+ Meer informatie

De Reformatie en het Woord

8 minuten leestijd

4.

Luther naar de Rijksdag te Worms.

„Luther komt!” Deze tijding bracht mei 1521 Worms en omgeving in rep en roer. Luther was gedagvaard door keizer Karei V. Het bevel klonk: „Wij en de rijksdag hebben besloten u onder vrijgeleide te laten komen om vanwege uw leer en uw boeken, die enige tijd geleden door u verspreid zijn, inlichtingen te verschaffen. U moet binnen 21 dagen aanwezig zijn”. Menigeen twijfelde er aan, of Luther wel zou gaan. Zijn vijanden zagen ernaar uit, dat hij aan het bevel geen gehoor zou geven. Zijn eventueel vreesachtig wegblijven zou een dodelijk wapen zijn tegen zijn werk. Onder zijn vrienden waren er, die probeerden hem ervan terug te houden. Hun stond voor de aandacht wat er een eeuw geleden met Johannes Huss was gebeurd, die ook op het keizerlijk vrijgeleide had vertrouwd en desniettemin te Constanz verbrand was geworëden. Luther geloofde echter, dat de Heere hem riep, vandaar zijn uitspraak: „Wat mij betreft, ik zal gaan, en als ik er niet gezond kan komen, zal ik me ziek erheen laten dragen. W ant ik mag er niet aan twijfelen, dat God me roept, als de keizer me ontbiedt. En wanneer zij mij, wat waarschijnlijk is, grijpen - want ze zullen me wel niet roepen om zich door mij te laten onderwijzen - dan moeten wij de zaak aan God overlaten. Want ook nu leeft en regeert nog dezelfde God, Die de drie jongelingen in de vurige oven van de koning van

Babel behoedde...... Ge kunt alles van mij

verwachten, maar niet, dat ik zal vluchten of herroepen; vluchten zal ik niet, herroepen nog minder. Daartoe sterke mij de Heere Jezus! ”Op de weg naar Worms ging Luther door verschillende plaatsen en overal werd hij hartelijk ontvangen. Te Erfurt, zijn oude studiestad, werd hij opgewacht dooreen grote erewacht van burgers en studenten. Hier bleef hij de zondag over. Op die dag, het was juist Pasen, preekte hij met vermaak over de tekst: „ Vrede zij ulieden; en Jezus dit gezegd hebbende, toonde hun Zijn handen en Zijn zijde”. Vanaf Erfurt ging zijn jonge vriend professor Justus Jonas mee. Alexander deed al zijn best om Luther nog af te schrikken. In verschillende plaatsen verbrandde hij openlijk zijn boeken en plaatste een biljet, waarin stond, dat Luther naar Worms was ontboden om alles te herroepen. Onverschrokken ging Luther echter zijn weg. Enkele uren voor hij Worms binnenrijdt, komt nog een verzoeking tot hem. Het is een bode van de hof-geestelijke, één van Luthers beste vrienden, die hem liet aanraden terug te keren, daar zijn vijanden zijn ondergang gezworen hadden. Nu ontsteekt Luther in heilige toorn: „Ga! ”antwoordt hij de bode, „en zeg uw meester, dat al waren er zoveel duivelen in Worms als pannen op de daken, toch zal ik er binnengaan. Ik zal Worms binnengaan, alle poorten der hel ten spijt”. Luther bezweek niet. Had hij in eigen kracht en voor zijn eigen zaak gestaan, hij zou zeker bezweken zijn. Later heeft Luther zich soms zelfs verbaasd over zijn geloofkracht, die hem in de dagen van Worms bezielde. Enkele dagen voor zijn dood, toen hij terug zag op zijn levensweg, betuigde hij ootmoedig: „Ik was toen onverschrokken; ik vreesde niets. God kan iemand zulk een stoutmoedigheid geven. Ik weet niet, of ik thans zoveel vrijmoedigheid en blijdschap hebben zou”. Wanneer hij in Worms de huifkar verlaat zegt hij: „God zal mijn Beschermer zijn”.

De beslissende dag in Luthers leven brak aan: 17 april 1521. Het was Luther bang. Zijn moed ontzonk hem. Zijn geloofsoog benevelde. Donker werd het om hem heen en in die duisternis lispelde de tong van de aartsverleider, dat hij dan toch maar iets moest toegeven. Luther zocht kracht daar, waar ze alleen te vinden is: in het gebed tot de God van zijn leven. In de regel is het gebed van Gods kind van zo’n intieme aard, dat hij er nauwelijks met zijn beste vrienden over spreekt: ’t blijft het geheim tussen God en zijn ziel. Maar Luther heeft goed gedaan, dat hij voor de gebedsgemeenschap, die hij oefende met Zijn Vader in de hemelen op de morgen van die voor Christus’ kerk in de middellijke weg beslissende dag een uitzondering maakte en de hoofdinhoud van zijn gebed heeft meegedeeld aan zijn vrienden. Het waren meest korte uitroepen. Een gebed uit de diepte. „Almachtige God! Eeuwige God! Hoe verschrikkelijk is de wereld! Hoe opent zij de mond om mij te verslinden! En wat heb ik weinig vertrouwen op U! Hoe zwak is het vlees en hoe machtig is de satan! Indien ik op hetgeen machtig is naar de wereld mijn hoop zou stellen, dan is het met mij gedaan! O, God! Mijn God! Help mij tegen al de wijsheid der wereld! Doe het! Gij moet het doen! Gij alleen....

