+ Meer informatie

OVER BESCHOUWINGEN NAAR AANLEIDING VAN DE KINDERDOOP

9 minuten leestijd

Een reactie op
Moeten kinderen worden gedoopt?
van ds. A.M. Lindeboom
(Uitg. Kok - Kampen 1978).

Ds. A.M. Lindeboom, emeritus-predikant van een Gereformeerde Kerk, schreef een warm pleidooi voor het goed recht van de doop van de kinderen van de gemeente. In een tijd waarin er nogal eens aan de rechtmatigheid en de betekenis van de kinderdoop getwijfeld wordt, is dat bepaald niet overbodig.

In een enigszins andere vorm verscheen zijn geschrift - dat uit 1960 dateert - in 1965 in een derde druk onder de titel „Moeten kleine kinderen worden gedoopt?” De beschouwing van de kinderen van de gemeente, die de gereformeerde synode, blijkens een hele reeks uitspraken tot de zgn. Vervangingsformule van 1946 toe, voorstond, werd daarin eenvoudig maar krachtig verdedigd. „Eerst het heil en dan de doop”. Volgens ds. Lindeboom gaat het er bij de kinderen niet alleen om, hoe wij ze na de doop beschouwen, doch ook daarvoor. „En dan kan het wel niet anders of wij zullen ze reeds vóór hun doop moeten zien in het licht van Gods genade, van Zijn heil, begiftigd met Zijn Geest, gewassen door Jezus’ bloed”. Hij vraagt zich zelfs af, of het gebed om genade en inlijving in Christus bij de doop geen aanleiding kan geven tot misverstand. De inlijving is er toch al? Men moet de kinderen voor wedergeboren houden of uitspreken dat ze deel hebben aan Gods wederbarend handelen. Op het dopen op grond van veronderstelde wedergeboorte heeft Lindeboom enige kritiek, maar hij wil de wedergeboorte wel veronderstellen op grond van de doop. De doop moet volgens hem vooral niet opgevat worden als een schenking in de belofte die pas tot werkelijkheid wordt in geval van geloof. De belofte is meer dan een toezegging. Bij de doop mag men zeggen, dat de gemeente - en dat zijn niet alleen de volwassenen, maar ook de kleine kinderen - deelt in het beloofde heil.

Uit de jaren vóór 1960 zijn allerlei grotere en kleinere geschriften van theologen uit de Geref. Kerken in Nederland te noemen waarin een soortgelijk standpunt onder woorden wordt gebracht, dat gemakshalve aangeduid wordt als het synodale standpunt.

Men merkt er in publikaties echter veel minder van dan vroeger. Is het niet meer en meer op de achtergrond geraakt? Er is een tijd geweest waarin men wist waar men aan toe was, maar wat wordt er nu in de Geref. Kerken geleerd over verbond.doop en wedergeboorte? Wel heeft de gereformeerde synode bij de behandeling van het vraagstuk van de toelating van kinderen tot het avondmaal de kinderen „gedoopte gelovigen” genoemd (vgl. Ambtelijk Contact, 18e jrg., blz. 319). Dat wijst m.i. in een bepaalde richting.

Toen de Vervangingsformule in 1959 door de synode terzijde werd gesteld, hoewel zij vasthield aan de rechtmatigheid ervan, werd door de rapporterende commissie geklaagd over een reeks van verschijnselen die voor de confessionele duidelijkheid en voor de kerkelijke vrede op de duur schadelijk te achten waren, zoals indifferentisme en afkeer ten aanzien van hetgeen er zakelijk aan de orde was, speciaal bij vele jüngeren; mythe-vorming ten aanzien van de leerbeslissingen bij vele onkundigen; vermoeidheid ook bij de kerkelijke vergaderingen om op de naleving van de leerbeslissingen toe te zien en een niet zelden uitdagende houding van sommige bezwaarden. Dat is nu al weer twintig jaar geleden. De ontwikkeling die gesignaleerd werd, is doorgegaan. Wie neemt het nu nog op voor de synodale leerbeslissingen en tuchtmaatregelen uit de laatste jaren van de tweede wereldoorlog?

Daar komt nog iets bij. Wat indertijd werd uitgesproken en gesanctioneerd, maardaarna terzijde werd gesteld, hangt samen met een massieve gemeentebeschouwing die in de Geref. Kerken lang staande gehouden is. Maar dat uitgangspunt lijkt niet erg bruikbaar, nu de roep gehoord wordt om een persoonlijke beleving van de doop die meer in overeenstemming is met de eigen geloofsbeslissing.

Om dit alles verdient de vierde druk van het boek van ds. Lindeboom de aandacht. Daarin is weer het een en ander verwerkt van wat hij onder verwijzing naar literatuur geschreven heeft in de eerste hoofdstukken van het grotere werk „In het uur van bezinning, 2 / in Jezus ingedoopt” (1973).

Gelet op dit laatste boek was van Lindeboom een onversneden synodale leer te verwachten. Een van de hoofdstellingen van het betoog is de eenheid van de gemeente die de Heilige Geest ontvangen heeft. De kerk is „niet te vergelijken met een groot lokaal, waarin schuifdeuren zijn aangebracht om tweeërlei soort gemeenteleden, kinderen en grote mensen, van elkaar te scheiden, omdat van beide groepen niet hetzelfde zou kunnen worden gezegd”. Alles wat van de gedoopte gemeente als geheel kan worden gezegd, mag ook gelden van het kind van gelovige ouders dat gedoopt wordt. Dan wordt gewezen op uitspraken van Paulus: Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God (1 Cor. 6:11) en: Hij heeft naar Zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort (Tit. 3 : 5, 6). Het woordje „allen” voegt Lindeboom op blz. 52 tweemaal tussen haakjes toe aan het woordje „ons” in de tekst. Hij besluit dit gedeelte met de opmerking: Dat alles geldt van de gedoopte gemeente als geheel en dat alles mag dus ook gelden van onze kinderen.

