+ Meer informatie

De jaarvergadering

17 minuten leestijd

Precies tien uur wordt deze vergadering door ds. H. Rijksen geopend. Uit alle delen des lands zijn de leden der verenigingen en vele belangstellenden samengestroomd. Vooral van de zijde der kerkeraden blijkt het medeleven, want onder de aanwezigen worden vele ouderlingen en diakenen opgemerkt. Bij de aanvang geeft de voorzitter als te zingen op Ps. 119 : 53—65, leest daarna 2 Timotheus 1 : 1—14 en gaat voor in gebed.

Openingswoord

Het stemt tot grote blijdschap U vandaag op onze jaarvergadering een hartelijk welkom toe te roepen; aldus ds. Rijksen.

De opkomst is beduidend groter dan verleden jaar en hoewel wij ieder uwer hartelijk welkom heten, geldt dat in het bijzonder de aanwezige predikanten. Deze belangstelling wordt ten zeerste gewaardeerd.

Ook de studenten, docenten, ouderlingen en diakenen heten wij welkom in ons midden.

Uit de brief van Paulus aan zijn geestelijke zoon Timotheus heb ik U zoeven voorgelezen, speciaal uit vers 5: „als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in U is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en uw moeder Eunice, en ik ben verzekerd, dat liet ook in U woont."

Paulus spreekt hier over de familie van Timotheus, de grootmoeder, de moeder, Timotheus zelf, aan welke familie hij zo nauw verbonden was.

Die grootmoeder en moeder vreesden de Heere al, toen Paulus de eerste keer daar was. Timotheus was toen nog klein. Deze vrouwen leefden echter op de belofte in het Oude Testament en zagen uit naar de vervulling.

De prediking van Paulus wordt gebruikt om Loïs en Eunice tot het juiste inzicht te brengen, dat alles volbracht is.

Paulus schrijft over het ongeveinsd geloof van alle drie. In deze mensen woonde het zaligmakend geloof, wat vereniging met Christus geeft, die het leven heeft aangebracht.

Het was ongeveinsd, niet voorgewend, niet in schijn, maar ongeveinsd. Zeker, een geveinsd geloof is geen geloof, maar in het leven van deze grootmoeder en moeder kwam het ongeveinsde geloof openbaar.

Die oprechte vreze van 's Heeren naam is voor Timotheus van grote invloed geweest. Die echte en ware vreze laat altijd diepe indruk na, terwijl een onecht-, een geveinsd geloof verwoesting aanricht.

Eu omdat deze liefde en oprechte vreze van s Heeren naam op Timotheus zulk een diepe indruk had gemaakt, heeft het daartoe geleid dat Paulus zegt: „hetwelk ook in U woont."

We zien hier de schone lijn van Gods Verbond, die door de geslachten loopt: Grootmoeder, moeder, zoon. De Heere verheerlijkt Zich in die lijn der geslachten; Ik ben Uw God en Uws zaads Gods. Waanwijze ouders zeggen: mijn kinderen moeten zelf maar kiezen, moeten zelf zien of ze aan godsdienst willen doen.

God doet al een keus door het gezin, waarin wij geboren worden, waar naar Gods Woord wordt geloofd. In die lijn wil Hij Zich verheerlijken. Maar ouders kunnen aan hun kinderen de vreze Gods niet geven.

Op de vraag in de catechismus „vanwaar komt zulk een geloof? " wordt geantwoord: „door de Heilige Geest...." Anderzijds doet de opvoeding in de middellijke weg veel.

Zie het hier. Neen, volmaakt was het niet. Eunice was met een Griek, een heiden getrouwd. Het was de zondige fout van een gemengd huwelijk, een juk aan te trekken met een ongelovige. Volgens Joods recht en Griekse zede, konden kinderen de moeder volgen, maar Eunice laat na hiervan gebruik te maken. Later besnijdt Paulus Timotheus. Maar al was Eunice fout, ze voedde haar kind op in Gods Woord. Timotheus heeft van kind af de schriften geweten. Hier ligt voor vele ouders een beschamend voorbeeld. Aan voeding en kleding laten ze zich soms alles gelegen liggen, alsof ze geen ziel te verliezen hebben.

Groot is de waarde van de invloed die van thuis uitgaat.

Welk een voorrecht, dat wij evenals Timotheus van kindsbeen af de Schriften mogen weten. Maar Timotheus mocht delen in de kinderlijke vreze van Gods Naam.

Het is niet het belangrijkste, wannéér wij < le grens tussen dood en leven zijn overgegaan, maar óf, ja dat wij door de genade een burger mogen zijn van Gods Koninkrijk.

