+ Meer informatie

TOEEIGENING DES HEILS in de praktijk van PREDIKING EN PASTORAAT

29 minuten leestijd

De allereerste keer dat ik in Middelburg met de problematiek van de toeëigening des heils in aanraking kwam, zal ik nooit vergeten. Ik maakte kennis met een zuster in het bejaardentehuis, die erover klaagde dat ze met de andere bewoners zo weinig van hart tot hart kon spreken over het leven met de HERE. “En van toeëigening weten ze hier helemaal niks!” zei ze. “Nee, dan luister ik liever naar een preek van u via de kerktelefoon”. Maar voordat ik “da’s fijn” kon zeggen, vervolgde ze: “Die kan ik tenminste uitzetten...”!

Dat lijkt ook voor u nu niet zo bemoedigend. Want de voorzitter heeft mij gevraagd eens iets weer te geven van het omgaan met toeëigening de heils in de prediking en het pastoraat. Liefst zo praktisch mogelijk. Mede omdat ik o.a. van die inmiddels overleden zuster veel heb geleerd, zal ik dat graag proberen. Maar dat zal het geheel dan wel wat persoonlijk houden. Neemt u van mij aan, dat ik er geen enkele behoefte aan heb mezelf te etaleren. Eerlijk gezegd heb ik eerder het gevoel me hiermee nogal kwetsbaar op te stellen. Maar misschien is de bereidheid daartoe wel iets, dat we meer nodig hebben om intern tot een vruchtbaar gesprek te komen over deze dingen. Ik laat me straks door u graag corrigeren en verder helpen.

Nog een opmerking ter inleiding. De laatste weken werd in mijn omgeving nog wel eens de vraag gesteld: Moeten jullie nu weer over dat onderwerp gaan praten? Ik denk, dat het heel goed is, dat we in deze kring spreken over de toeëigening de heils. Wij christelijk-gereformeerden hebben de neiging nogal eens goed te weten hoe het moet, maar dan vooral bij anderen. Aan andere kerken, die instemmen met de mooie studie van ds. Baars, vragen we: Maar hoe functioneert het een en ander nu in jullie prediking en pastoraat? Het is goed, dat we dat nu vandaag ook eens aan onszelf vragen: Hoe functioneert nu het belijden op dit punt in onze prediking en ons pastoraat? En er hangt van die vraag nogal wat af! Want wat wij dan noemen de toeëigening de heils voert ons naar de kern van het Evangelie: “Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1 Joh. 5:12). Het is niet overdreven te stellen, dat het hier gaat om een zaak van leven en dood. Eeuwig leven en eeuwige dood. Voor onszelf en voor degenen, die aan onze ambtelijke zorgen zijn toevertrouwd.

De prediking

De term toeëigening de heils gebruik ik in mijn preken wel eens, maar niet vaak. En dan nooit zonder uitleg. Want als de jongeren horen over de drie formulieren, dan denken ze aan de aanvraag voor een studiebeurs. En bij het woord toeëigening aan fraude. Als het gaat om de vraag, hoe de zaak van de toeëigening de heils in de prediking in de gemeente van Middelburg aan de orde komt, dan begin ik, denk ik, het best door te zeggen: in een breed kader. Voor mijn besef kan dat ook niet anders, omdat het toe te eigenen heil zelf zo breed is. Aan de Korinthiers schrijft Paulus over Christus Jezus “die ons van God geworden is: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1: 30). Wie door de genade van de Geest de Zoon heeft, kan Hem alleen maar zo hebben, zoals de Vader Hem geeft: tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing. Onze belijdenis wijst keer op keer op een veelheid aan weldaden, een rijkdom aan schatten en gaven, die de HERE Jezus verwerft en uit wil delen door Zijn Geest.

Ik ben wel eens bang, dat in ons spreken over de toeëigening des heils het heil verengd wordt tot de rechtvaardiging alleen. Tot, zeg maar, de vraag waarmee Luther zo geworsteld heeft: Hoe krijg ik een rechtvaardige God? Ik haast mij te zeggen, dat dat als een centraal gegeven in onze prediking niet gemist mag worden. Maar juist het erfgoed van Reformatie en Nadere Reformatie, dat onze kerken de jaren door met zich meedragen, reikt ons vanuit dat centrum zoveel meer aan. Een mensenhart heeft niet alleen schuilhoeken. Het heeft ook uitgangen. Uit het hart zijn de uitgangen van het leven (Spr. 4 :23). En ook aan die uitgangen wil het heil, dat Christus verwierf, door de Geest worden toegepast.

