+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Jullie zullen wel nagedacht hebben over het stuk dat we de vorige keer hebben geschreven. Want het is een stuk van gewicht. Het ging over de bewuste en ook onbewuste rechtvaardigmaking.

Wanneer een mens door God wordt wedergeboren dan is hij dus aan Gods kant rechtvaardig, ook al is hij zich dit dan persoonlijk, door het geloof, nog niet bewust.

De andere vraag, die hiermee samenhing, was deze: Kan men van „leven” spreken voor de rechtvaardigmaking?

Ook hier zou ik willen zeggen: Het is maar weer net zoals je het ziet, of van welke kant je de zaak benadert.

Als ik van het standpunt uitga, dat de rechtvaardigmaking of rechtvaardigverklaring, aan Gods kant, samenvalt met de wedergeboorte, dan zeg ik: neen! Vóór de rechtvaardigmaking is er geen leven. Want men is nog niet wedergeboren, men ligt nog dood in de zonden en misdaden. Men mist derhalve nog het leven.

Gaat men er echter van uit dat we slechts van rechtvaardigmaking kunnen spreken, wanneer dit bewust doorleefd wordt, en dat er dan voordien niet van „leven” gesproken kan worden, dan ben ik het daar niet mee eens. Degenen die dit voorstaan, houden dan alle „zoekende zielen” buiten de zaligheid. Men is dan wel een aardige jongen en een aardig meisje, maar men mist nog „alles”. Het is in feite nog „niets” met hen. Als ze zo sterven gaan ze nog voor eeuwig verloren. Want hun schuld staat nog open. Die is nog niet vergeven. Waar zouden dezulken op willen hopen?

De leiding, die van een dergelijke manier van redeneren uitgaat, is ook misleidend. Zo worden degenen, die het toch echt om de Heere te doen is, van de kant afgehouden. Men laat ze dan verder maar wat rondspartelen als een drenkeling in het water. Men roept hun hoogstens een paar goede wensen toe, vanaf „het droge” waarop men zelf staat, n.1. dat ze hopen dat het nog eens een keer goed terecht zal komen. Maar dan moet er nog heel wat gebueuren.

Gelukkig zijn zulke „harde heren” en ook „dames” aan het eind in-konsekwent. N.1. als die mensen, die hun hele leven getobd hebben, sterven, zonder ooit tot „de volle ruimte” te zijn gekomen, dan zou men ze „konsekwent” de zaligheid moeten ontzeggen. Want ze zijn nooit gerechtvaardigd. Ze hebben daarom nooit het leven gekend en zijn derhalve verloren. Maar, dat durft men dan niet. Men heeft er dan aan het eind toch nog wel hoop voor. Want, zo redeneert men dan, de kleintjes komen er toch ook. En: De Heere zal toch niet één bidder laten staan. Het kon voor hem of haar daarom nog wel eens meegevallen zijn. Nu, dat geloof ik ook wel.

Het is inmiddels maar erg jammer, dat men zo laat tot dit milde oordeel gekomen is en dat men het hele leven diegenen, die van geen rechtvaardigmaking konden spreken, zo hard heeft beoordeeld en vaak ver-oordeeld.

Wat al die uitdrukkingen betreft over bewuste en onbewuste rechtvaardigmaking, alsook: geen leven vóór de rechtvaardigmaking, geloof ik dat er veel begripsverwarring is ontstaan. Men kan die uitdrukkingen wel gebruiken als men ze maar op z’n plaats weet te zetten. Dan levert het geen gevaar op. Wie dan goed onderscheidt, leert goed. Maar dat is nu juist de zaak. Men gebruikt die uitdrukkingen wel, doch men weet eigenlijk niet waar men het over heeft.

Ik ben bang, dat velen ze maar „nazeggen”, zonder dat men verstand van’ de zaken zelf heeft.

* * *

Dus, om de zaken nu goed uit elkaar te houden, men kan spreken van een onbewuste rechtvaardigmaking/rechtvaardigverklaring, als het gaat over de rechtvaardigmaking in de vierschaar — rechtbank — Gods. Het is dan met zulk een zondaar aan Gods kant wel in orde, maar de zondaar is dit zichzelf nog niet bewust. Hij mist derhalve ook de troost, die er in de rechtvaardigmaking, wanneer deze door het geloof beleefd wordt, gelegen is.

Men kan ook spreken van een bewuste rechtvaardigmaking, wanneet men deze door het geloof heeft beleefd. Dan heeft men door het geloof verstaan, dat men om het bloed van Christus vrijgesproken is van schuld en straf en dat men nu ook om Zijnentwil een recht heeft op het eeuwige leven.

Men kan dus ook zeggen dat er vóór de rechtvaardigmaking geen „leven” is, wanneer men dan bedoelt de rechtvaardigmaking in de vierschaar Gods, die plaats heeft bij de wedergeboorte.

Zegt men echter dat er vóór de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie geen „leven” is, dat zijn wij het daar niet mee eens. We geloven ook niet dat dit bijbels is.