Laat het voorbeeld van Timotheus ons tot jaloersheid zijn, om die grens over te mogen zijn.

De Heere ze gene de arbeid op de plaatselijke verenigingen om niet alleen verstandelijk de schriften te weten met wat daarmede samenhangt, maar bovenal tot dat gebruik, waardoor Zijn genade aan ons verheerlijkt werd.

Deze wereld wordt gekleurd door het avondrood der ondergang. Hier wordt gestreden de strijd die in het paradijs begon en zal duren tot het einde der wereld. Aanvaard je plaats in die strijd en gebruik de middelen, ook de verenigingen, om je te wapenen, om schriftuurlijk in deze strijd te kunnen strijden.

De overwinning is niet des mensen, maar Godes.

En daartoe zingen wij nu samen uit het Gebed des Heeren „Uw Koninkrijk koom' toch, o Heer'."

Jaarverslagen

Na het met stille aandacht beluisterde openingswoord brengen sekretaris en penningmeester hun jaarverslagen uit.

Het Landel. Verb. telt thans 36 afdelingen. Deze J.V.'s en Studieverenigingen tellen tesamen 628 leden, dat is 81 meer dan verleden jaar. Afgaande op ingevulde vragenlijsten zijn de verenigingen in het algemeen wel wat kleiner dan vroeger, maar is de aktiviteit goed. Het Landel. Verb. bestaat nu 30 jaar, waaraan in het jaarverslag een enkel woord wordt gewijd. Ook met het blad „Daniël" gaat het naar wens, zij het ook met een zeer zuinig beheer. Weliswaar is het aantal abonnementen iets hoger dan verleden jaar, maar diverse kostenverhogingen moesten worden opgevangen en verwerkt, zonder verhoging van het abonnementsgeld, wat nu eenmaal ongewenst werd geacht.

Het verslag van de penningmeester mag zeer bevredigend worden genoemd. De hartelijke wijze waarop vele kerkeraden jaarlijks een bijdrage geven maakt het mogelijk ook in dit opzicht de veel hogere kosten dan in vroeger jaren op te vangen, waardoor cle plaatselijke verenigingen clie meestal stuk voor stuk zelf de handen vol hebben aan hun eigen zorgen, niet extra behoefden te worden belast.

Aan H.M. Koningin Juliana der Nederlanden wordt een telegram gezonden. Dit wordt eerst voorgelezen, waarna de twee bekende coupletten van het Wilhelmus worden gezongen.

Hierop is, direkt na het einde der vergadering, een telegram terug ontvangen. De voorzitter geeft nu in korte trekken het verloop van de huishoudelijke vergadering weer.

Rede ds. A. Elsfiout

Ds. Elshout, die daartoe de gelegenheid ontvangt, houdt nu zijn rede, waarin hij begint te zeggen, dat de man die op de grens van twee werelden leefde, Johannes de Doper is.

De laatste woorden uit het Oude Testament spreken van het zenden van de profeet Elia, dat is Johannes de Doper. Hij treedt op tussen twee werelden, wat blijkt als wij Matth. 11 vers 11 lezen. Hij wordt daar getekend als onder degenen die van vrouwen geboren zijn niemand naast zich te hebben, meerder dan hij, maar in het koninkrijk der hemelen is de minste meerder clan hij.

De gelovigen uit het Oude Testament stonden in zeker opzicht vóór het koninkrijk cler hemelen. De volle ontplooiing vindt plaats bij pinksteren.

Tevoren kennen we de partikuliere vorm, daarna de patriarchale en de nationale vorm en tenslotte de uiversele vorm. Onder het O.T. is de kerk gelijk aan een onmondig land, dat wel deelt in de liefde en zorg des Vaders, maar dat volgens Galaten onder verzorgers is geplaatst.

De profeten en gelovigen van het O.T. hadden betrekking op dat Koninkrijk, hebben het van verre gezien, maar de belofte, de verwezenlijking van het Messiaanse heil, niet verkregen. Zeker waren er werkelijk wedergeborenen, kinderen Gods, deelgenoten van het verbond der genade, maar er ontbrak wat aan.

Johannes de Doper is de schakel geweest om het O.T. te brengen tot het nieuwe. Hij is de vriend van de bruidegom, die de bruid tot de bruidegom brengt. Door leven en door leer is hij de wegbereider en de voorbereider van het huwelijk tussen de koning cler kerk en Zijn bruid.

Het optreden van Johannes de Doper bracht een enorme opschudding te weeg. Het is een tijd van diep verval.