Maar de vraag, hoe iemand persoonlijk deel krijgt aan de vergeving van zonden, de gerechtigheid voor God en het eeuwige leven, komt, mag ik zeggen, ook bij ons nadrukkelijk aan de orde. Bijv. in diensten waarin we ons voorbereiden op de viering van het Heilig Avondmaal. Er zijn in de gemeente broeders en zusters met grote schroom t.o.v. het Avondmaal. Door onzekerheid en twijfel over de vraag of ook zij mogen delen in het beloofde heil. Juist in de week van voorbereiding kan die vraag zo benauwen. We luisteren bij de voorbereiding dan bijv. naar Rom.8:16 “Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn”. Maar ik heb ook wel eens gepreekt uit 1 Kor. 11. Over wat er nu precies bedoeld wordt met dat “jezelf een oordeel eten en drinken”.

Ook in doopdiensten komt de toeëigening de heils expliciet aan de orde, als noodzakelijk én als beloofd. En wanneer de tekst of een gedeelte uit de belijdenis daarom vraagt. En op een bepaalde manier toch eigenlijk in elke preek. Voldoende duidelijk? Sommigen in de gemeente zeggen van niet. Anderen: veel te veel. Dat kan geen maatstaf zijn. Ik mag u misschien wel zeggen, dat ik zelf veel geleerd heb van een prekenserie over de Dordtse Leerregels. U moet als kerkeraden uw predikanten stimuleren dat eens te doen. In een preek of vijftien lazen we samen de belangrijkste artikelen uit elk hoofdstuk. Per preek een artikel of drie, hooguit vier. Gaandeweg de preek lazen we steeds een artikel en dan een stukje uitleg met een toepassing. Ik was aanvankelijk wat bang voor de reacties maar dat viel reuze mee! Ik meen te mogen zeggen, dat het als leerzaam ervaren is, als een stukje geestelijke leiding vanuit een verrassend actueel belijdenisgeschrift. Al kwam bij deze en gene, eerlijk gezegd, ook wel verzet tegen de verkiezing van eeuwigheid openbaar of ontdekte men bij zichzelf remonstrants denken. Vooral de reacties van de jongeren hebben me verrast. Er was er een, die nooit meer kwam ‘s middags. Maar toen weer wel. “Dit zijn de vragen”, zei hij, “waar ik mee zit”: Hoe kom je aan je geloof? Wat is geloven eigenlijk? Waarom gelooft niet iedereen? Hoe blijf je erbij? Kan een gelovige twijfelen? En de jongeren bleken er wat mee te kunnen in hun contacten met vrienden uit evangelische groepen.

De toeëigening des heils is volgens de belijdenis zowel werk van de Geest als werkzaamheid van het geloof. Dat geeft ook in de preek een spanning, waarop ik straks nog terug wil komen. Maar het werk van de Geest is primair, omdat ook het geloof, dat zich het heil toeëigent van de Geest komt. Hij eigent toe, wat wij krachtens de belofte van het verbond in Christus hebben. Daarom werkt de Geest ook door en met het Woord van de belofte. Aan de gelovige toeëigening gaat de genadige toezegging vooraf. Als genadetoezeggend God verbindt de HERE zich al vanaf het paradijs aan zondaren. Volstrekt en alleen van zichzelf uit, omdat Hij zich over hen wil ontfermen. Daarom moeten in de prediking de Schriften worden opengelegd. Want die leggen het ontfermend hart van de HERE open. En als de Geest met het Woord werkt, dan wordt Christus zichtbaar. In Zijn kruis en opstanding zijn al Gods beloften ja en amen.

Bekleed met Zijn beloften - naar een mooi woord van Calvijn - komt in de prediking Christus zelf op ons toe. Daarom mag mijn prediking verbondsmatige prediking zijn, belofteprediking en Christusprediking.

Het gaat bij de toeëigening de heils om de vraag, hoe het mij beloofde heil mij zo eigen wordt, - dat ik kan zeggen, dat Christus mijn leven is. Dat gebeurt waar de Heilige Geest de prediking maakt tot zo’n overweldigende kracht, dat ik mijn handen niet meer thuis kan houden. Maar ze uitstrek naar de HERE Jezus, mij vastklem aan het kleed van Zijn beloften. Om leven te vinden.

