+ Meer informatie

PASTORAAT BIJ DE GRENZEN

14 minuten leestijd

De redactie vroeg mij enige gedachten te geven over „tucht en vermaan, via prediking en huisbezoek, van mensen die ontrouw meeleven, of in hun levenswandel slordig zijn”. De pastorale verzorging dus van hen die tot de gemeente behoren, maar duidelijk tonen dat zij in het grensgebied leven.

U kent het probleem, want op elke kerkeraad komt het wel aan de orde. Het zijn de leden die slechts nu en dan ter kerke komen. Op huisbezoek worden daarvoor zeer uit-eenlopende redenen opgegeven, die alle de indruk maken zeer gezocht te zijn en bovendien als camouflage dienen, omdat de eigenlijke reden niet wordt genoemd en soms ook niet wordt gekend. Een enkele keer is met hen nog wel een z.g. „goed gesprek” te voeren en worden over de geestelijke zaken nog wel eens zulke opmerkingen gemaakt, dat de bezoekers zich afvragen: Slaan we hen toch niet te laag aan?, maar nadien blijkt er van enige verandering geen sprake te zijn. Dit kan jaren zo doorgaan, soms met korte onderbrekingen, b.v. wanneer er een nieuwe predikant is gekomen. Kritiek op de prediking wordt het meest gehoord: de preek is te lang, of zo kort dat het de moeite niet waard is om je schoenen ervoor aan te trekken; de dominee laat de praktische levensvragen liggen; aan één preek op zondag heeft men genoeg voor de hele week, daar hoeft geen tweede bij. Ook is er kritiek op de gemeente: sociaal en cultureel voelt men zich er boven verheven, ons kerkpubliek is te eenzijdig, je kunt met niemand praten, het eigen dagelijks bestaan gaat volkomen buiten de gemeente om.

En dan de levenswandel, ook wel van trouwe kerkgangers. Buiten de kerkdienst gaat de Bijbel nauwelijks open, niet om er persoonlijk uit te lezen, en ook niet in de kring van het gezin. Over het gehoorde en gelezene wordt nooit doorgesproken, tenzij in kritische zin, b.v. „die ongetrouwde Paulus snapte van de vrouwen en het huwelijk ook niet veel”. De kinderen kunnen niet op catechisatie komen, want juist die avond oefent hun sportclub of toneelclub. En als de Bijbelclub nu maar niet bijeenkomt uitgerekend als er voetballen op de t.v. is ! De lectuurtafel thuis ligt vol bladen als Privé en Story, kennelijk stukgelezen, maar om De Wekker van de vorige week zit nog het bandje. Zelfs op ziekenbezoek klinkt als achtergrondmuziek het gekreun van iemand die het over zijn „baby” heeft. Wat „christelijk” zich durft noemen, is zonder meer hypocriet en farizeïstisch. Met de familie, die wèl in de kerk komt, is er een jarenlange erfeniskwestie. De vakantie dient het leven niet, maar het leven draait om de vakanties. Men heeft in het dagelijks leven geen enkele moeite met wat de Heere in de omgang met alle mensen van ons vraagt, geen enkel serieus probleem, want Hij is veel te ver weg om er problemen mee te krijgen. En duidelijk komt uit dat hierin een èf-groeien is van het echte christelijk leven. De verloren zoon is nog niet het huis uit, maar hij verlangt wel hevig naar die andere wereld.

Het zijn echt allemaal gevallen, waar de gewone kerkelijke tuchtoefening net niet kan worden begonnen. Geen schokkende zonden, waarvoor schuld moet worden beleden. Hier is vervreemding aan de hand, vervreemding van het leven Gods (Efeze 2: 18). We zien het gebeuren, met grote zorg voor de toekomst, maar wat doen we er aan? Alleen wat vaker op huisbezoek gaan? En wat dan te zeggen?

Al enige keren heeft onze generale synode zich met deze „grensgevallen” bezig gehouden, vooral wat betreft die slordige kerkgang. De enige weg die zij wees, was (natuur-lijk) die van vermaning en tucht. Maar elke kerkeraad voelt hoe moeilijk dit is in de praktijk. Men komt nu en dan toch in de kerk; men kerkt elders onder „goede” dominees. Het is gemakkelijk een onheilig spelletje te spelen met die kerkeraad die ernstig vermaant, maar toch niet zo ver zal durven gaan om met de ban af te snijden. En zo zijn er kerkeraden die stilletjes hopen van alle zorg verlost te worden doordat de betrokkenen zelf zo consequent zijn om maar te bedanken. Want je krijgt zo maar talloze randgevallen; je moet de kerkelijke omslagen voor hen betalen, maar je hebt er niets aan! Begrijpelijk, maar dat is geen tucht meer, en het is helemaal niet kerkelijk. Ik geloof dat de synode volkomen gelijk had door deze weg te wijzen. Indien de kerkelijke tucht ernstig genomen mag worden, dan betekent dit ten volle wat Zondag 31 van de Catechismus zegt, nl. dat verkondigd wordt of het koninkrijk der hemelen voor iemand open staat dan wel toegesloten is. Geen kleinigheid dus. Iets waarvan de kerk zich niet gemakkelijk mag afmaken, vanwege de zaligheid der zielen.