En in deze tijd zal hij het hart der vaderen wederbrengen tot de kinderen en het hart der kinderen tot hunne vaders. Er is een breuk, een conflict. Wij hebben clie vaderen te zien als het voorgeslacht, de waarachtige vromen, die naar de komst van Christus hebben verlangd en uitgezien.

De kinderen ten tijde van Johannes de Doper vormen het geslacht dat van die leer en dat leven niets wil weten.

Als brute zondaren, die in zonde leven als kinderen des koninkrijks. Een ander deel wil daarvan wel weten, wil wel in de leer der vaderen, maar niet de praktijk, doch een leven in wettische werken.

Wij zijn besneden (gedoopt) zeiden zij en wij zijn rechtvaardig.

Dat zeiden die vrome vaderen niet. Nu komt Johannes.

In het leven van het volk van Israël komt een enorme verandering.

Want zo aanvaardt God Zijn kerk niet. Johannes komt uit de woestijn en predikt de doop der bekering. Dit woord doop was niet onbekend, want de heidenen ontvingen de proselietendoop. Maar dat een Jood als een onreine gedoopt moet worden, moet wedergeboren worden in en door het werk van een ander, dat is wat nieuws.

De prediking en levenswijze van deze Johannes hebben iets te zeggen. Als priesterzoon mocht hij de sierlijke kleding dragen, mocht hij de priesterspijze eten, maar hij verkiest het kameelharen kleed en sprinkhanen plus wilde honing. Waarom dat alles? Zijn hele leven is een boeteprediking, die wijst op het misbruiken van Gods goede gave. Alles gaat op in vorm en vleselijke wellust. Roept op tot rechtvaardigheid, niet in eigen kracht, maar door de Heilige Geest en vuur.

De vruchten van een waarachtige bekering zijn boete en een honger en dorst naar Gods gerechtigheid

Zijn leer slaat in. Israël is in rep en roer. Alles stroomt naar de Jordaan.

Maar t waren vooral de schriftgeleerden, de mensen van de wet, van wie de tegenstand kwam.

Ook Herodes komt met hem in aanraking, mag hem gaarne en laat zelfs bepaalde dingen uit achting.

Gewetens worden wakker geschud, maar daarbij bleef het. Waarachtige bekering bleef achterwege.

Maar ook velen werden getroffen door het waarachtige licht des geestes. Tollenaren en zondaren kwamen als boetelingen en hij kreeg veel discipelen.

Vasten en bidden tot reiniging en vergeving was zijn voorschrift.

Dan komt de ontmoeting met Jezus aan de Jordaan.

Wij kennen deze geschiedenis. De stem Gods spreekt: „Deze is mijn Zoon, Mijn Geliefde in dewelke Ik Mijn welbehagen heb." En Johannes zegt: „Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld weg neemt".

Sommigen gaan op deze heenwijzing naar Jezus. Dat neemt toe en de discipelen van Johannes worden daarover bedroefd en verwijten hem, dat hij er zelf de schuld van is.

En dan zegt Johannes dat bekende woord, wat we lezen in Joh. 3 : 27 t.m. 30, besluitende met: ij moet wassen en ik minder worden.

Het is niet de bedoeling van Johannes een gemeenschap te vormen, maar het tegendeel.

Dan komt Johannes in de gevangenis. Zijn discipelen zijn zonder meester. Ze moeten van Johannes af, maar zelfs in de gevangenis komen ze tot hem. En dan zendt Johannes hen met de vraag tot Jezus: Zijt gij degene die komen zou, of verwachten wij een ander? Twijfelt Johannes dan? Of is het zo, clat hij zo spreekt om zijn discipelen?

De kanttekenaren zeggen, dat hij zelf niet twijfelde, maar uit het antwoord oorzaak wilde vinden tot onderwijs van zijn discipelen.

Johannes is gevallen onder de moordenaarshanden van Herodes. Er blijft nu niet anders over dan Jezus voor deze discipelen en nu heeft de bruidegom de bruid en de bruid de bruidegom.

Zijn werk, formalisme en materialisme bestrijdend, is ten einde.

God neemt hem op in Zijn heerlijkheid, deze man die leefde op de grens van twee werelden.

Wij zijn kinderen van het nieuwe verbond. De bruiloft des lams nadert. Weer is er die kloof, ook in onze tijd. Een deel jongeren en ouderen scheidt zich af, sommigen zoeken het bij de leer, maar wie leeft er bij de praktijk? Is er bij ons ook geen scheiding met de vaderen, daarin dat wij hun geschriften niet meer lezen?