Ik denk, dat dat van ons predikers vraagt, dat wij instrumenten verlangen te zijn van die bijzondere Geestkracht. Met een prediking, die het niet zoekt in mooie woorden en fraaie gedachten. Die er ook niet mee wil volstaan een tekst uit te leggen en dan de toepassing te beperken tot: Kent u dat? Hebt u er persoonlijk deel aan gekregen? Maar die vraagt om een biddend worstelen in de studeerkamer om een héle preek vol betoon van Geest en kracht. Een preek, waarin de gemeente (de predikant zelf incluis!) wordt gedaagd voor de rechterstoel van God, die dan om Christus wil tot onze grote verrassing een troon van genade blijkt.

Dan moet de gemeente de zaak niet pas in de toepassing na aan het hart worden gelegd. Maar ook al in de uitleg. Dat zo proberen te doen, dat het niet op een afstand blijft, maar dichtbij komt. Met woorden en beelden van vandaag de gemeente in een geschiedenis invoerend, alsof ze er zelf bij was.

Een voorbeeld. Wanneer ik preek over de bekering van Paulus op de weg naar Damascus, dan kan ik uitleggen, wat er gebeurde hoe de HERE Saulus staande hield en op de knieën bracht. En dan vragen: Hebt u dat nu ook al meegemaakt, dat de HERE u staande hield? En dan zou ik kunnen proberen te beschrijven, wat er dan in een mensenhart gebeurt. Om de gemeente te helpen op die vraag: Is dat nu met mij gebeurd? een antwoord te geven. Een antwoord, waarmee men zichzelf niet bedriegt. Maar krijgt het allemaal niet meer klem, als ik dan tegen de gemeente zeg: “Wat is het goed, dat u vanmorgen in de kerk bent. Want de HERE houdt u nú staande! In het gewaad van Zijn Woord en in de kracht van Zijn Geest komt Hij zelf nú voor u staan. En vraagt u: Waar ben je in je leven mee bezig? En nu kunt u twee dingen doen: uzelf langs de HERE Jezus heenwringen en toch verblind uw eigen doodlopende weg blijven gaan. Of buigen, uw schuld belijden. Hem als Middelaar zoeken. En zeggen: Neem mijn leven, laat het HEER, toegewijd zijn aan Uw eer”.

En dan is het het werk van de Heilige Geest, als je dan alleen nog maar die ene kant op kunt: op de knieën. Naar de Middelaar om Hem te omhelzen. In het geloof, dat Hij het is die spreekt. Tot mij persoonlijk. En dat ik in mijn hart weet en gevoel, dat Zijn Woord waar is. Dan is dat door de Geest, die de belofte zo krachtig indrukt in je hart, zó dat je zegt: Hij spreekt mij, verloren zondaar, van genade. Niet anderen maar ook mij. Ook voor mij: Christus en al Zijn weldaden. Want het gaat om gemeenschap met de HERE Jezus. De Geest legt de band met Christus. En in de gemeenschap met Christus mag ik delen in al Zijn schatten en gaven. Zo maakt de Geest Christus in mij groot. En dat is Zijn eigenlijke werk.

Daarom is het geloof, dat de Geest door het Evangelie werkt vanaf het begin ook zeker. Niet zeker van zichzelf maar van het Woord van de belofte. Omdat de HERE Jezus voor al die beloften instaat met zijn leven. Naar de mate van het geloof mag ik verzekerd zijn van mijn heil.

Gaat dat nu allemaal vanzelf, als er wordt gepreekt? Nee. De belofte van het heil mag zonder onderscheid aan de hele verbondsgemeente worden verkondigd. Maar in de reactie erop komen de tweeërlei kinderen van het verbond openbaar. Zij die de belofte gelovig aannemen, en zij die dat in ongeloof niet doen. We stuiten hier op de vrijmacht van de Geest. En uiteindelijk op Gods verkiezing. Maar daar mag niemand zich ooit achter verschuilen. Bij de verkondiging van de belofte worden wij opgeroepen tot het geloof en bekering. Daarom is ongeloof schuld. De Geest stelt onze menselijke verantwoordelijkheid niet op non-actief. Hij activeert die juist tot gelovige overgave.

De prediking kent de spanning van Gods werk en onze menselijke verantwoordelijkheid. En die spanning moet erin blijven. Die moeten we niet oplossen door de verkiezing zo voorop te stellen, dat we daarvan eerst zeker zouden moeten zijn om de belofte te mogen aannemen. Maar ook niet door het zo voor te stellen, dat ons een cadeau wordt aangeboden en dat het nu maar van onze vrije wil afhangt of we dat aannemen. Dan is de de spanning eruit. Dan is het ook niet meer spannend om naar de kerk te gaan.

