+ Meer informatie

OVER HET LIED IN DE EREDIENST

12 minuten leestijd

Vanouds is in de christelijke kerk de zang een wezenlijk element in de eredienst. In het zingen wordt de eeuwige God verheerlijkt als Schepper, als Verlosser en als Leider van Zijn volk; wordt Hij aangeroepen om vergeving en uitredding en om bijstand in nood; en wordt Hem dank gebracht voor de genade, die Hij op alle mogelijke manieren betoont.

In de kerken van de Reformatie, met name in de calvinistische, is het liedboek van de oudtestamentische gemeente, het Psalmboek, herontdekt. Zoals de hele Bijbel, Paulus met name ook, herontdekt werd, als het levende Woord van de levende God. Terecht stelde men: in het oudtestamentische liedboek legt God de Here zelf ons de woorden op de lippen en in het hart. Niet dat men van oordeel was, dat het in de Schrift verboden zou worden in de kerkdienst andere liederen te zingen dan de bijbelse Psalmen en enige nieuwtestamentische liederen (zoals de lofzang van Maria, die van Simeon en van Zacharias). Maar de algemene neiging was toch wel deze: laten we in de kerk Gods Woord in onze zang niet vermengen met menselijke bedenksels. Het is begrijpelijk, dat de her-vorm-de (vernieuwde) kerk, die de rijkdom van het Woord van God als enige bron van onze kennis omirent de wil des Heren (sola Scriptura) had hervonden, huive- rig was ten opzichte van andere liederen dan die door de Bijbel zelf werden aangereikt. De herontdekking van de Psalmen moet in de zestiende eeuw een geweldige ervaring hebben betekent. Niet alsof de middeleeuwse kerk het Psalmboek geheel en al gene- geerd had. Maar de Reformatie legde de „Psalmen Davids” in de vorm van strofische liederen, in de eigen taal en niet in het kerklatijn, aan de hele gemeente op de lippen. De dynamische groei van de hervormde kerk in die tijd moet in belangrijke mate gesti- muleerd zijn door het feit, dat de gelovigen in de gemeenten onder het kruis gemeen- schappelijk hun nood en hun vertrouwen konden uitzingen in de altijd actuele liederen van het oude Israël. Wij kunnen ons niet meer zo goed voorstellen, dat de Psalmliede- ren de glans van het gloednieuwe droegen in die jaren. Maar ze bleven de gereformeer- den dierbaar, ook in de zeventiende eeuw. Ook gedurende de wrede vervolgingen der hugenoten in Frankrijk na de opheffing van het Edict van Nantes (1685) klonken de Psalmen in het bergland van de Cévennen uit de diepte omhoog, zelfs of juist als men de dood voor ogen had.

In het rapport van het deputaatschap voor onderzoek naar het kerkelijk lied, dat in enigszins bewerkte vorm is uitgegeven onder de muzikale titel Eenstemmig en dat zo aan onze kerkeraden en kerken voorgelegd is, staat de unieke betekenis van de Psalmen voorop. Dat viel ook niet anders te verwachten. Het is immers een van de echte ken- merken van de Chr. Geref. Kerken, dat ze het Psalmboek liefhebben.

In alle eeuwen van de kerkgeschiedenis zijn er christen-dichters geweest, die uit de vol- heid van hun gemoed liederen maakten, waarin vele andere christenen hun geloof za- gen uitgesproken. Het ging (en gaat) daarbij dikwijls om liederen, gezangen of hoe men ze noemen wil, die geïnspireerd zijn op woorden uit de Heilige Schrift. Wie in de „lie- derenschat van de kerk der eeuwen” duikt, proeft vaak de toon van een Psalm, van een profetenwoord of van een brief van een der apostelen. Talrijke liederen zijn in de loop van de tijd gaan behoren tot het erfgoed van de christenheid. Ik denk (maar iedere keuze is een beetje willekeurig) aan het oudkerkelijke Te Deum („Wij loven U, o God, wij prijzen Uwe Naam”) of aan de Psalm van de Reformatie, het Lutherlied: „Een vaste burcht is onze God”. Het komt ook voor, dat mooie liederen pas na eeuwen worden ontdekt. Ik denk aan de prachtige bewerking, die de oer-gereformeerde dominee Jacobus Revius in de gouden eeuw schreef naar aanleiding van de gelijkenissen van Christus in de vorm van een gebed, o.a. met de veler onzer bekend in de oren klinkende woorden „Ik ben een schaapje, dat daar is // Verbijsterd in de wildernis”. Zulke liederen be-horen tot het waardevolste van onze christelijk-culturele erfenis! Vraag aan het adres van reformatorisch Nederland: kennen we onze eigen rijkdom op dit punt?