want het is niet mijn werk, maar het Uwe

Het is Uw zaak, o God en die zaak is rechtvaardig en eeuwig. Getrouwe God, onveranderlijke God! Ik verlaat mij niet op enig mens. Dat is tevergeefs! Al wat van de mens is, wankelt! Al wat van de mens komt, bezwijkt. 0, God! Hoort Gij niet? Mijn God, zijt Gij dood? Neen, Gij kunt niet sterven! Gij verbergt U slechts! Gij hebt mij tot dit werk verkozen. Ik weet het”. Zo bad en pleitte hij. Tijdens het bidden gaf God Hem geloofsvertrouwen, vandaar zijn belijden in het gebed: „Ik zal mij niet van U scheiden, noch heden, noch in alle eeuwigheid. En al werd de wereld vervuld met boze geesten, al moest ik mijn lichaam, dat echter het werk Uwer handen is, gedood, uitgerekt, in stukken gehouwen worden, ja tot stof vermalen, mijn ziel is Uwe. Ja, ik heb Uw Woord tot waarborg. U behoort mijn ziel! Zij zal eeuwig bij U blijven! Amen! 0 God, help mij! Amen!” Ontroert u niet als u dit gebed leest? Zulk een gebed wordt in de hemel gehoord en verhoord. Dat heeft Luther ondervonden. Als een moedige leeuw gaat hij het bisschoppelijke paleis binnen. Daar werd de zitting van de rijksdag gehouden. In de zaal bevinden zich de keizer, 128 hertogen, 11 graven, 30 bisschoppen, 200 vorsten en 3000 toehoorders. Onder hen is er niet één, die naast Luther staat. Luther staat alleen, doch hij is niet alleen. God is met hem. Luther werd vlakbij de tafel geplaatst, waarop al zijn boeken lagen. De kanselier

van de aartsbisschop van Trier nam het woord: „Maarten Luther! Zijn heilige en onoverwinbare keizerlijke Majesteit heeft u voor zijn troon gedagvaard, overeenkomstig het gevoelen en de raad der staten van het heilige roomse rijk om u te gelasten op twee vragen te antwoorden: Vooreerst, erkent gij dat deze boeken door u vervaardigd zijn? Ten tweede, wilt gij die boeken en hun inhoud herroepen, of volhardt gij bij hetgeen gij geschreven hebt? ”’

Luther antwoordde in het latijn en het duits: „genadigste keizer! Genadigste vorsten en heren. Zijne keizerlijke Majesteit legt mij twee vragen voor. Wat de eerste betreft, ik erken de boeken, welke daar opgenoemd zijn als de mijne, ik kan ze niet verloochenen. Wat betreft de tweede: Aangezien het een vraag is, welke het geloof en het heil der zielen betreft en waarbij het Woord Gods, dat is de grootste en kostbaarste schat in hemel en op aarde, gemoeid is, zou ik onvoorzichtig handelen, bij aldien ik zonder overdenking antwoordde. Daarom smeek ik zijne keizerlijke Majesteit in alle onderdanigheid mij tijd te willen verlenen, opdat ik antwoorde zonder het Woord Gods aan te randen”.

Na beraad werd hem 24 uur gegeven. De hele nacht bracht Luther in gebed door. De volgende dag hield hij de volgende rede: „Ik heb boeken geschreven, die het geloof en de zedelijkheid opbouwden. Vriend en vijand zijn het er over eens, dat dit goede boeken waren. Het zou wel heel dwaas zijn, wanneer ik deze zou herroepen. Er zijn ook boeken bij, die aantonen op welk een verderfelijke weg het pausdom en de roomse kerk zich bevinden. Ik heb ze uit volle overtuiging geschreven en zou me schamen om deze te herroepen, daar ze de waarheid bevatten. Als men mij overtuigen kan van ongelijk, dan zal ik ze herroepen. Dit mag ik echter eisen, dat men mij uit Gods Woord bewijst, als ik dwaal. Zelfs Christus, Die de waarheid was, zeide voor de hogepriester: „bewijs Mij, dat Ik verkeerd gesproken heb”.

Tenzij ik met getuigenissen der Schrift, of op klare en duidelijke gronden overtuigd word, zo kan noch wil ik iets herroepen, omdat het niemand geraden is iets tegen zijn geweten te doen”.„Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!”

Luther bezweek niet. Hij bleef pal staan voor de waarheid Gods. En voor hem erd waar: „Wie Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.