Die spanning vinden we in dat woord van Paulus, dat voor ons onderwerp zo belangrijk is: “Blijft... uw behoudenis bewerken met vrees en beven, want God is het, die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt” (Fil. 2 : 12,13). In een preek over die tekst heb ik wel eens het beeld gebruikt van een spoorbaan. Die bestaat uit twee rails. De ene is het willen en werken van Gods welbehagen. De andere is het willen en werken van mijn geloof. En nu moet ik die twee rails niet naar elkaar toe willen buigen. Dan ontspoort de trein van het geloofsleven. Die twee lijnen komen wel ergens samen. Heel ver weg, aan de horizon achter mij. In Gods eeuwige raad. En ook heel ver weg aan de horizon voor mij, in de voleinding. Waar het geloof overgaat in aanschouwen. Maar onderweg, waar ik mij ook bevind, moeten die twee lijnen naast elkaar blijven lopen.

Wat je wel moet zeggen en wat in de prediking moet doorklinken, dat is dat God altijd de eerste is. In Zijn belofte maar ook in mijn geloof. Geloof blijft een gave. Van zichzelf uit komt niemand tot geloof. Wij moeten bedenken, dat de Geest met onze prediking zo krachtig moet worden, dat er bij wijze van spreken doden door kunnen worden opgewekt. Om te kunnen geloven moet een dode zondaar worden levendgemaakt. Misschien mag ik dat beeld van die spoorbaan nog wat uitwerken. Want daar staat niet vanzelf een treintje op. We moeten bij een ontspoorde trein beginnen. De prediking mag zich richten tot de verbondsgemeente. Maar die bestaat uit Adamskinderen, die delen in de grote ontsporing in het paradijs. Het mensenleven werd een ramptrein, die zijn bestemming nooit meer bereiken zou. Tenzij, de HERE zelf hem weer op de rails zou zetten. In het spoor van de Geest.

Dat is de wedergeboorte. Een dode zondaar wordt levendgemaakt en léért geloven, léért de weg van het heil te gaan. Nu is die wedergeboorte verborgen werk van de Geest. En dan moet je in de preek ook niet doen, alsof je precies weet, wat er dan gebeurt. Zeker, het hart wordt vernieuwd, het verstand verlicht, de wil gebogen. Maar dat lijken mij eerder omschrijvingen van het wonder dan beschrijvingen ervan. Daarom mag ik niet de wedergeboorte preken. Ik mag Christus preken. Maar ik moet wel zeggen, dat wedergeboorte nodig is om mijn bestemming in Zijn Koninkrijk te bereiken. En ik moet de gemeente opwekken te pleiten op de belofte van het nieuwe leven, die bij de doop betekend en verzegeld is. De doop is immers een bad, dat vraagt om maar ook zo veelbelovend spreekt van wedergeboorte. Dat maakt de toeëigening uiteindelijk tot zo’n feestelijk en blij gebeuren. De HERE is er niet op uit, dat wij daar zo mee tobben. In Zijn genade is Hij ons altijd voor. Wil Hij alles wat Hij van ons vraagt, zelf geven.

Voor wij iets konden vragen, kwam Hij er ons al van verzekeren dat Hij het geven wilde. Daarom mogen we pleiten. En zullen we dat nooit vergeefs doen.

Daarom mag in de preek het spreken over de noodzaak van de wedergeboorte de eigen verantwoordlijkheid weer niet verlammen. Dat gebeurt wanneer wij erover spreken los van het geloof en de bekering. Als de Geest de trein in het spoor zet, gaat de beugel weer tegen de bovenleidingl Anders komt er nog geen beweging. Biddende handen omhoog. In het vertrouwen, dat de HERE de bewegende kracht geeft om te gaan in het goede spoor.

Zo mogen we leren afzien van alle pogingen onszelf weer op de rails te krijgen. Dat mag niet alleen, dat moet zelfs. Daarom zal een preek, die de toeëigening dient, ook altijd iets hebben van een onteigening. Een onteigening van gronden, waarop wij menen te kunnen bouwen buiten de belofte om. Dat kan een hoop kerkelijke activiteit zijn. Maar bijv. ook een quasi vroom jeremiëren over de zondigheid van de mens. Schijngeloof moet ontmaskerd worden. Maar zelfs het ware geloof is in zichzelf niets. Het is alleen maar de lege hand van een bedelaar, waarin de Geest de kostbare schat van Christus volbrachte werk wil leggen. Zo wordt en blijft het deelkrijgen aan het heil een onbegrijpelijk wonder, onverdiende gunst. Waarvan de HERE alleen de eer verdient.

