+ Meer informatie

DE TUCHT OVER DOOPLEDEN III

16 minuten leestijd

III. De les van de geschiedenis.

Wanneer we de lange geschiedenis overzien waarin de kerk een standpunt had te bepalen over haar houding ten opzichte van de gedoopte leden van de kerk, zijn er een aantal zaken die opvallen. We duiden ze hier nu in het kort aan. De kerk heeft er bij de gedoopte leden op aangedrongen om langs de weg van openbare belijdenis toegang te verkrijgen tot het avondmaal en daarmee tot het lidmaatschap in volle rechten. Zo vinden we het bij Bucer en Calvijn in het begin. Niet vanzelfsprekend staat de avondmaalstafel open voor de doopleden van de gemeente. Men dient de toegang te vragen tot het avondmaal en dit wordt slechts verleend, wanneer de kerkeraad het onderzoek heeft verricht. Hoe moest het met leden die wel gedoopt waren, maar niet kwamen tot belijdenis? Het schijnt dat de vluchtelingenkerken daarover een uitgesproken mening hadden: men kon niet altijd dooplid blijven. Maar in het bevrijde gebied werd de praktijk anders. De jonge kerk meende dat men ten opzichte van doopleden een andere houding moest aannemen dan tegenover de belijdende leden. De eersten vielen onder de tucht zoals deze in de publieke eredienst in de prediking van het Woord werd uitgeoefend. Ze waren niet in het verbond van God getreden en konden ook niet uit de gemeente gebannen worden. Voetius sluit zich daarbij aan. De kerkeraad oefent bij hem wel tucht, maar kan formeel niet overgaan tot afsnijding van de gemeente, omdat doopleden zich niet bij haar gevoegd hadden. Koelman dacht daarover anders. Hij meende wèl dat men gedoopte leden die zich misdroegen ook kon plaatsen buiten de gemeenschap van de kerk. Wanneer zij zich niet bekeerden moesten ze als heiden en tollenaar worden geschouwd. De praktijk van de volkskerk, met een brede opvatting van het verbond, werd langzamerhand dat de gedoopte leden, ook al deden zij geen belijdenis, wèl bij de gemeente geteld werden. Zij konden, zo was het in het Noorden, ook hun kinderen laten dopen. De kwestie kwam in een heel ander licht, toen een bepaalde gemeentebeschouwing in geding kwam: een overtrokken visie op een heilige gemeente bracht een spanning die in de afgescheiden kerk tot conflicten leidde en die meeschoof zowel naar de Gereformeerde Kerken als ook naar onze eigen kerken. Een aantal belangrijke gedachten komt zo uit het verleden naar voren:

1. de gedoopte leden behoren bij de gemeente;

2. zij vallen onder de ambtelijke bearbeiding en dienen in de prediking op hun verantwoordelijkheid gewezen te worden;

3. de kerkelijke tucht is op hen van toepassing, ofschoon deze op een andere manier functioneert bij hen dan ten opzichte van de belijdende leden;

4. ofschoon de kerk niets kan dwingen, dienen in de pastorale bearbeiding de gedoopte leden opgeroepen te worden tot het afleggen van openbare belijdenis.

Deze principia zijn van blijvende betekenis voor de kerk, ook vandaag.

De vragen van het heden

Wanneer we de lange geschiedenis van de onderhavige kwestie beschouwen kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken, dat er op een aantal punten van een gewijzigde situatie sprake is.

Hier denken we aan de volgende zaken.

Over het algemeen gesproken is er van een zekere crisis sprake met betrekking tot de uitoefening van de kerkelijke tucht in onze gemeenten. Op papier erkennen we de uitoefening van de kerkelijke tucht als een van de drie kenmerken van de echte kerk. Maar in werkelijkheid komt er niet zo veel van terecht. De gemeenten zijn veel meer dan vroeger „luistergemeenten” geworden. De gemeenschap der heiligen is een zeldzaam artikel althans in de praktijk. De kerkelijke verdeeldheid slaat de uitoefening van de kerkelijke tucht met lamheid. Het ontbrekend normbesef, dat steeds meer en meer een kenmerk van onze tijd is geworden, is ook binnen de gemeenten op te merken. „Doet de kerkeraad er niets aan?”, zo wordt soms nog gevraagd. Verkeerd overigens, want de gemeente moet zelf de onderlinge broederlijke opwekkingen vermaning kennen. Echte onderlinge verbondenheid ontbreekt echter.

