit niet als een bevel… En ik geef op dit punt mijn mening…”. Paulus maakt in deze situatie van spanningen omtrent een offergave voor de gemeente van Jeruzalem geen gebruik van zijn volle apostolische gezag. Een soortgelijk voorbeeld treffen we aan in Paulus’ spreken over het huwelijk. Wanneer het gaat over de ergerlijke zonde van hoererij in de gemeente van Corinthe, werpt hij zijn volle apostolische gewicht in de schaal. Daar vallen de dingen onder het oordeel van God. Maar wanneer Paulus spreekt over het huwelijk als zodanig, dan kan hij op twee manieren spreken in hetzelfde hoofdstuk (1 Cor. 7: 10, 12). De eerste keer zegt hij: “niet ik beveel, maar de Here”. De tweede keer is het: “niet de Here zegt, maar ik”. Dit persoonlijk gezag is wel met het apostolisch gezag verbonden, maar het is er ook van onderscheiden. In deze sfeer mogen we ook zien de uitspraken, waarin Paulus een subjectief element schijnt in te voeren: voor wie het eten van vlees zonde is, voor die is het ook zonde: “leder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd” (Rom. 14: 5).

Bij zulke situaties binnen de gemeente plegen wij te spreken van middelmatige dingen of van adiaphora, ofwel onverschillige dingen. In het kerkelijke leven kennen wij ze als de zaken waarover men in broederlijke zin afspraken maakt: niet de Here zegt dit, maar wij zeggen het zo. Daarmee zou het uit kunnen zijn, ware het niet dat de geschiedenis leert dat juist dan, wanneer ieder zegt: dit zijn geen fundamentele dingen, de één zegt: dan kunnen we het op deze manier, en de ander zegt: laten we het op die manier doen. En daar is het conflict. Er zijn uit de geschiedenis talrijke van zulke conflictsituaties aan te wijzen. Dan is het zaak om na te gaan, of wij geen gebruik kunnen maken van de wijsheid van de kinderen der wereld die soms verstandiger zijn dan de kinderen des lichts (verg. Luc. 16:8).

Er kunnen zich situaties voordoen, waarin men zich afvraagt: is het verstandig om op een kwestie in te gaan? Ik herinner me het verhaal omtrent een gemeente, jaren geleden, waar men zei: we hebben nooit zoveel ruzie gehad als toen die en die dominee bij ons stond. De goede man ging overal op in. Hij wilde per se alles bijgelegd hebben. Hij verdroeg geen rimpeling in de vijver, en veroorzaakte daardoor grote golven. Soms moet men kwesties eenvoudig laten voor wat ze zijn. Ze lossen zichzelf op, zonder moeite of véél pijn. Maar er zijn ook situaties, waarin op zichzelf onverschillige dingen aanleiding kunnen geven tot explosies, die voorkomen hadden kunnen worden wanneer er tijdig raad was verschaft. Wie daarbij leiding heeft te geven, mag wel bidden om de leiding van de Geest. Maar hij mag ook een dosis gezond verstand gebruiken: rekening houden met achtergronden, familiegeschiedenissen en dergelijke meer. Hij dient bovenal te kunnen luisteren in geduld en ook in oprechtheid. En in dergelijke gevallen zou hij baat kunnen hebben bij het overwegen, welke factoren in het spel zijn.

De ambtsdrager die geroepen wordt tot leiding geven, moet kunnen zwijgen. Maar hij moet zelf ook kunnen spreken over de vraag welke oplossing in enige situatie aan te bevelen is. De voorzitter sprak over oprechtheid en vroomheid: het zijn primaire deugden in deze tijd, waarin zo veel in de wereld buiten de gemeente aan het veranderen is. Het fundament van de gemeente is echter niet veranderd en evenmin de gemeente zelf als het Lichaam van Christus, dat uit de wereld is weggeroepen om zich onbesmet van de wereld te bewaren.