De feitelijke situatie in onze kerken is zo, dat de Kerkorde in artikel 69 bepaalt: „In de eredienst zullen de 150 Psalmen gezongen worden, alsmede berijmde Schriftgedeelten, door de generale synode vast te stellen”. Bij de aan de Schrift ontleende lofzangen is ook de „lofzang der engelen” (het „Ere zij God”) gevoegd, alsmede een klein aantal liederen uit het Liedboek voor de kerken, die als berijmde Schriftgedeelten mogen worden beschouwd.

Opmerkenswaardig is en blijft, dat gezangen als de Morgenzang en de Avondzang (resp. „Wij danken U, barmhartige God” en „O grote Christus, eeuwig Licht”) vanoudsdeel uitmaken van onze liedbundel voor de eredienst, terwijl ze toch met geen mogelijkheid als „berijmde Schriftgedeelten” te kenschetsen zijn.

Blijkbaar was de oude traditie hier dan een keer sterker dan het beginsel. Intussen: de bedoelde liederen zijn in alle opzichten „schriftuurlijk”, ook al vormen ze typische uit- zonderingen op de oude regel. Ik durf te zeggen: gelukkige inconsequenties op die regel I

Tot de feitelijke situatie in onze kerken behoort ook de omstandigheid, dat er momen- teel een zekere wildgroei aan de gang is. Er zijn gemeenten, waar uit het Liedboek ge-zongen wordt, of uit andere bundels, die van Johannes de Heer b.v., soms vóór de dienst (om in het kerkordelijke raam van artikel 69 K.O. te blijven), soms ook in de eredienst. Hoe men ook over gezangen in de eredienst denkt, zo’n niet door de Kerkorde gedekte ontwikkeling valt nooit goed te praten en is zeker niet dienstig aan de verbondenheid van gemeenten en gelovigen in onze kerken.

Moet artikel 69 dan veranderd worden? Die vraag is eigenlijk allang op de synodale ver- gaderingen van de Chr. Geref. Kerken aan de orde. Na een voorgeschiedenis, waar ik nu aan voorbijga, kwam er in 1977 een nieuw deputaatschap voor onderzoek naar het ker- kelijk lied, dat de opdracht kreeg zich te bezinnen op de bijbelse plaats van het lied in de eredienst.

Deputaten hebben zich in de jaren 1977-1980 gebogen over de bijbelse gegevens die van belang zijn voor de kwestie van het zingen van andere liederen dan de oudtesta- mentische Psalmen; ook over de uitspraken van de kerk in het verleden. Ik geloof niet, dat ik hier nu het bovengenoemde rapport uitvoerig moet gaan eiteren. Ik noem alleen een paar hoofdzaken. Wie dieper wil binnendringen in de materie, kan altijd nog bij het kerkelijk bureau aankloppen om een exemplaar van Eenstemmig. Men moet het dan geloof ik wel vlug doen, want de voorraad begint aardig te slinken.