Een tweede zaak die we hier noemen is, dat men niet altijd meer de zin inziet van de openbare belijdenis. Waarom zou ik belijdenis doen? Het is een vraag die nog al eens gehoord wordt. Wanneer men daarbij voegt de werkelijkheid in vele kerken om ons heen, waar men is overgegaan tot het invoeren van de z.g. kindercommunie, dan bemerken we, hoezeer het spreken over de tucht over doopleden in de lucht is komen te hangen. Het is opmerkelijk, dat zo veel vragen die samenhangen met de kerkelijke structuur, vandaag in discussie zijn of ter discussie gesteld worden. De zin der dingen is niet voor iedereen duidelijk en men stelt er ook geen prijs op om die zin der dingen te onderzoeken. Het behoort tot de kenmerkende trekken van onze tijd, dat men meer bezig is om te veranderen dan om veranderd te worden.

Een derde kwestie is mogelijk nog ernstiger. Zij mag hier echter niet verzwegen worden. Het is die van de visie op de gemeente, die hier toch altijd in geding is. Ik doel hier niet op het onder ons voorkomende feit dat een groot deel der gemeenten iets heeft van de oude hervormde volkskerk, terwijl een ander deel duidelijk mikt op een meer gereformeerde gestalte van de gemeente. Dat verschil is er sinds de Afscheiding geweest. En het zal er ook wel blijven. Wat wèl veranderd is, is de functie van de prediking als bediening van de sleutelmacht. Het is immers de vraag of in de prediking inderdaad zulke openbare en algemene vermaningen plaats vinden als die waarop de synode van Dordrecht 1578 wees. Devaluatie in de prediking in dit opzicht zou een van de meest ernstige oorzaken kunnen zijn van de geringe belangstelling die men bij sommige jongeren aantreft. Het gevoel dat men zich bij de gemeente betrokken weet, is dikwijls omgekeerd evenredig aan de theologie die groot en klein als vanzelfsprekend bij de gemeente rekent. Hoe sterker een theologische premisse gehanteerd wordt waarbij men, zonder onderscheid te maken, ieder zonder meer op dezelfde manier bij de gemeente rekent, des te geringer functioneert in feite de werkelijke betrokkenheid bij de gemeente en moet die betrokkenheid met allerlei kunst en vliegwerk afgedwongen worden. De Cock sprak over de verbondsgemeente. Uitgangspunt is de belofte van het verbond. Maar hij maakte wel onderscheid tussen hen die de belofte slechts in de aanbieding hebben, en hen bij wie die belofte in vervulling is gegaan. Een algemene prediking neemt de ernst der eeuwigheid uit de verkondiging weg. Dit werkt de onverschilligheid in de hand. Er moet een innerlijke samenhang bestaan tussen het boven geconstateerde feit van de crisis, die er ter zake van de uitoefening van de kerkelijke tucht bestaat in disciplinaire zin, en de crisis die zich voordoet in de prediking waarin te weinig sleutelmacht wordt bediend. Waar dit laatste in de prediking verzuimd wordt, daar moet de kerkelijke censuur wel overkomen als een niet meer ter zake doend hanteren van grof geschut. De eenheid van gehele tuchtoefening is dan verbroken.

Daarbij komt als vierde zaak van belang, in samenhang met het voorafgaande, het feit, dat ook het pastoraat als zodanig in een onduidelijke beweging is opgenomen. Men krijgt wel de indruk dat de manier van pastoraatbetrachting, zoals deze in de gereformeerde traditie wezenlijk was: op de wijze van het huisbezoek, niet meer functioneert. Het huisbezoek is dan in menig opzicht een kwestie voor ouderen geworden. Elke kerkelijke ambtshandeling moet ingebed zijn in het pastoraat terwijl dit laatste zijn centrum vindt in het Woord van de vergeving. Ontbreekt dit, dan komt het hele herderlijke handelen van de kerk droog te staan, het wordt — indien er ten minste van ambtshan-delen sprake is — geformaliseerd tot louter techniek. Maar het hart is eruit verdwenen. Men kan geen tucht over doopleden oefenen, wanneer deze niet is opgenomen in een levend en bewogen pastoraat, dat worstelt om het hart van jonge mensen. In dit opzicht wordt er van iedere ambtsdrager heel veel gevraagd: kunde, vorming, toerusting en nog veel meer. Maar vóór alle andere dingen het besef dat de Here deze dienst wil gebruiken om zijn eigen werk te doen.