Denk b.v. aan die tollenaar uit de gelijkenis. Ik geloof, dat toen deze man met zijn schuld werd bekend gemaakt en hij als een arme zondaar uitgedreven werd naar de tempel, om daar belijdenis van zijn zonden te doen, hij een man geweest is met „leven”. Dat is niet eerst in hem gekomen toen hij vóór in die tempel een oog des geloofs op „het offer” mocht slaan, waardoor hij afging, gerechtvaardigd naar zijn huis.

Nu heeft dit proces zich in het leven van die tollenaar — het is een gelijkenis — wel heel gauw voltrokken.

Daar kan ook een hele tijd tussen liggen. Ik denk b.v. aan Jacob. Wie zal precies zeggen waar „het leven” bij hem begonnen is?

Zat het al in hem toen hij geboren werd en de hiel van zijn broeder vasthield? Hij was tenslotte van eeuwigheid verkoren. Dat leert de H. Schrift duidelijk. Want vóór de kinderen geboren waren, noch iets goeds of iets kwaads gedaan hadden, heeft de Heere gezegd: Jacob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. Maar daar wist Jacob natuurlijk niets van af toen hij geboren werd. Dus daar mogen we, als het over een beoordeling van het leven van Jacob gaat, niet van uitgaan.

Daarom vraag ik nogmaals: Zat het al in hem toen hij geboren werd? Werkte God toen al in hem? Of begon dit eerst toen Jacob de eerstgeboortezegen begeerde en deze op alle mogelijke wijze zijn broeder heeft zien te ontfutselen? Natuurlijk, daar zat heel veel verkeerds in die handelwijze van Jacob. Veel moet onvoorwaardelijk worden afgekeurd. Maar als hij zelfs een „vloek” riskeert, om toch de „zegen” maar te hebben, vloeide dit dan bij hem voort alleen uit materiële belangen, of waren de geestelijke belangen de uiteindelijke drijfveren van zijn handelen? Allemaal vragen, die gemakkelijker te stellen zijn dan te beantwoorden.

Zo zouden we natuurlijk door kunnen gaan. Als hij te Bethel zich bevond en daar een Godsontmoeting had in een droom, kunnen we daar zeggen dat „het leven” bij Jacob begonnen is? Of was het toen al in hem aanwezig of is het nog later pas gekomen? Dit is wel zeker: Het was Jacob uiteindelijk, door alles heen, om de Heere te doen. En dat, omdat het de Heere om Jacob te doen was. En toch is eerst te Pniël Jacob „recht” komen te staan voor God. Daar heeft Jacob al zijn schuld beleden. Daar heeft Jacob zijn naam leren spellen. Daar heeft Jacob om een zegen gesmeekt: Heere ik laat u niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent. Doch voor dat dit gebeurde, zeide de Heere: Hoe is uw naam? Jacob moest door het spellen van zijn naam aan de weet komen dat hij geen zegen verdiend had, maar wel een vloek, vanwege al zijn listige handelingen. Toen hij zijn naam spelde, is hem, stel ik mij voor, alle moed in de schoenen gezonken. Hoe kon hij, Jacob de bedrieger, op een zegen hopen? Hoe durfde hij, albederver, om een zegen vragen? En toen gebeurde het wonder. Toen het bij Jacob als ’t ware niet meer kon, toen zegende de Heere hem aldaar. Niet omdat Jacob dit verdiend had. Integendeel. Maar terwille van Hem, die toen nog in de lendenen van Jacob schuil ging, de Heere Jezus Christus. Die heeft voor hem de vloek gedragen. En daarom kon Jacob te Pniël door de Heere gezegend worden. Hij heeft dit bewust meegemaakt. Hij is daar zelf bij geweest. Hij heeft daar beleefd dat God geen zonde meer in Zijn Jacob zag, omdat Hij ze wilde zien in Jacobs Zoon, de Messias, waarvan hij de belofte met zich meegedragen heeft.

Ik heb dit stukje geschiedenis jullie alleen maar laten horen, om jullie te doen begrijpen, dat het met alle mensen niet op dezelfde wijze er naar toe gaat. Daar is de Heere vrij in. Hij leerde het de moordenaar in een enkel uur. Paulus kwam in drie dagen tot de bewuste wetenschap dat God hem aanzag in Jezus Christus en Die gekruist. Terwijl Jacob, zoals dit wel eens gezegd is, er twintig jaar over heeft moeten doen.

Doch hoe het ook zij, het is wel van betekenis dat ook jonge mensen deze dingen in hun leven aan de weet komen. Hebben jullie wel eens nagedacht over de vraag: Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? Niet voor mensen, maar voor God! We hebben uiteindelijk, of we jong zijn of oud, met God te doen. Ik hoop dat jullie daar allemaal maar veel mee te doen zullen hebben.

En dan neem ik nu weer met een hartelijke groet afscheid van jullie. Tot de volgende keer.

Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.