In dat verband iets, dat ik zelf duidelijker heb mogen leren zien. Soms wordt de toeëigening des heils zo voorgesteld, dat de HERE ons in de belofte een cheque aanreikt, waarmee we dan naar hem toe kunnen gaan om die te laten verzilveren. Ik wist, dat als je als student dat beeld in een preek gebruikte, de curatoren - of in ieder geval wel een paar - daar bezwaar tegen hadden. En ik begreep eigenlijk nooit zo goed, waarom. Totdat ik op het Kerstfeest eens preekte over Luk. 2: het bevel vanwege de keizer om zich te laten inschrijven voor de belasting. Zo trokken Jozef en Maria naar Bethlehem. Met een aanslag voor de belasting op zak. Maar vanuit de hemel ontvingen de herders een geboortekaartje: “U is heden geboren de Heiland...” En toen zag ik het ineens. Je krijgt in de prediking maar niet een cheque in handen. Je krijgt een aanslag in de bus! Met een onbetaalbare schuld bij God. Schuld, omdat je door je eigen geboorte uit Adam de HERE zo vijandig bent, dat je helemaal niks van Hem wilt aannemen. Maar je krijgt die aanslag niet zonder een geboortekaartje: U is heden de Heiland geboren... En als je nu door de Geest van je schuld overtuigd bent en met die aanslag naar Betlehem gaat, en die eerbiedig neerlegt bij de kribbe dan wil de HERE Jezus die aanslag meenemen op Zijn weg naar Golgotha. Die voor mij betalen. En dan mag ik mij dat Kind toeëigenen, dat de Man van smarten werd. En op Goede Vrijdag dankbaar zeggen: Voor mij is heden gestorven de Heiland...

Misschien zegt u: Dat je dat nooit eerder gezien had. Ook een dominee moet in die dingen groeien. En gelukkig is de dominee die een gemeente en een kerkeraad heeft, die dat beseft. Maar wat kunnen er zo bij de verkondiging van het Woord een wonderen gebeuren! Op de kansel en eronder.

Waar de Geest onteigent en toeëigent, toeëigent en onteigent. Ik zeg het expres zo, want we moeten er geen schema van maken.

Wat een wonderen. Zoals bij Lydia, die gewoon in de kerkbank zat. Die Paulus wel hoorde, zoals het er staat. En echt niet onverschillig, hoor. Maar die toen de HERE haar hart opende, aandacht schonk aan wat Paulus zei. Toen ging ze verstaan wat ze hoorde. En ze ging het zien. Ze ging Hem, de HERE Jezus, zien in Zijn Woord als de Redder van verloren zondaren.

Soms vragen we ons af, waarom gebeurt er zo weinig onder de prediking? Waarom komt er niet meer van het vernieuwende werk van de Geest openbaar? Laten we niet vergeten te danken voor wat ervan blijkt. En de dag der kleine dingen niet verachten. Maar zouden we niet veel meer onze diepe afhankelijkheid van de Geest moeten beleven, als we het Woord van God opendoen, op de kansel en thuis?

Dan gaat er wat leven. Dan komt er verdieping. Waar de Geest werkt, worden de drie stukken gekend. Ellende, verlossing en dankbaarheid. En waar de troost van Christus wordt verkondigd, zijn dat ook aspecten van het geloofsleven, die in de prediking moeten doorklinken. Die de toonzetting van de preek mee bepalen. Ook als ze niet steeds met misschien iets andere woorden de driedeling van de preek vormen. Toch moeten ze het gehalte van de prediking mee bepalen. Waarvan immers verlost Christus, wat is verlossing, waartoe leidt die? Ik kom nog terug op de vraag, of in elke preek elk van de drie stukken een even grote plaats moet innemen. Maar zeker niet als achtereenvolgens te doorlopen stadia. Nog even terug naar het beeld van ons treintje. Ellende, verlossing en dankbaarheid zijn geen drie stations, die je op de weg van het heil de een na de ander passeert. En dus ook de een na de ander achter je zou kunnen laten. Ellende, verlossing en dankbaarheid zijn geen drie stations maar drie wagons. Die het hele traject van de geloofsweg meegaan, van het begin tot het einde.

Gaandeweg kan de ene wagon best eens zwaarder geladen zijn. En door de verkondiging zwaarder beladen worden. Zodat je zonde je meer drukt. Of dat je je vreugde in de HERE als het ware niet opkunt. Of dat je echt wordt beheerst door het verlangen de HERE te dienen. Maar hoe dan ook, geen van de wagons mag worden losgekoppeld. Ook niet in de prediking.