Van alles wat de geschiedenis ons over de tucht over doopleden heeft geleerd is dit wel het belangrijkste, dat de kerk bewogen was over en met het lot van haar kinderen. Die roeping heeft zij vandaag nog. En zij is dringender dan ooit. Wij behoeven ons geen illusie te maken over de nood waarin veel jonge mensen verkeren. En deze is globaal gelijk, ofschoon zij zich op totaal verschillende manier kan openbaren.

Er is een jeugd, die al te gemakkelijk in oude paden treedt, zo lijkt het in ieder geval. Maar op de zaterdagavonden en op de zondagavonden trekt men soms in groot getal naar een bar, naar een dorpscafé, ergens in de buurt, beslist niet om er te evangeliseren of te getuigen. Hoe leeg is het leven van vele jongeren, die wèl uiterlijk in goede sporen lijken te gaan, maar bij wie het innerlijk aan kracht ontbreekt. Randkerkelijkheid treft men hier misschien niet zo zeer aan. Maar wat is het anders dan een in de vorm van kerkelijkheid gewikkelde leegheid.

In de steden lijkt het veelszins anders. Daar is de randkerkelijkheid onder jongeren groter. Maar vraag niet hoezeer het levenspatroon van jonge mensen is aangetast door een wereldgelijkvormigheid die niet direct aan het licht treedt, maar die er wel is op het gebied van sexualiteit en levensstijl. Hoe is het anders te verklaren, dat er zovele van de gedoopte leden van de kerk in grotere gemeenten het de gewoonste zaak vinden, dat men voor het huwelijk samen woont.

Een ieder voelt aan, dat men hier slechts symptomen zou bestrijden, zonder aan werkelijke oorzaken te raken, wanneer we dan ineens de kerkelijke tucht zouden gaan gebruiken. Het werkt dan te incidenteel. Het is niet ingebed in een geheel van pastorali-teit, waardoor de tucht effectief zou kunnen functioneren. Dan zou die tucht te veel gelijken op de maatregelen van een ordedienst, in plaats van een schakel in de verwerkelijking van de orde van het heil.

Mogelijkheid van tucht over doopleden

In dit verband moeten we opmerken, dat van de tucht over doopleden hetzelfde geldt als wat gezegd moet worden van de tucht over belijdende leden. Er kan van geen excommunicatie sprake zijn, wanneer er geen communicatie is. De kerkelijke tucht stelt hoge eisen aan de gemeente als gemeenschap der heiligen. Daarover zou heel wat te zeggen zijn. We laten dit hier verder achterwege, omdat het duidelijk kan zijn, dat er een werkelijk geestelijke gemeente moet zijn, zal er van tucht, ook van tucht over doopleden gesproken kunnen worden.

Een tweede vereiste daarbij is, dat de gemeente ook zal verstaan, dat men niet de kinderdoop kan voorstaan, wanneer er niet tegelijk zorg voor de kinderen der gemeente is. Ofschoon hier en daar een vraagteken gezet wordt achter de rechtmatigheid èn achter de doelmatigheid van de kinderdoop, zijn de meeste van onze volwassen belijdende leden voorstanders van de kinderdoop. Terecht, naar het ons voorkomt. Maar ook dit stelt hoge eisen aan een gemeente. Van een overschatting van de doop als zodanig lijkt mij onder ons generaal gesproken geen sprake te zijn. Eerder van een zekere onderschatting, die ook hierin uitkomt, dat wij soms op het randje van de gewoonte en bijgelovigheid met de kinderdoop omgaan. Komt het tweede deel van het verbond wel voldoende tot zijn recht? Spreken wij de kinderen wel voldoende aan op het feit dat wij door de doop vermaand en verplicht worden tot een duidelijk omschreven nieuwe gehoorzaamheid? Deze bestaat hierin dat wij de enige ware God van harte liefhebben. Dat wij ons wat dit betreft zullen aangesproken weten door het eerste gebod. Dat wij, om dit te bereiken onze oude natuur zullen doden en in een nieuw, godzalig leven zullen wandelen. Men mag daar de doopleden op aanspreken, niet vanuit de mogelijkheden die zij daartoe in zichzelf zouden hebben, maar vanuit de werkelijkheid van Gods verbond en zijn belofte, waarin de Heilige Geest, die het geloof werkt, hun niet minder dan de volwassenen wordt toegezegd. Ook op dit punt zou wel eens sprake kunnen zijn van een zekere onderschatting van de doop en hetgeen ons daarin wordt toegezegd. Als wij onze kinderen er niet op aanspreken. God zal het zéker doen, en ons erbij, wanneer wij het niet deden. De kinderdoop kan men niet zonder meer toedienen. Zij moet ingebed zijn in een totaal van gemeente-zijn en van vermaning en verplichting. Hier begint immers reeds de tucht over doopleden.