De moeite zit dan ook niet, mag althans niet zitten in het vele werk en de moeizame gesprekken die nodig zijn om deze verkondiging over te brengen, maar veeleer in de grote verantwoordelijkheid die ambtsdragers hebben. En dan het meest in de twijfel die deze broeders hebben of zij wel werkelijk hun ambt op de juiste manier bedienen, d.w.z. of zij niet hun eigen taal, maar werkelijk die van hun Opdrachtgever spreken.

Deze aarzeling is niet alleen begrijpelijk, die is goed! Zij behoort bij de gehele ambtsbediening. Een ambtsdrager die geen moeiten meer heeft om de stem van de Heere te ver-staan, daarbovenuit gegroeid is, lijkt me niet meer geschikt voor zijn ambt. Terecht sprak het oude formulier voor de bevestiging van ambtsdragers over de noodzaak van voortdurend onderzoek van Gods Woord, ook door ouderlingen en diakenen. Maar die aarzeling kan geen aarzeling blijven. Er moet worden gehandeld, hoe dan ook. Het Schriftonderzoek moet tot conclusies voeren. Daarom is het goed bij deze vragen te luisteren naar wat de Schrift ons biedt.

We behoeven niet lang te zoeken. In het „centrale” gedeelte van de Bijbel, de Evangeliën, de eigen woorden van onze Heere Jezus Christus, treffen we over deze zaken veel aan. Immers daar vinden we wat Hij gezegd heeft tegen en over de Farizeeën en schriftgeleerden, en dit waren nu juist mensen die zich veel bezig hielden met grensgevallen. Hun theologische beschouwingen waren vol bepalingen over het leven en handelen op de grens van de godsvrucht. De bergrede geeft hiervan enige voorbeelden.

Wanneer ging men over de grens als men een ander haatte? Dat hing er van af of die ander een naaste of een vijand was. Een vijand mocht men haten (Mattheus 5 : 43), een naaste niet. (Deze vraag wordt ook aan Jezus gesteld in Lucas 10: 29, waarop Jezus antwoordt met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan). Wanneer kon men zich van zijn vrouw ontdoen en toch geen hoereerder zijn, toch binnen de grens blijven? Welke eden mocht men op de markt zweren en toch de ander bedriegen en daarbij vrijuit gaan? Waar lag de grens? Ook van buiten de Bijbel zijn ons voorbeelden bekend: hoeveel spelden mocht een vrouw op sabbat in het haar dragen zonder het verbod om lasten te dragen te overtreden? Ook zo’n grensgeval. Evenals de „sabbatsreize”: waar lag de grens? Een zeer groot deel van de ethiek uit die dagen ging over die moeilijke, steeds ingewikkelder grensgevallen.

Het is bijzonder interessant te zien hoe Jezus op deze grensproblematiek ingaat. We merken op:

a. voor Jezus bestaan er geen grensgevallen! Hij laat zich in die problematiek niet vangen. leder weet hoe Hij op de vraag: „En wie is mijn naaste?” antwoordt: „Bent u de naaste geweest?” Geen antwoord dus, maar een omkering van de vraag. Heel duidelijk komt dit ook uit in de Bergrede: „Ik zeg u…….hebt uw vijanden lief; zweert ganselijk niet; wie zijn vrouw wegzendt, ook als het volkomen naar de voorschriften is met scheldbrief en al, die doet overspel; wie bezig is te haten, begaat reeds een doodslag”, enzovoorts. Hij laat zich dat leven op de grens niet opdringen. Hij verwerpt het radicaal.

b. in deze afwijzing van de grensproblemen, neemt Hij onder felle kritiek degenen die deze problemen stellen en van daaruit hun handelen willen bepalen. Achter bepaal de vragen zit altijd een hart, dat deze vragen opwerpt. En over dat vragende hart wil Jezus heel duidelijk praten. Waarom vraagt men altijd naar de grens? Uit theologi sche interesse? Om moeilijk te doen? Dus problemen om de problemen (ook toen al een winstgevend bedrijf!). Het is veel erger: er is een tegenstelling tussen hen die zo veel grens-vragen hebben en de Heere zelf, die zo heel anders doet: Hij doet zijn zon opgaan over bozen en goeden, zonder grenzen dus! Daarom moeten we kinderen van Hem zijn: dan zijn heel wat grensproblemen er eenvoudig niet. Het boze hart vraagt altijd naar wegen en mogelijkheden om aan de gelijkvormigheid van de he melse Vader te ontkomen en op die manier zonde en genade te combineren. Wel het loon van de nieuwe mens, maar niet het afsterven van de oude mens.