Er staat in dit boek ook wel ergens, dat dit geen aanleiding mag geven tot zorgeloosheid en valse gerustheid, maar er wordt geen recht gedaan aan wat in de Brief aan de Hebreeën en in Openb. 2 en 3 aan het adres van de gemeente gezegd wordt. Eén aanhaling moge in dit verband voldoende zijn: Laten wij er dus ernst mee maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen (Hebr. 4:11).

En 1 Cor. 6 : 11 en Tit. 3:5,6 dan? De apostel spreekt hier tot en over mensen die hun geloof in Christus hebben beleden. De heiliging en de rechtvaardiging zijn door hen in de weg van het geloof ontvangen. Lindeboom meent dat geloof of althans die innerlijke werking van de Heilige Geest waardoor het tot het geioof komt, per conclusie bij alle gedoopte kinderen van de gemeente te mogen veronderstellen, maar daar is nu juist geen bijbelse grond voor. De belofte van het verbond der genade is er echter wel, zowel voor de ouders als voor de kinderen!

Ds. Lindeboom verbindt consequenties aan zijn opvatting. Dat komt uit in wat hij zegt over de openbare belijdenis van de doopleden van de gemeente. Voor hen die de doop zien als een opwekking tot bekering waarbij teruggegrepen kan worden op de belofte die God bij de doop gaf, is de belijdenis een stap vooruit. Dat is de meest voorkomende gedachte. Daartegenover stelt Lindeboom dat wie belijdenis doet, blijft staan op de plaats waar God hem heeft gesteld, en dat wie (op de duur) geen belijdenis doet, een stap achteruit doet.

Overigens zou men hem de vraag kunnen voorleggen, waarom de belijdenis van het geioof nog nodig is, als de kinderen al gedoopt zijn met de Heilige Geest. Kunnen zij dan niet zonder belijdenis worden toegelaten tot het heilig avondmaal?

Met de scherpe bestrijding van de visie van de vrijgemaakten in het werk uit 1973 loopt een deel van het betoog in „Moeten kinderen worden gedoopt?” parallel. Het is een ernstige vertekening van de zaak, als het zo wordt voorgesteld, dat er bij de vrijgemaakten - gedacht wordt aan theologen als prof.dr. K. Schilder, prof.dr. S. Greijdanus en ds. D. van Dijk - sprake was van een terugdringen van de Heilige Geest over heel de linie en dat dit de grote onoverkomelijke fout was die er tenslotte oorzaak van werd dat de Geref. Kerken deze beschouwing hebben afgewezen (blz. 86). Als bij het verbond, de doop, het „in Christus geheiligd” van het doopsformulier en zelfs bij het sterven van een zuigeling over de wedergeboorte wordt gezwegen, bestempelt Lindeboom dat als een ernstige afwijking. Hij zou gelijk hebben, als dan over de belofte van de wedergeboorte en over de schenking van het heil in de belofte werd gezwegen. Maar daarvan mag hij de voorstanders van de andere opvatting niet verdenken. Elke wettige doop is voor hen een volle doop, waarbij ook de belofte van de Heilige Geest wordt verzegeld, maar wij staan voor het raadsel, dat niet iedere gedoopte in het volle heil deelt.

Wie van de veronderstelling van de wedergeboorte uitgaat, moet zeggen dat zij in die gevallen onjuist bleek. Wie uitgaat van het genadeverbond met zijn beloften en eisen, kan dan wijzen op de grote verantwoordelijkheid die wij hebben.

Sterker dan in de voorgaande uitgaven van zijn geschrift over de kinderdoop benadrukt de schrijver nu zijn Stelling, dat de doop in de kerk de doop met de Heilige Geest is. Waar dat mee in verband Staat? Er gingen in de loop van de jaren leden en ambtsdragers heen die zich eiders lieten herdopen, en sommigen streefden in bepaalde groepen naar een rijke geestelijke ervaring, die behalve vervulling met de Heilige Geest ook dikwijls doop met de Heilige Geest genoemd wordt. Toch is het nog zeer de vraag, of men tegenover hen iets bereikt met de Stelling die hier verdedigd wordt.

Al met al kan ik niet inzien, dat er iets mee gewonnen is. Integendeel.

Een theoloog als ds. A.M. Lindeboom heeft de beste bedoelingen gehad met de polemiek die hier in het kort werd weergegeven.

Hij zou willen dat wij, wat de beschouwing van genadeverbond en doop betreft die in de Geref. Kerken geleid heeft tot het grote conflict, samen tot een nieuw begin trachten te komen (blz. 83). Helaas is zijn boek daarvoor geen goed begin. Het zou beter zijn, als wij ons samen verdiepten in de gedachten van Calvijn, die we ook in de leer van verbond en sacramenten allen moeten kunnen volgen, omdat hij de boodschap van de Heilige Schrift erin heeft verstaan en doorgegeven. Lindeboom citeert hem een keer. Maar we moeten bedenken, dat Calvijn niet alleen veel meer, maar ook nog heel wat anders heeft gezegd dan op blz. 91 wordt aangehaald. Het woord „beschouwing” komt in allerlei geschriften in verband met dit onderwerp tamelijk veel voor.

Vanuit de verbondsrelatie en de verbondspositie mag de vraag wel gesteld worden, hoe we de kinderen van de gemeente moeten zien. Als daarbij maar niet uit het oog verloren wordt, dat het er in het verbond van God met de kinderen van de gelovigen en bij hun doop om gaat dat ze zelf zullen zien, wie de Here naar Zijn belofte voor hen wil zijn. Dan zullen ze hun doop verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.