Iets nog over de kenmerken en de standen van het christenleven. De Dordtse Leerregels spreken daarover. Overigens steeds met het geloof voorop. Het zijn aspecten van de weg van het geloof. Niet van de weg nââr het geloof. Ze hebben wel een bevestigende werking, maar ván het geloof. Het geloof dat zijn eigen blijdschap kent, maar ook wordt aangevochten en bestreden. Dan mag het in de preek ook gaan over de rust van de nabijheid van de Here en de bitterheid van het gemis daarvan. Dat je jezelf niet kunt uitstaan, als je maar blijft zondigen. Over je dorst naar de gerechtigheid van Christus.

Prof.Velema schrijft in verband met de kenmerken en standen, heel mooi, dat het toepassend werk van de Geest een levendig werk is. En zo mag de prediking in het spoor van de Geest de trein van het geloof ook leiden over heerlijke hoogten en door duizelingwekkende diepten. Soms langs een prachtig vergezicht. Soms ook door een donkere tunnel. Nu eens zullen de passagiers verrukt zijn, dan weer bedrukt. Zoals je de vromen vindt in bijv. de Psalmen.

Ik wil dit gedeelte van mijn inleiding over de toeëigening des heils in de prediking afsluiten met de vraag of al deze dingen in iedere preek aan de orde moeten komen. Met een zelfde beeld heeft de Ned. Geref. ds. H. de Jong - die ik in een bepaald verband heb leren kennen als een Schriftgeleerde in de goede zin van het woord - ons min of meer dat verwijt wel eens gemaakt. Op grond van geluiden van Ned.Geref. studenten aan onze Universiteit, in Apeldoorn, zo schreef hij, leren de studenten de preek elke zondag te laten lopen over het ene spoor van de toeëigening des heils. Voor zover hij daarmee doelt op het gevaar van een systeem, waarin al deze zaken een vaste plaats krijgen, met een voorgeschreven dienstregeling voor de beleving ervan, wil ik me graag laten waarschuwen.

Maar als dat spoor met dat treintje op die beide rails en met die drie wagonnetjes door dat zo heel afwisselend landschap nu de doorgaande lijn in de prediking is, dan zou ik enigszins speels willen vragen: Waar zouden wij zijn zónder deze trein? Zijn dit niet hele wezenlijke noties uit de Schrift en de belijdenis, die meekomen met de verkondiging van Christus en die gekruisigd, naar de Schriften? Als vanzelf meekomen, als je in een preek priesterlijk en pastoraal leiding wilt geven aan de gemeente?

Pastoraat

Ik wil nu nog enkele lijnen uitzetten naar het pastoraat. Daar zal ik korter over zijn, omdat het spoor dat werd uitgezet voor de prediking, ook doorloopt in het pastoraat. Pastoraat is eigenlijk niets anders dan een bijzondere toepassing van de prediking. Heel concreet, bij de mensen thuis. Daarom wil de Geest bij Zijn toeëigenend werk gebruik maken van ambtsdragers. Misschien mag ik U daarmee bemoedigen. U bent een geschenk van de Geest aan de gemeente! De HERE heeft apostelen en profeten gegeven, evangelisten, herders en leraars, ouderlingen en diakenen om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon... (Ef. 4: 11,12). En die toerusting van de heiligen heeft dit doel: “totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” (vs.13). Dat is een grote verantwoordelijkheid maar ook een geweldig voorrecht.

Ik denk, dat het goed is, wel nog wat stil te staan bij het probleem, dat we in de gemeente zo regelmatig tegenkomen. Dat broeders en zusters zich het heil niet durven toeëigenen, niet komen tot de volle overgave en rust van het geloof, de zekerheid van het behoud. Wat kunnen daarvan de oorzaken zijn? En wat wordt daarin van ons aan ambtelijk handelen gevraagd?

Het is trouwens de vraag of je pastoraal klaar bent met de toeëigening des heils als de vragen naar de persoonlijke heilszekerheid niet zo spelen. Het zijn vaak fijne bezoeken, als die zekerheid er mag zijn. Als de blijmoedigheid en vrijmoedigheid in de omgang met de HERE als een geschenk van genade wordt beleefd. En de vruchten openbaar komen. Maar dan blijft de Geest altijd uit op groei. Groei in de genade en de kennis van de HERE Jezus. Groei ook in de kennis van zichzelf. En die zekerheid zal toch worden aangevochten. Dan mag erop gewezen worden, dat de zekerheid van het heil niet vastligt in ons gewis geloof. Maar in de gewisheid van Gods belofte alleen. In de vastheid van de belovende God zelf.

