+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We hebben jullie nu al drie keer geschreven over het onderwerp „dominee worden”.

We hebben gehoord, dat daartoe voor alle dingen nodig is, dat men genade kent. Zie de vorige artikelen.

Doch als men genade kent en zelfs begeerte kent naar het „opzienersambt”, is dit dan een bewijs, zonder meer, dat men daartoe nu ook geroepen is?

En dan geloof ik te mogen zeggen, dat iemand, die het ernstig neemt met deze zaak, het er niet mee zal kunnen doen.

Want al is hij nu in beginsel bekeerd, al kent hij iets van de heilgeheimen, die God naar Zijn vreeverbond aan Zijn volk en kinderen bekend maakt, en al heeft hij bij tijden een begeerte om de Heere te dienen, hij zal het toch van boven moeten weten of hij daartoe door de Heere wel werkelijk geroepen is. Want het is toch geen kleine zaak om de tolk van God tot het volk te zijn en de tolk van het volk tot God. Met andere woorden: om ambtelijk tussen de Heere en de gemeente in te moeten staan.

Veronderstel eens, dat een vaderlandslievend jong mens begeerte zou hebben om in dienst van de Koningin werkzaam te mogen zijn. Dat zou niemand hem kwalijk nemen. Niemand zou hem voor een rebel verslijten. leder zou dat in deze jonge man prijzen. En als deze jonge man nu zonder geroepen tezijn, zonder door de Koningin in dienst genomen te zijn, maar op eigen gelegenheid voor Haar zou gaan werken, ik denk, dat de Koningin, ondanksal des mans goede bedoelingen, toch zou zeggen tegen hem: Lieve vriend, wie heeft jou opdracht gegeven om voor Mij te werken? Ik heb je daartoe nooit aangenomen. En daaroni: maak dat je wegkomt!

Dit is natuurlijk maar een beeld. Misschien zou de Koningin anders oordelen. Misschien zou ze zeggen: Zulke enthousiaste jonge mannen kan ik gebruiken, dus zal Ik je dan nu meteen maar officieel in Mijn dienst nemen. Dat zou allemaal kunnen. Maar het risiko zit er niettemin toch in, dat hij weggestuurd wordt. Het blijft dus een hachelijke onderneming om op een begeerte zonder meer maar in dienst te treden, zelfs bij een aardse vorstin. Hoeveel te hachelijker is dan de onderneniing om op grond van een begeerte in dienst zich te stellen van de Koning der koningen en de Heere der heren. Deze toch heeft alleen diegenen in Zijn dienst, die daartoe door Hem geroepen zijn. „Niemand neme zichzelf die eer aan, dan die er toe geroepen zijn, gelijk het huis Aärons”.

Bovendien, iemand, die de Heere vreest, leeft met de Bijbel en daar komt hij het herhaaldelijk in tegen, dat God „geroepen” dienstknechten heeft. Daar konden de profeten van getuigen en de apostelen ook. En daar zal toch elke dienaar des Woords iets van moeten weten.

Dat er „roeping” tot het ambt moet zijn, wordt algemeen nog wel aangenomen. Zelfs de wereld zegt nog wel als ze werkelijk met een „geroepen ambtsdrager” in aanraking komt, „die al de dag niet zwijgen kan”: Daar moet je toch werkelijk wel roeping voor hebben.

Nu, als de wereld dat zegt, dan heeft ze daarin volkomen gelijk.

Dit moge dan, tussen haakjes, dienen als een bewijs ,.van de andere kant”, dat roeping noodzakelijk is.

Maar wat is nu roeping? De een zegt: Dat gevoel je. Ik voel me geroepen, zo heet het dan. Nu ben ik erg bang als een mens op zijn gevoel afgaat. Want dat wisselt nogal eens. Vandaag gevoelt men dit en morgen weer wat anders. Neen, het gevoel is een heel wankele basis om daarop de roeping te baseren. Er zijn er in de loop der tijden dan ook al heel wat geweest, die door de grond van hun gevoel zijn heengezakt. Eerst gevoelden zij er alles voor om dominee te worden. Doch toen ze met de werkelijkheid werden gekonfronteerd, zijn ze van „gevoelen” veranderd en daarom ook „gelukkig” maar wat anders geworden. Het is ten deze ook beter „ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald”.

Een ander zegt: Je bent geroepen als je door de gemeente beroepen wordt. Want er staat in het bevestigingsformulier: En ten eerste vraag ik u of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettig van Gods gemeente, en mitsdien van God Zelf, tot deze heilige dienst geroepen zijt?

Zie je wel, zegt men dan, als je door de gemeente wettig beroepen bent, met beroepsbrief enz., dan ben je door God Zelf tot die heilige dienst geroepen.

Je zou haast zeggen: Wat hebben we nog meer voor getuigen van node?