In een eerlijke en onbevangen afweging van de gegevens uit de Schrift kwamen deputaten eenparig tot de slotsom, dat er in het Nieuwe Testament geen concrete geboden of verboden te vinden zijn inzake het lied in de eredienst (blz. 20). In het licht van het Nieuwe Testament is het verantwoord, dat de gemeente zich in haar spreken (d.i. in de preek) niet beperkt tot de directe woorden van de Schrift, maar ook „eigen” Schrift- getrouwe woorden gebruikt (blz. 24). Dit zal iedere beamen: geen enkele preek bestaat uit de voorlezing van een bijbelboek; de predikant maakt gebruik van zijn eigen woorden om de Schrift te verklaren. Daarom draagt hij ook zo’n grote verantwoordelijk- heid. Er is in principe geen reden om ten aanzien van het zingend spreken anders te re- deneren. De Schrift althans zegt het nergens! Maar, net als bij de preek, geldt hier dat alles schriftuurlijk volkomen verantwoord dient te zijn. Als de door het Nieuwe Testa-ment ons gelaten vrijheid wordt gebruikt om „eigen” liederen te zingen, dan mogen dat alleen liederen zijn die geheel met de Schrift in overeenstemming zijn (blz. 25).

Wat de Psalmen betreft een paar opmerkingen. Hun unieke plaats als de gezangen van het ons door God zelf gegeven liedboek mogen ze nooit verliezen. Als we ze zingen, deze liederen uit het Oude Testament, dan doen we ook het nieuwtestamentische heilswerk van Christus niet tekort, want met de jonge kerk zingen we de Psalmen in nieuw- testamentisch licht. Christus is de vervulling van de profetie, ook van die der Psalmen. De kerk na Pinksteren heeft de Psalmen nieuw verstaan met het oog op het heil van Christus.

Intussen laat het Nieuwe Testament zelf zien (vergelijk de hierboven genoemde lofzan- gen: van Maria, Zacharias, Simeon), dat er nog meer gezongen kan en mag worden dan wat er aan liederen uit het oude Israël is overgeleverd. Alleen: wat gezongen wordt, dient wel een zorgvuldige toetsing te ondergaan. Dat hebben de deputaten in hun rap-port sterk benadrukt. Ook al zijn er in de Schrift geen gronden voor een afwijzing van het zingen van gezangen, de roeping van de kerk tot het bewaren van het Woord van God en tot het waken tegen dwalingen maant haar ernstig tot grote behoedzaamheid en waakzaamheid (blz. 40).

Uit de geschiedenis leren we, dat de Reformatie de Psalmen heel hoog had staan. Ik heb het al even aangestipt. Gezangen zijn daarnaast niet volstrekt uitgesloten geweest. Wel zien we. dat voormannen van de Afscheiding van 1834, met name Hendrik de Cock, zich scherp hebben gekeerd tegen de Evangelische gezangen van 1807. Dat ver- zet laat zich goed verstaan. De bundel werd onder dwang opgelegd. Toch moeten we ons realiseren, dat De Cock natuurlijk niet onfeilbaar was. Zijn woord is uiteraard niet het laatste woord, hoeveel waarde we ook aan zijn uitspraken hebben toe te kennen. In De Cocks afwijzing waren liederen begrepen als „Alle roem is uitgesloten”, „Nooit kan ’t geloof te veel verwachten”, „Jezus neemt de zondaars aan” en „God, enkel licht”: door en door schriftuurlijke liederen, die onder ons algemene erkenning hebben gevonden. Ik beweer niet, dat het alles goud was wat er blonk in de bundel die De Cock als een verzameling „Sirenenzangen” betitelde, maar dat zijn afkeuring voor een aanzienlijk deel voor rekening van de historische situatie komt, daar hoeft geen twijfel over te bestaan.

De Cocks houding in dezen heeft grote betekenis gehad voor de Chr. Geref. Kerken. Ook nu nog kan men mensen horen die zich op zijn standpunt beroepen. Daarom moet ik eraan herinneren, dat er ook reeds in De Cocks tijd afgescheiden voorgangers waren, die een milder oordeel uitspraken. Overigens blijft het zo, dat de traditie zelf - of die nu in ons straatje past of niet -, weer getoetst moet worden aan de Schrift. Pas als we daartoe bereid zijn, zitten we werkelijk op de lijn van de Reformatie.