c. Jezus had er oog voor, hoe ernstig de farizeese probleemstelling het geestelijk leven in Israël bedreigde. Niet voor niets veroordeelt hij hun gedachten zo scherp en spreekt Hij dit ook uit. „Huichelaars” is voor Hem maar niet een scheldwoord, met enig triomfalisme tegenover de inconsequenties van zijn tegenstanders geuit; het is voor Hem de verdrietige ontdekking van de tegenstelling tussen Hem zelf en zijn „collega-pastores”, die de schare op die manier misleiden, enerzijds met het opleggen van zware lasten en uitgekiende precieserigheden, anderzijds met het oproepen van een valse, ongeestelijke gerustheid wanneer aan de voorschriften is voldaan.

Het Hem toevertrouwde Messias-ambt dwingt Hem aanvallend tegen hen in te gaan.

Kunnen we nu uit dit voorbeeld van onze Heere voor ons zelf gevolgtrekkingen maken? Ik geloof van wel. Ook vandaag zullen ambtsdragers in de oefening van de kerke-lijke tucht navolgers des Heeren moeten en mogen zijn. Ik wil een paar punten noemen:

1. Jezus keek dwars door de argumenten heen naar de argumenterenden, dit in tegenstelling tot de Farizeeën. Ook ambtsdragers in Christus’ kerk zullen dit moeten doen. Natuurlijk is en blijft er een groot verschil in bekwaamheid tussen onze Heere en ons. Wij zien aan wat voor ogen is, de Heere kent het hart. Daarom zal een ambtsdrager heel voorzichtig moeten zijn met snelle beoordelingen, maar hij ontkomt niet aan de noodzaak, zoal niet om het binnenste des harten te beoordelen, dan toch om wat uit dat hart naar buiten komt geestelijk te toetsen.

2. Geen snel oordeel dus. Maar de tijd die de oordeelsvorming vraagt, moet ook worden gebruikt om zichzelf te beoordelen. Niet in de platte zin van „kijk maar naar jezelf”, maar omdat elke mens, ook de ambtsdrager, zelf ook een levensstijl, een traditie, met alle vooringenomenheden en eenzijdigheden heeft. Om navolger van Christus te zijn, heeft de ambtsdrager ook zelf het gebed nodig: „Doorgrond mij, o God, en zie of bij mij een schadelijke weg is”. Er zijn in de kerk toch al heel wat ongelukken geschied omdat vanuit het eigen menselijke inzicht werd geoordeeld over het geestelijke leven van een ander, die in heel andere omstandigheden verkeerde: een andere opvoeding, een andere culturele achtergrond, een andere kerkelijke ontwikkeling enz. Wie de woorden Gods wil spreken, zal eigen woorden moeten leren verzwijgen. Hoe moeilijk dit is, blijkt wel uit de z.g. generatie-conflicten, vaak een niet ongezonde toetsing van de juistheid van het inzicht der ouderen!

3. De Heere „proefde de geesten”. Wat was overeenkomstig hetgeen Hij van zijn Vader gezien had, en wat niet? Daar lag voor Hem de norm. Om een simpel voorbeeld te noemen: tegenover de vraag waar in de Bijbel wordt bevolen om ’s zondags twee keer naar de kerk te gaan, staat het lied der liefde: hoe branden mijn genegenheên! Als er dan helemaal niets brandt? Dáár gaat het om. Maar als ons gesprek met de gemeente op deze wijze gevoerd moet worden, zal er een intens contact moeten zijn. We zijn aan het vermanen meestal niet direct toe. We moeten „ontdekkend” bezig gaan, in beide betekenissen: we moeten ze soms door allerlei nevels heen te zien krijgen èn we moeten de mensen hun eigen hart, dat boos is, laten zien. Daarom vraagt de behandeling van deze grensgevallen veel tijd. De gelijkenis van het verloren schaap laat zien dat dit heel gewoon is: hij gaat het verlorene zoeken „totdat hij het vindt”. Vanuit de verte gaat het niet.

