+ Meer informatie

Tweede Kamer · "Zwakke vrouwenhanden"

5 minuten leestijd

Het zal wel even wennen zijn, te zijner tijd. Koning Willem de Vierde in plaats van koningin Beatrix. Een koning in plaats van een koningin. Er is een paar jaar geleden zelfs al een boekje geschreven met bespiegelingen over de overgang van een matriarchaat naar een patriarchaat - van een vrouwenregering naar een mannenregering.

Roer van staat

Zoals het voor óns wennen zal zijn aan een koning, zo was het voor eind-19*eeuwers wennen aan een koning/n. Het was in die dagen vanzelfsprekend dat de publieke zaak alleen werd gediend door mannen.Wet- en regelgeving gingen er van uit dat de man het'hoofd van de echtvereniging' was - dus ook het 'hoofd van de staat'. Hoe zou dat nu verder moeten met een vrouw, het 'roer van staat in zwakke vrouwenhanden'? En dat in een tijd waarin de sociale tegenstellingen zich toespitsten (opkomst van het socialisme).

Tweede en Eerste Kamer kregen deze vragen voor het eerst op hun bordje in 1884. Toen moest er beslist worden wie er als regent zou mogen optreden voor het onverhoopte geval dat de koning (Willem lil) uit zou vallen. Het toenmalige kabinet van de conservatief Heemskerk had na ampel beraad de keuze laten vallen op koningin Emma, de tweede vrouw van Willem III. De ministerraad was nagenoeg unaniem over deze voordracht.Alleen ministerWeitzel van Oorlog bleef gereserveerd. Hij betwijfelde of de nog zeer jonge (26 jaar) en amper in Nederland ingeburgerde Emma die hoge en zware taak aan zou kunnen. Zij kende de "Nederlandsche toestanden, belangen, geschiedenis en instellingen" toch amper?

De echo van deze aarzelingen in de ministerraad, klonk door in de Tweede Kamer, en wel in de woorden van twee liberale afgevaardigden. Ook zij vonden het vooruitzicht van een vrouw op de troon maar zo-zo. De befaamde Sam(uël) van Houten liet optekenen er niet veel fiducie in te hebben. Zijn partijgenoot Daniël van Eek dacht er net zo over. Om niet al te onhoffelijk te zijn, formuleerden Van Houten en Van Eek hun bezwaren vragenderwijs."Hoe achtenswaardig ook de vrouw zij aan wie men deze gewichtige taak zal opdragen, kan men over het algemeen die zelfstandigheid, die kracht bij haar veronderstellen, welke voor die taak vereischt wordt? Zou men kunnen aannemen dat zij die talenten heeft en de kennis bezit, die nodig zijn om haar te vrijwaren voor het gevaar van op het dwaalspoor te worden gebracht? " De goede verstaander kon het antwoord tussen de regels door horen: nee.

Gemeengoed

Ook in de hoek van de confessionele partijen waren er bezwaarden. Dat had vooral te maken met de klassiek-bijbelse opvatting over de verhouding manvrouw. Die luidde dat vrouwen vooral toegerust zijn voor gezinstaken en de verzorgende beroepen. Het landsbestuur was daarentegen een mannenzaak. In Rooms-katholieke en protestantse kring was deze uitleg van de Schrift gemeengoed, en werd er ook naar gehandeld. Abraham Kuyper, de 'geweldige' antirevolutionaire voorman, had bij de geboorte van Wilhelmina in 1880 in zijn lijfblad De Standaard al de hoop uitgesproken dat er nóg een kindje zou worden geboren, maar dan wel eentje -zoals hij het schreef- "van het goede geslacht." Tact was niet Kuypers sterkste kant...

Degene die de confessionele bedenkingen in het parlement verwoordde, was de antirevolutionair L.W.C. Keuchenius. In de verenigde vergadering van de Staten-Generaal spitste hij zijn vragen toe op het vrouw-zijn en moederschap van de toekomstige regent. En net als de li­ berale twijfelaars, moest ook Keuchenius erkennen dat Emma nog maar erg kort in Nederland was; hoe kan van deze nog zo jeugdige vrouw, "afkomstig uit een vreemd Rijk, nog slechts vijf jaren in het vaderland gevestigd, gevorderd worden dat zij, onder aanroeping van God almachtig, zwere dat zij de Grondwet zal handhaven...? "Verder vond de geachte afgevaardigde uit Gorinchem het problematisch dat een moeder, Emma, trouw moest zweren aan haar minderjarig kind, Wilhelmina. Een moeder moet toch tucht uitoefenen over haar kind?

Geenerlei waarde

Tegenover degenen die een koningin niet zagen zitten, stonden anderen die een vrouwelijk staatshoofd juist verwelkomden.Vooral in kringen van de toen opkomende vrouwenbeweging leefde de verwachting dat de komst van een vorstin een steun in de rug zou zijn voor de nog prille vrouwenbeweging. "Waar de handtekening van een vrouw als koningin kan beslissen over het lot van den geheelen staat, daar kan de handtekening van de overige vrouwen niet langer als van nul en geenerlei waarde worden beschouwd, " schreef een van de eerste feministes hoopvol. Ten paleize werden geregeld petities met vrouwenwensen aangeboden. Daar zou men nu niet omheen kunnen, dachten de dames.

Ze kwamen bedrogen uit. De door hen zo vurig gehoopte feministische opleving bleef uit. Noch regentes Emma, noch koningin Wilhelmina voelden zich solidair met de Nederlandse suffragettes. De confessionele bezwaren losten al vrij snel op in een sterke traditie van oranjegezindheid. Een vrouw op de troon wrikte weliswaar met het bijbelse beginsel, maar dat moest maar voor lief worden genomen.Ten slotte de liberale angst en vreze voor de toekomst van het vaderland. Die werd niet bewaarheid. Integendeel.Toen koning-tegenwil-en-dank Willem III in 1890 overleed, stond de monarchie er allerbelabberdst voor Het is aan de inzet te danken van de koninginnen Emma en Wilhelmina dat deze neergaande lijn werd omgebogen. Koningin Beatrix, die er het hare nog aan toevoegde, plukt daar nü nóg de vruchten van. En als Willem-Alexander tijd van leven krijgt, hij óók.

Menno de Bruyne

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.