Nu laten we deze vraag in het formulier maar rustig staan. We hebben ten deze echt nog geen behoefte aan verandering.

We zouden er echter wel bij widen aantekenen deze vraag: Wat verstaat men onder de gemeente? De vraag spreekt over „Gods gemeente”. Kan ik al degenen, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd, daar zonder meer in waarheid toe rekenen? Als men daar van uit gaat, en dat is het ideaal in de formulieren gesteld, dan is het vrij eenvoudig.

Maar een ieder weet, dat de realiteit (werkelijkheid) een andere is. Want een ieder, die belijdenis deed, ook al heet dat belijdenis des geloofs, is daarom toch nog geen gelovige in de ware zin van het woord. Het is ook heden ten dage nog niet „al Israël” wat „Israël” genaamd wordt.

Ten dage van Samuel wilde het volk Israël een koning „net als de andere volken” hadden. Al was het dan een Saul, dat mocht niet hinderen, als het maar een koning was. En ze kregen een koning. Hij was nog geroepen ook. Maar niet „in de gunst Gods”. En zo gebeurt het heden ten dage nog. Als men maar een koning heeft, als men maar een dominee heeft, en daarom „beroept” men maar. En dan kan natuurlijk elke dominee zeggen: Ik ben door de gemeente en mitsdien door God Zelf geroepen.

Nu is de praktijk er al weer om te bewijzen, dat dit toch niet altijd opgaat. Want hoevelen zijn er niet, die uitgesproken hebben „in hun hart te gevoelen, dat ze door Gods gemeente wettig, en mitsdien door God Zelf, geroepen waren”, terwijl ze na verloop van kortere of langere tijd hun ambt neerlegden en daarmede blijk gaven toch niet door de Heere geroepen te zijn geweest „in Zijn gunst”, ook al waren ze dan door de gemeente, bij wijze van spreken, honderd maal geroepen.

Ieder, die het ernstig met de roeping tot het ambt neemt, zal het daarom ook met die zinsnede uit de vraag van het bevestigingsformulier niet kunnen doen.

Een derde maakt zich sterk met de „voorzienigheid Gods” en zoekt daar zijn roeping op te bouwen. Men redeneert dan aldus: Ik heb van de Heere een goed stel hersens gekregen. Ik heb mogen studeren en ben alle examens goed doorgekomen. Ik heb me daarna aangemeld om dominee te worden en het is alles zo geleid, dat ik uiteindelijk met goed gevolg eindexamen heb kunnen doen en nu ben ik dominee. Als ik let op Gods leiding in mijn leven, dan geloof ik daaruit te moeten besluiten, tot het ambt van predikant geroepen te zijn.

Tegen deze redenering is, oppervlakkig gezien, weinig in te brengen. Want ook wij geloven in de voorzienigheid Gods. Stel je voor dat we dit niet deden. We zouden onszelf onder de loep moeten nemen. We doen daar dus niets van af, n.l. van het geloof in de voorzienigheid Gods. Want die gaat over alle dingen. Het leven van elk mensenkind wordt daardoor bepaald. Er gebeurt niets bij geval. Doch of men daarmee klaar is ten opzichte van de roeping tot het predikambt, is voor mij nog een andere vraag. Want uiteindelijk wordt alles door de voorzienigheid Gods geleid. Het gaat daarom ook niet buiten de voorzienigheid om als er een moord gebeurt. Maar niemand zal zich dan met een beroep op Gods voorzienigheid kunnen vrijpleiten en zeggen: het moest alzo gebeuren.

We widen hiermede niet zeggen dat Gods voorzienige leiding niet een woordje méé kan spreken in de vaststelling van een eventuele roeping tot het ambt, maar beslissend mag dit mijns inziens niet zijn.

En ik geloof, nogmaals, dat iemand die ernst maakt met de roeping, het daar ook niet mee zal kunnen doen.

Daar is nog iets anders en méér nodig dan alle bovengenoemde zaken, om als bewijs te kunnen dienen, dat men tot het wondere ambt geroepen is.

Doch, beste vrienden, ik ontdek, dat ik al weer aan de maat ben wat de lengte van mijn stuk voor deze keer betreft.

Denkt over al deze dingen maar eens ernstig na, en als je er mee loopt of je wel geroepen bent, zoekt het dan van boven te weten te komen. We willen dan een volgende keer er nog iets over schrijven.

Inmiddels zijn we het nieuwe jaar weer ingegaan. Als je dit leest is de maand januari al weer half verstreken. Daar we ten opzichte van jullie tot nu toe in gebreke gebleven zijn, widen we je toch voor het jaar 1970 nog toewensen: Gods onmisbare zegen. Want die alleen maakt rijk en gelukkig. (We schrijven nu nog 29 dec. 1969).

Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.