4. Nergens in de Bijbel wordt ons verteld, dat we er komen met teksten, redeneringen, argumenten zonder meer. Altijd is er iemand die het Woord brengt, het verkondigt, het ook laat zien. Ook daarvoor is tijd nodig. De broeder in het grensgebied moet van zijn kant ook gelegenheid krijgen om de ambtsdrager te „proeven”, dat is: om het verschil in geestelijke instelling tussen zichzelf en de ambtsdrager door te krijgen. En zo mogelijk: het verschil tussen de Heere die in zijn dienaar gestalte krijgt, en zichzelf. Een verschil dat duidelijk geen kwestie is van opvoeding of traditie, van licht of zwaar, maar onmiskenbaar een tussen leven en dood. Onze Heere was niet „precies” of „rekkelijk”, „streng” of „vol begrip”. Dat waren farizeese tegenstellingen en schema’s. Bij Jezus was het „echt” tegenover „geveinsd”, „helemaal” tegenover „niets”. Juist de randkerkelijke, juist de mens van de grens, moet dit proeven.

5. De ambtsdrager als persoon, als christen die geheel achter zijn boodschap staat, die het merkteken van zijn Heere draagt, is van groot belang. Maar hierbij komt ook de gehele kerkeraad in het gezicht. De ambtsdragers vormen samen een raad, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Die raad is er niet, opdat de individuele ouderling zijn eigen verantwoordelijkheid zou afleggen en wegkruipen achter de beslissingen van de meerderheid. Men is eerst ambtsdrager, en daarom lid van de kerkeraad. Doch èn om wat boven onder 2 gezegd is, die toetsing van ons zelf, èn om verzekerd te zijn wat de wil des Heeren is, is de onderlinge bijstand van de ambtsdragers nodig. Het gezamenlijk optreden, zodat de éne ambtsdrager niet tegen de andere is uit te spelen, is van zeer groot belang. Vooral in het bovengenoemde geestelijk oordelen. Elkaar in de kerkeraad herkennen als ware gelovigen, en daarin elkaar opbouwen, is ook voor het werk in de gemeente bijzonder nodig.

6. We kunnen niet blijven staan bij de kerkeraad. Méér dan in onze praktijk het geval is, legt de Bijbel de nadruk op de gehele gemeente. In de brieven van de apostelen wordt hier en daar met naam en toenaam gesproken over leden die enig vermaan behoeven. Toch zijn het geen brieven aan kerkeraden, maar aan de voltallige gemeenten. En dat zijn we tegenwoordig behoorlijk kwijt. Het oude bevestigingsformulier van ouderlingen en diakenen zegt, dat toen Christus zijn discipelen leerde (Mattheus 18:17): „Zegt het der gemeente”, dit „geenszins verstaan kan worden van alle lidmaten der gemeente in het bijzonder, maar zeer wel van degenen die de gemeente, door welke zij verkozen zijn, regeren”. Ik waag de juistheid van deze zin te betwijfelen. In het nieuwe formulier is deze zin weggelaten, m.i. terecht. Want ik geloof dat de gehele gemeente veel meer bij de zaak van de grensgevallen betrokken moet zijn dan veelal het geval is. Juist als het gaat om de openbaring van een ander leven, een andere gezindheid, een andere geestelijke instelling, kan de gemeente niet buiten beschouwing blijven. Het moet niet mogelijk zijn dat men tegelijk door de kerkeraad ernstig vermaand wordt en even goede vrienden blijft met de gemeenteleden. Het gaat er toch ook om of men bij de gemeente des Heeren behoort, bij het rijk Gods? Uitstoting uit de gemeente is toch iets anders dan ruzie met de kerkeraad. Maar dan moet de gemeente ook tonen dat andere leven te kennen, zodat de grensbewoner zich vreemdeling in de kerk voelt en des te meer wordt geroepen zich te bekeren. En waarom mag het mede-lid, de broeders en zusters in de buurt, hun dwalend ge-meentelid niet opzoeken en voor hem bidden, veel eerder dan na lange tijd van stil vermaan? Er moet een grotere openheid komen, dan kan er ook veel meer een worstelen voor elkaar zijn. Natuurlijk zal de gemeente dan ook echt gemeente, gemeenschap, moeten zijn, en geen publiek, dat vrijblijvend naar de ander kijkt en hem al of niet veroordeelt.

Grensgevallen vragen tijd, maar geen stille tijd! Het is prettiger om op ziekenbezoek te gaan dan achter dwalende grensbewoners aan te lopen. Wijst de Heere Jezus daarom in de drie gelijkenissen in Lucas 15 misschien naar de blijdschap „bij de engelen” over één zondaar die zich bekeert? Op de blijdschap bij de zondaar zelf moet je wel eens wachten! Maar de ware dienstknecht wacht op het loon van zijn Heer!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.