Daarbij zal er altijd oog moeten zijn voor het feit, dat wij de harten van de mensen niet kunnen veranderen. In het verleden heeft men dit aangevoeld, toen b.v. door de commissie van 1925 op de synode werd herinnerd aan een categorie binnen de gemeente bestaande uit hen, „die ernstig met de gemeente meeleven, maar geen vrijmoedigheid hebben om geloofsbelijdenis te doen, welke laatsten men wel met ernst zal vermanen tot besliste bekering en opwekken tot geloof, maar nimmer vervallen verklaren van hun lidmaatschap van de kerk”.

De tucht heeft altijd het karakter van trekken tot Christus en zijn dienst. Zij mag nimmer afstoten. Maar dit geldt wel in het bijzonder bij deze doopleden, die geen vrijmoedigheid hebben om belijdenis te doen.

Dezen mogen wel onderscheiden worden van hen, die de zin daarvan niet inzien. Deze laatsten vinden het maar menselijk, om voor een kerkeraad en voor een gemeente belijdenis te doen: dat doet men voor zichzelf en voor God. Hier staat men voor andere motieven dan bij degenen, die innerlijk bevreesd zijn om aan het avondmaal te gaan en die daarom de belijdenis nalaten. Die eersten zouden moeten bedenken, dat de Here zijn gemeente vergadert en dat men zich niet individualistisch mag opstellen. De laatsten moeten bedenken, dat de Here aan zijn dis het geloof wil versterken, al is het zwak. Beide zaken zijn een kwestie van zorgvuldig pastoraat.

Vrees voor het vieren van het avondmaal kan men met een eenvoudig kerkelijk bevel niet wegnemen. Men zal oog moeten hebben voor de omstandigheden, die vooral in het Noorden aanleiding hebben gegeven tot het z.g. doopledenstelsel. Ik mag hier wel verwijzen naar de publikatie die daarover van de hand van (toen nog) ds. W. Kremer werd uitgegeven: Onze volwassen doopleden (Huizum 1938). Het bevat menige waardevolle aanwijzing die ook voor vandaag nog steeds van betekenis geacht mag worden. Erg goed is, wat prof. Kremer schreef over de kerk in haar taak als moeder ten opzichte van de volwassen doopleden. „Zij zal moeten trachten hen te doen verstaan:

1. dat zij leden der gemeente zijn en dat zij dit niet worden door belijdenis of zgn. „aanneming”.

2. dat zij tot het volle lidmaatschap der kerk zullen moeten komen en zoo niet, dat zij als ongeloovigen en ongehoorzamen openbaar worden, naar Hebr. 3 : 18,19.

3. dat de catechisatie maar niet een middel is tot verstandelijke ontwikkeling, maar een geestelijk opvoedingsmiddel Gods, om naar verstand en hart op te voeden voor het volle lidmaatschap der kerk. Verzuim der catechisatie is ongeloof en ongehoorzaamheid en een weigering in Gods wegen te wandelen.

4. dat het afleggen van belijdenis niet allereerst is een belijden van een welverzekerd geloof, maar een belijden van het zaligmakend geloof, naar de mate van het licht dat God gaf.

5. dat hoe noodzakelijk een welverzekerd geloof ook is, dit geen voorwaarde is om ten Avondmaal te gaan. Gods beloften in Christus en niet de staat des menschen wordt daar bezegeld.