Het deputatenrapport bepleit positieve waardering voor de lijn die in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme als hoofdlijn valt aan te wijzen. Het daarin werk- zame uitgangspunt, nl. het trouw bewaren van het Woord van God, wordt in Eenstem- mig (blz. 41, onder III) als blijvend erkend. Ook als we gezangen zouden invoeren, moet het Woord alléén het voor het zeggen hebben. Dat houdt dan bijvoorbeeld in, dat alle liederen die we kiezen, moeten beantwoorden aan de normen van de Schrift. „Zij dienen er daarom zorgvuldig op getoetst te worden, of ze met het geheel van Gods heilsopenbaring in overeenstemming en van de Geest der Schriften doordrenkt zijn” (blz. 26).

Op de synode van Amersfoort (1980) is gezegd, dat het deputatenrapport een broeder- lijke geest ademt. Ik zelf kan getuigen, dat er bij alle verschil van inzicht (want dat was er: er zaten vogels van diverse pluimage in het deputaatschap) een echte band was en broederlijk begrip voor elkaars moeiten. Als dat iets weerspiegelt dat eigen is aan onze kerken, moge het dan altijd zo onder ons blijven !

In ieder geval tonen de deputaten ervan overtuigd te zijn, dat dit een fundamenteel punt is of behoort te zijn in iedere beslissing ten aanzien van gezangen. Vandaar het belangrijke hoofdstuk over de verantwoordelijkheid der kerken. Er moet recht gedaan worden zowel aan de eenheid als aan de verscheidenheid in de gemeente(n) van Christus.

Het is ieder onzer bekend, dat de zaak van de gemeentezang heel gevoelig ligt in onze kerken. Er zijn niet weg te denken verschillen van inzicht en beleven. Ik zou hier graag de eigen verantwoordelijkheid van de kerkeraden willen beklemtonen. Men mag en kan niet zomaar ja of nee tegen gezangen zeggen en daarbij de voorstanders van de tegen- overgestelde zienswijze in de kou laten staan. Dit geldt, ik zeg het in grote ernst, over en weer. In de termen van het rapport: de wederzijdse argumenten zullen in een broe- derlijk gesprek zorgvuldig gewogen moeten worden (blz. 52). Ik voeg er nog dit bij: laat iedere kerkeraad vooral ook terdege rekening houden met het geheel van ons kerk- verband.

Momenteel liggen de zaken in onze kerken aldus, dat er zijn die afwijzend staan tegenover iedere wijziging van artikel 69 K.O. Sommigen zijn anderzijds, naar het me voor- komt, geneigd het Liedboek voor de kerken in zijn geheel te slikken. De synode heeft in haar besluit een andere weg gewezen, in de lijn trouwens van het deputatenrapport, een lijn die, aanknopend bij het verleden („de Schrift alleen”), behoedzaam een verant- woorde vernieuwing mogelijk maakt.

Ten aanzien van eventueel in te voeren schriftuurlijke liederen heeft de synode be- paald, dat er aan een reeks van voorwaarden zal moeten worden voldaan. Ten eerste worden de gezangen door de generale synode vastgesteld. Ten tweede dient in artikel 69 K.O. te worden vastgelegd, dat de plaats van deze liederen in de eredienst onderge- schikt is aan die van de Psalmen en andere berijmde Schriftgedeelten. Voorts zal het aantal liederen dat van de Psalmen en andere berijmde Schriftgedeelten niet mogen overtreffen. Tenslotte zullen de liederen aan de kerken worden aangeboden in de vorm van een eigen liedbundel.

Op de synode van 1980 is geen definitieve beslissing genomen. De deputaten zijn thans bezig met de voorbereiding van een beslissing voor de synode van 1983. De inhoud van de voorstellen zal afhankelijk zijn van drie punten: 1. de reacties uit de kerken; 2. de realiseerbaarheid van een eigen liedbundel; 3. de eenheid van de kerken.

Uit het bovenstaande is wel zonneklaar, dat reacties op het deputatenrapport door de deputaten met zorg zullen worden bezien. Daarbij geldt natuurlijk als vanzelfsprekend, dat die reacties zelf ook dienen te getuigen van eenzelfde grote zorg en broederlijke geest. In het zingen van de gemeente gaat het tenslotte om de eer van Gods heilige Naam. Moge alles wat in dezen gebeurt, bijdragen tot de verheerlijking van die Naam en tot zegen zijn voor onze kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.