Leer en leven van de gemeente van Christus zijn daarbij in geding. De leer, opgevat als de leer der zaligheid, de gepredikte genade, het verkondigde heil. Een conflict daarover mogen wij niet uit de weg gaan. Maar ook het leven is daarbij betrokken, als leven uit Christus, als nieuw leven: “Gij geheel anders”. Wat dit aangaat zal het steeds duidelijker worden, dat de gemeente van Christus met conflicten te maken zal krijgen meer en meer, omdat zij zelf in een voortdurend conflict met de wereld leeft. Haar bestaan staat haaks op de verschijning, op de vorm van deze wereld. Zij staat haaks op de wijsheid van deze wereld, op de ethiek van deze tijd. En de gemeente kan slechts staande blijven, wanneer zij geworteld en gegrond is in de liefde van Christus zelf. Dat is een ànder leven, dat van boven is en ook naar boven trekt. Het is nieuwheid des levens, zoals de Schrift leert in Rom. 6: 4. Opstandingsleven, gave en vrucht van wedergeboorte. De kracht van dit nieuwe leven zal ook blijken uit de beslistheid, waarmee de ge-meente het kwaad in haar midden tegengaat.

Zij zal daar niet omheen lopen. Ze zal niet doen alsof het er niet is, en in de ontkenning van het conflict haar heil zoeken. Maar zij zal zoeken gemeente van Christus te zijn. Moge God geven, een levende en krachtige gemeente van Christus, waarin ambt en gemeente samen ontdekken, dat het heil een fundament heeft, dat het òmvormt tot een stad die boven op een berg ligt, die niet verborgen kan blijven. En dan is de wijze waarop binnen die gemeente met conflicten wordt omgegaan er één, waarin het priesterschap van alle gelovigen moet functioneren. Daartoe hebben de ambten te stimuleren. En waarom zou de weg, die Christus zelf voor de gemeente heeft voorgeschreven in Matt. 18, en die door het apostolisch gezag in het Nieuwe Testament is doorgegeven aan de kerk van alle eeuwen, waarom zou die weg niet ook voor de gemeente van vandaag de meest betrouwbare zijn? De kerkelijke discipline heeft een siechte naam. Is het terecht? Berust veel van hetgeen de kerkelijke tucht in een siechte reuk gebracht heeft, niet op onkunde en misverstand? En is wellicht ook onder ambtsdragers al te weinig zicht op het feit, dat kerkelijke tucht niets anders beoogt dan de mensen te trekken tot Christus?

Men kan horen in Nederland, dat de kerk haar tijd gehad heeft, dat de ouderling maar beter kan inpakken. En dat de gemeente van Christus het moet afleggen in haar structuur tegen allerlei nieuwe vormen, die zich vanzelf aandienen vanuit de menswetenschappen, vanuit de psychologie, zoals deze met name als organisatiepsychologie binnen de pastorale psychologie gepropageerd wordt. Inderdaad er is veel van te leren, als het gaat om analyse en hantering van conflicten. We kunnen er gebruik van maken. Maar we zullen nimmer vergeten de wijsheid die van boven is. En we mogen ook nimmer vergeten de volmaakte wet der vrijheid, die in Christus is. Oprechtheid en vroomheid. Dat houdt ook in: we zullen nimmer de belofte uit het oog verliezen: “Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere”. Hij geeft mild. Hij maakt geen verwijt. Maar laten we het begeren in het geloof. Niet twijfelend. Want die twijfelt gelijkt op een golf uit de zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt (Jac. 1:5).

1) Vergelijk voor het volgende: K. Berkel, “Organisationspsychologie der Gemeinde”, in: I. Baumgartner (Herausg.), Handbuch der Pastoral-Psychologie, Regenburg 1990, S. 317ff.

2) P. Bukowski, “Kirche und Konflikt, Bemerkungen zu einem leidigen Thema”, in Pastoraltheol. 80, S. 332-251.

3) Christian A. Schwarz, Praxis des Gemeindeaufbaus. Gemeindetraining für wache Christen, Neukirchen-Vluyn 1987, S. 77ff.

4) J. Galtung, “Konflikt als een wijze van leven”, in Kernvraag. Conflict en polarisatie, maart 1974, Nr. 43, blz. 21-47; kritiek op dit standpunt in hetzelfde nummer van de hand van E.C. Lekkerkerker, “Omgaan met conflicten”, blz. 48-89.

5) J. Galtung, t.a.p., blz. 27.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.