Houdt U bij de leer der vaderen opdat zo de harten der vaderen verenigd mogen zijn met die der kinderen.

Hij moet wassen, wij minder worden. Want ook wij leven op de grens van twee werelden, van die men ziet en die men niet ziet.

Na deze rede verzoekt ds. Elshout te zingen uit Zacharias' Lofzang, de verzen 1, 2 en 3, waarna door hem de morgenvergadering met dankgebed wordt gesloten.

De middagvergadering wordt geopend, waarbij ds. C. Hegeman voorgaat in gebed, nadat vooraf is gezongen Ps. 22 : 14. Het door ds. Elshout behandelde onderwerp heeft een zeer groot aantal vragen opgeroepen, die nu door hem worden beantwoord.

Is het uitspreken van zijn prachtige rede, die een doorwrochte studie mag worden genoemd, met aangenaamheid en grote aandacht beluisterd, niet minder is het een genoegen geweest de beantwoording der vragen te beluisteren. Dit geschiedde op een wijze die er van getuigde, dat de spreker zich in dit onderwerp volkomen had ingewerkt. Aan het einde van de beantwoording ontvangt ds. Elshout van de voorzitter dan ook woorden van hartelijke dank, zo voor de gehouden rede, als voor de beantwoording der vragen.

Over

Het Profetisch Woord

spreekt nu de heer M. Nijsse.

Deze begint te spreken over de verschijnselen, die in onze tijd hand over hand toenemen. Het lanceren van raketten, zoals nu naar Venus, naar de maan zo mogelijk, al of niet bemand, ruimtevaart en zoveel andere dingen, waardoor velen als losgeslagen gelijken en de vraag wordt gehoord: „Heeft dat geloof en die bijbel van mijn vader en moeder nog wel iets voor mij te zeggen? "

Zo op het oog een begrijpelijke vraag, maar „En wij hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is."

De profeet is iemand, die oordelen ziet in de toekomst, het einde verkondigt, roept om gerechtigheid.

En zijn woord is met kracht en gezag, want hij zegt: „Zo spreekt de Heere!" Er is een groot verschil tussen ons en die profeten.

In hun woorden is een verheven warmte, waarbij onze woorden koud en koel afsteken.

Er is een groot verschil in karakter. De een simpel, de ander begaafd, maar wat ze zeggen, geloven ze. Ontroerd zijn ze en bewogen in w& t te zeggen.

Oorspronkelijk zijn ze geen schrijvers, maar sprekers. Zij spreken in de straten als gezanten, niet zoekende zichzelf maar het goede voor een ander, de mensen te doen buigen onder de kracht van het Woord.

Zij briesen tegen het kwaad, want dat verderft de aarde.

Hun hoofd is vervuld van Gods Woord en oordeel.

Deze profeten, die niemand vrezen, dan hun Zender, zijn tenslotte de eenvoudigen. Zij maken het leven ernstiger, maar niet ingewikkelder.

Daarop wijst het leven van Amos. Dat leven lijkt op zichzelf, maar hij hoort het tieren der goddelozen en het inhoudloze gezang der vromen.

Hij ziet de tegenstellingen tussen het reine, het volmaakte en het onreine, het onvolmaakte.

Er is een nationale dankdag. Jerobeam heeft de Syriërs overwonnen. Dank aan Jehova!

Maar dan klinkt de stem van Amos: „Gevallen is de jonkvrouw Israëls, tegen het huis van Jerobeam zal ik opstaan." Ik versmaad Uwe feestdagen en mag Uw verbodsdagen niet ruiken. Doe het getier Uwer liederen weg."

Amos had zelden gesproken, maar nu roept de Heere hem van achter de kudde. De leeuw heeft gebruld. Deze dorpeling spreekt en getuigt tegen de zonde der maatschappij. Dat is profeteren. In dat alles is de schrikwekkende eenvoud tegen ons redeneren en onze uitvlucht»». En is het woord van de profeet hier en daar negatief, naar het schijnt, dan ineens is het: „Zoekt de Heere en leeft, " het positieve.

Kernen in het betoog van Amos zijn steeds: De Heere is recht, en: De Heere heeft gesproken.

Als Amos nu eens leefde. Hoe zou hij oordelen over ons, ons land, ons volk? Hij zou ook dan zeggen: „Zo spreekt de Heere."

Men zegt: de mens moet met zijn tijd mee gaan, maar het is dat de mens met God moet gaan.

Alles wijst tenslotte heen naar Christus, waarheen altijd — en ook bij Amos — de profetie heen wijst.