Zoekt de kerk als moeder hare volwassen doopleden dit in toegewijde bearbeiding in prediking en huisbezoek te doen verstaan, onder biddend opzien tot den Heere, dan mag zij vrucht verwachten. De kerk mag en moet een groot geloof in de middelen oefenen”.

Het is duidelijk dat deze wijze van benadering aan de niet-belijdende doopleden geen afzonderlijke rechtspositie verschaft. Niemand heeft het recht om onbekeerd te zijn, zo betoogde Kremer. Zomin heeft een kind van het verbond een recht om geen lid van de kerk in vollen rechte te zijn.

Naast dit probleem, dat vanouds bekend is in de Christelijke Gereformeerde Kerken, vooral in het Noorden (in het Zuiden heeft men voor hetzelfde probleem een andere oplossing gevonden: het doen van de z.g. belijdenis der waarheid), naast dit oude probleem is er een nieuw. Het is dat van hen, die in het doen van belijdenis helemaal geen zin zien, en die daarom ook niet gemakkelijk te bewegen zijn om bij het opgroeien te staan naar de openbare belijdenis van het geloof. Het is een verschijnsel dat op één niveau ligt met andere, b.v. dat men in allerlei instituten en gebruiken geen zin ziet of geen zin heeft. De kerk heeft wèl te onderscheiden of er sprake is van een onverschilligheid in de diepste zaken van het geloof, dan wel of er gesproken moet worden van een verschijnsel dat geen diepere wortel geeft. Zo veel is duidelijk, dat de kerk niet kan toestaan de dis van het verbond open te stellen voor hen die geen belijdenis deden. Men zou daarmee een zeer wezenlijke kant van de gereformeerde traditie omtrent de structuur van de kerk loslaten en dit zou zich over de gehele linie wreken.

Geheel anders staat het met die doopleden die zich door een zondig leven duidelijk in strijd bevinden met de nieuwe gehoorzaamheid, die krachtens het verbond Gods van hen mag worden verwacht.

Deze mensen zijn leden van de gemeente. Juist daarom werden zij gedoopt. Maar hun leven is in strijd met dit lid-zijn van de gemeente van Christus. Toegegeven, zij zijn „incomplete” leden, omdat zij nog geen belijdenis hebben afgelegd en nog niet met zo veel woorden hebben uitgesproken, dat zij zich zouden onderwerpen aan de vermaning en tucht indien zij zich kwamen te misgaan. Die belofte hebben zij niet afgelegd.

Maar ontslaat dit de kerk van tucht en van vermaan?

En ontslaat dit deze gedoopte leden van de kerk om naar dit vermaan en naar deze tucht te horen? Geldt voor hèn niet: wie U hoort, hoort Mij? En hebben zij vanuit het verbond gedacht en vanuit Christus bezien ooit recht om deze vermaning naast zich neer te leggen? De vraag is hier niet allereerst, of het baat of niet. De grote vraag die hier klemt, is geen andere dan deze: of de kerk haar roeping ten opzichte van haar leden verstaat.

Een belangrijk doel van de oefening van de kerkelijke tucht is volgens Calvijn, dat de zondaar wakker zal worden: „Het derde einde van de tucht is, opdat de getuchtigden zelve, met schaamte aangedaan, mochten beginnen berouw te krijgen van hun onreinheid. Dus is het voegzaam, dat zij om hun boosheid worden getuchtigd opdat zij, die anders door toegeven in hun hardnekkigheid zouden voortvaren, door het voelen van de roede worden wakker geschud”.

Van een „royeren” zonder meer mag dus nimmer sprake zijn.

Met alle lankmoedigheid dient de kerkelijke vermaning te worden toegepast.

In dit opzicht biedt de weergave van de gang van zaken in de kerkorde bij artikel 77 altijd nog een goede handleiding. Het voordeel daarvan is, dat het wezen van hetgeen de kerk onder tucht heeft verstaan, hier naar de gelegenheid en naar de omstandigheden in toepassing wordt gebracht.

Inderdaad vereist de toepassing van de tucht een hoog geestelijk peil van de gemeente. Maar het een hangt met het ander samen. Er is een wisselwerking, hoe minder dit middel van de vermaning wordt gebruikt, hoe meer dit peil van de gemeente zal dalen. Ook hier geldt wat de Dordtse leerregels uitspreken: door de vermaning wordt de genade medegedeeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.