Soms spelen deze vragen niet, omdat er sprake is van een zekere vanzelfsprekendheid. Men is gedoopt, deed belijdenis, gaat naar de kerk, viert Avondmaal. Natuurlijk geloven wij! In het pastoraat mag dan op een liefdevolle wijze worden gevraagd: Maar wat gelooft U dan? Wat dóet het U? En wat doet U erméé? Wie is de HERE Jezus voor U? Je moet er als ambtsdrager natuurlijk heel voorzichtig mee zijn. Vooral bij broeders en zusters, die van karakter wat gesloten zijn. Maar het kan wel eens goed zijn, wanneer de vanzelfsprekendheid eraf druipt, te vragen: Is uw geloof wel echt? En hoe weet U dat dan? Dat vraag je dan niet om twijfel aan te praten. Maar om broeders en zusters te behoeden voor een geloof als een vaag gevoel. Het gevoel, dat het wel goed zit maar zonder levende band aan de HERE Jezus.

De vraag naar de heilszekerheid speelt ook daar niet, waar ronduit sprake is van onverschilligheid. Ik denk aan het pastoraat onder randjongeren. Het heil van de HERE Jezus laat ze koud. De hemel zegt ze niks en ze zijn voor de hel niet bang. Wijsheid is dan nodig om op het juiste moment het juiste te zeggen en te zwijgen. Het is nodig te beseffen, dat wij ambtsdragers niet in staat zijn enig heil toe te eigenen. Maar dat wil nog niet zeggen, dat we onze gesprekspartners de vrije keus maar laten. We moeten hen stellen voor de beslissende keus en niet verzwijgen, dat het gaat om een keus tussen leven en dood. We mogen zeggen, dat de HERE in Zijn goedheid al zoveel zorg aan hun leven heeft besteed, dat er toch eigenlijk maar één keus mogelijk is. Want laten we ervoor oppassen zo’n jongen af te schrijven. Wie weet leven er achter zijn stoerheid toch hele diepe vragen: Is God er wel? En waar vind ik hem dan? Een schreeuw om houvast...

Maar soms worden de vragen van heilszekerheid heel duidelijk naar voren gebracht. Dan is het belangrijk goed te luisteren en te proberen achtergronden te peilen. Een simpel: “God heeft het beloofd en nu moet U het maar eens aannemen” werkt vaak alleen maar averechts. Men heeft het gevoel niet begrepen te worden. En pastoraal ben je dan zo uitgepraat.

Er kan soms sprake zijn van een opvoeding in een sfeer, waarin het heil werd verkondigd in een verkiezingssysteem. Van jongsaf aan is een broeder of zuster bijgebracht, dat het er weinigen zijn, die behouden worden. En dat die eerst op een bijzondere wijze van hun verkoren zijn verzekerd moeten worden, voordat ze de belofte mogen aanvaarden. Het moet je gegeven worden en de Geest moet het doen. Ik schets hier geen karikatuur. Er zijn ook in onze gemeente broeders en zusters, die ik om hun levenernst hoogacht, maar die met zo’n geestelijke erfenis worstelen. Vaak zie je bij zulke broeders en zusters best iets van de kenmerken van de ware christen. Het besef zondaar te zijn en alleen maar te kunnen leven, als de HERE genade bewijst. Men lijdt er oprecht onder niet meer zekerheid te bezitten. Beseft vaak ook wel, dat de HERE daardoor eer te kort komt.

Toch moeten we er dan voor oppassen te gauw op die kenmerken te wijzen. Ja maar, dat u dit of dat hebt, dat moet toch werk van de Geest zijn? Ik zei u al, in de belijdenis staat bij die kenmerken het geloof steeds voorop. En dat moet ook. Want hoe zou je anders ooit zeker weten, dat je jezelf in die kenmerken niet vergist? Het geloof is nodig om de kenmerken als ware kenmerken van Geesteswerk te zien. We mogen wijzen op de betrouwbaarheid van Gods belofte, die Hij zonder reserve en zonder voorwaarden laat verkondigen. En dat geloven ook is afzien van pogingen om met allerlei wijsheid en verstand door te dringen in de raad van God. De Here opent niet Zijn raad voor ons. Hij opent Zijn hand voor ons. En dan mogen wij eenvoudig als een kind de onze leggen in die van Vader. Daarvoor heeft de HERE Jezus zijn Vader toch gedankt, dat het heil van Zijn Koninkrijk voor kinderen is? Niet óók voor kinderen maar alléén voor kinderen. Voor de kleinen en voor de groten, die klein willen worden. Worden als een kind, dat alleen maar ontvangen kan. Dat is toch bekering?