Zonder wedergeboorte is er geen toegang tot dat koninkrijk.

Jezus is hét offer. Naar wonderlijk bestel is het alles zo gegaan: eerst de profeten die heenwezen en dan de Christus, naar Wien is gewezen.

Als die Christus niet gekomen was en opgestaan, zou ijdel het geloof zijn.

Petrus zegt: „Wij hebben Zijn stem gehoord, als van de ware profeet en daarom: Wij hebben het profetisch Woord. Ga dit woord na, onderzoek het als het door God verordineerde middel.

Dit na te speuren, kan niet met ons verduisterd verstand, maar wel door en bij het licht van Gods Geest.

Gray waarschuwt tegen een traagheid in het benaarstigen.

Laat de vraag brandende zijn: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?

Dat er toch geen verflauwing zij. 't Woord is zo duur gekocht in deze lage landen. Dat die genade ons deel moge zijn, het met de dichter van Ps. 119 getrouw te bewaren, want het geeft verstand aan slechten, wien echter 't gemis van zulk een glans, een eeuw'ge nacht zal baren.

Ook op dit onderwerp, schoon van vorm, stijl en inhoud volgde een uitvoerige bespreking en ook dhr. Nijsse wordt zeer hartelijk bedankt voor zijn lezing en de beantwoording der vele vragen.

Door de voorzitter worden woorden van dank gesproken tot hen, die medewerkten aan het goed verloop van deze vergaderingen. De kerkeraad van onze Gemeente te Utrecht voor het gebruik van de vergader gelegenheid; de koster en zijn vrouw voor alle goede zorgen, ook hun helpsters; de organist en niet te vergeten de heer A. Wagenaar voor zijn veelzijdige aktiviteiten.

Sluiting

Het slotwoord wordt gesproken door ds. K. de Gier.

Deze begint op te merken: Zoals U gehoord zult hebben is onze voorzitter gisteren herkozen als voorzitter van het Landel. Verband. Gaarne willen wij hem, namens het bestuur al het nodige toewensen. Voorzitter zijn is géén kleine zaak. Hij moet er altijd zijn, wij kunnen nog wel eens verstek laten gaan.

Vooral het vele werk, de omstandigheden in zijn gemeente maken het voor hem dubbel nodig, alles te mogen ontvangen wat nodig is, krachten in 't bijzonder want de lust en de liefde is er wel. Dit alles bovenal tot eer van de Koning der kerk.

Wij hebben vandaag heel wat gehoord. Over Johannes de Doper, de stem des roependen in de woestijn. Maar ook over het profetisch Woord.

En nu zegt Johannes in het le hoofdstuk van zijn brief: „Zijt daders des Woords." Laat het niet zo zijn als bij die man, die zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel, maar is weggegaan, terstond vergetende hoedanig hij was. Men kan weglopen en zijn evenbeeld vergeten, de hoorders!

Zijt daders des Woords!

Tc Geloof dat dit Woord bijzonder nu ons mag gelden, nu wij uiteen gaan.

We hebben een aangename dag gehad, ook een gezellige dag, maar.... als 't gehoorde vergeten wordt, zijn we als die man, die in de spiegel zag.

Dat wij daarom in praktijk mogen brengen, wat wij gehoord hebben. Zo nodig is ons allen de vernieuwing des gemoeds, het verlaten der zonde en een leven dat gericht is op de eeuwigheid.

Die vernieuwing des harten te kennen en in onze levensopenbaring te zullen laten zien zoekers te zijn, niet van de tegenwoordige wereld, maar van de dingen die boven en eeuwig zijn.

Er is terloops gesproken over raketten en ruimtevaart. Maar weer: zijt daders des Woords!

Tenzij een mens wedergeboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. Deze wedergeboorte is een daad Gods in ons, maar Hij gebruikt daartoe de middelen door Hemzelf verordineerd. En ook Jezus heeft gesproken, dat wie Zijn Woord hoort en niet doet, gelijk is aan een dwaze bouwer, maar die dat woord hoort en wel doet, bij een wijze bouw wordt vergeleken, die graaft en het fundament op een rotssteen legt.

Dan mogen er dingen gebeuren, waarvan men nimmer hoorde, maar wat buiten Christus is, is op zandgrond; het moet vergaan.

Dat graven van die wijze bouwer is moeilijker, clan het zenden van een raket naar Venus.

Daarvan is men vol, maar niet van dat graven en verdiepen.

Wij gaan nu elkander verlaten, maar één ding is nodig: Zoek de Heere en Zijn gerechtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.