Soms is er het wachten op een bijzonder teken. Een machtswoord. Een ingreep van boven. Een gevoel van vrede. “Misschien komt het pas op mijn sterfbed, zoals bij moeder ook gebeurd is.” Maar hoe weinig zekerheid ligt er in bijzondere tekenen? Even geven ze hoop maar spoedig daarna is er weer twijfel. “Kwam er maar een briefje uit de hemel, waar mijn naam op stond: Klaas Pieterse mag bij Mij horen.” Maar stel, dat dat gebeuren zou, zouden we ons dan niet vertwijfeld gaan afvragen of er ergens in de wereld misschien nog een Klaas Pieterse was? Er kwam een brief van de hemel: de Bijbel, Gods liefdesbrief voor zondaren. En als daarin nu staat, dat de HERE goddelozen rechtvaardigt, wie durft dan nog ontkennen, dat zijn naam daar wordt genoemd?

Laten we erop bedacht zijn, dat achter een verlangen naar een krachtdadige bekering soms een verlangen kan schuilgaan het leven in de zonde niet op te geven. Een oudere broeder zei pas nog tegen me: “De HERE heeft van jongs af aan in mijn hart de liefde tot Hem en Zijn dienst gewerkt. Moet ik dan werkelijk verlangen naar een bekering, zoals die van Paulus? Ik denk er niet aan, want dan zou ik nu moeten leven zoals Paulus voor zijn bekering”.

De toeëigening des heils kan belemmerd worden door onbeleden zonden. Soms van heel lang terug. Of door een slordige levensstijl. Hij kon maar nooit vrijmoedigheid vinden om Avondmaal te vieren. Hij was veel te bang voor een “gestolen Jezus”. Even later vertelt hij, dat het tegenwoordig niet meevalt om een zaak draaiende te houden. En natuurlijk tilde hij de belasting, anders kon je wel ophouden! Hij nam het me kwalijk, toen ik hem zei, dat hij zich misschien eerst eens wat meer druk zou moeten om die diefstal dan om een gestolen Jezus. Want de toeëigening des heils kan wel te maken hebben met fraude!

Wie oprecht verdriet hebben over hun zonden, die belijden en willen bestrijden, mogen we vertroosten. Wie hem aanroept in de nood, vindt zijn gunst oneindig groot. Horend en biddend werken met Gods beloften voor Zijn troon, dat is dan de weg naar meer zekerheid (Dordtse Leeregels I,16).

We moeten naar een afronding toe. Waar de Geest werkt, werkt Hij aan op blijmoedigheid en vrijmoedigheid. Op zekerheid in het geloof en zuiverheid in het leven. Dat vloeit allemaal als zegen voort uit de band, waarmee we door het geloof aan Christus verbonden raken. Maar laten we als ambtdragers daarin de vrijmacht van de Geest eerbiedigen. Er is volgens de belijdenis onderscheid in trap en mate. De Geest werkt bij iedere gelovige weer anders aan groei en bloei. Laten we daarin geduld hebben. Met anderen. Dan mogen we het ook hebben met onszelf.

Ik ben persoonlijk begonnen. Ik wil ook persoonlijk eindigen. Naar mijzelf toe maar ook naar U. Zouden wij er binnen onze eigen kerken en naar anderen toe niet naar verlangen, elkaar te helpen, dat de dingen die samenhangen met de toeëigening des heils, in de diepte en de volle breedte, de prediking en het pastoraat meer mogen stempelen en doortrekken? Dat de schrik des HEREN ons meer vervult om de mensen te bewegen tot het geloof. Want wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet. Maar het bloed van gemeenteleden, die zo moeten sterven, zal toch maar van ónze hand worden geëist! Maar waar Paulus spreekt over de schrik des HEREN (2 Kor. 5), heeft hij het ook over de liefde van Christus, die hem dringt. Het zal je als ambtsdrager toch maar gebeuren, dat door ónze dienst zondaren het leven vinden in die liefhebbende Zoon. Al is het maar één lid, jong of oud.

Laat aan ons te zien zijn, dat wij ook zelf het toepassend werk van de Geest zo nodig hebben. Er wordt geen dominee zalig, omdat hij dominee is. Geen ouderling behouden, omdat hij ouderling is. Geen diaken gered vanwege zijn ambt. Als wij ambtsdrager willen zijn met de talenten, die we van de grote Ambtsdrager moeten en mogen ontvangen, dan zullen wij tenslotte horen: “Wel gedaan, gij goede en trouwe dienstknecht! Over weinig zijt ge getrouw geweest. Over veel zal Ik U stellen. Ga in de vreugde van uw HEER”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.