+ Meer informatie

SLOTWOORD

5 minuten leestijd

Aan het einde van deze conferentie gekomen, wil ik een ogenblik met u terugzien op deze dag.

Wat dwars door alles heen zieh aan ons opdrong, was de grote ernst van de zaken, die aan de orde waren. Het was - direct al na het openingswoord van br. Koole - nieton-duidelijk, dat het vandaag zou gaan om fundamentele vragen. Vragen die zoals gezegd, op ons alien afkomen. Je hoeft slechts te denken aan de lege en verlaten Straten van de grote Steden, waardoor velen van ons morgenochtend naar de kerk zullen gaan. In ons ambtswerk en wellicht in ons persoonlijk leven (je eigen kinderen!) worden we voort-durend geconfronteerd met de groeiende vervreemding van en het onbegrip voor de dingen van onze hemelse Vader. Achter de woorden die vandaag gesproken zijn, hoor-de ik ergens de stem van de Heiland: „Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?” (Luc. 18:8).

De zaken waarom het ging zullen we geen moment van ons kunnen afschudden. Over de crisis van het Godsgeloof kan niet vrijblijvend gesproken worden. Dat merkten we aan de toespraak van prof. Oosterhoff, die tegen het eind steeds meer prediking en appel werd. Dat was merkbaar in de vragen, die een intensief en existentieel meeden-ken toonden.

We mogen dankbaar zijn voor de bezinning op deze dag, hoe fragmentarisch en voorlo-pig die ook was. We hebben stilgestaan en om ons heen gezien, in de wereld waarin we leven. Een wereld waarin de veranderingen in versneld tempo zieh voltrekken. Na alles vandaag gehoord te hebben, kan het gevoel over je komen van een draaikolk van vraag-tekens, niet in het minst als het gaat over God en het lijden, de voorzienigheid Gods. Toch waren er enkele duidelijke lijnen, die we mogen doortrekken in ons persoonlijk en ambtelijk-pastoraal bezig zijn. Ik meen dat hier drie dingen genoemd kunnen worden:

1. de dringende noodzaak van het geestelijk onderkennen van de situatie waarin we leven, het tijdsgewricht waarin we staan. Wat zit er al niet achter de Godsvraag van de hedendaagse mens, in concreto die 17-jarige jongen die tegen je zegt: „meneer, het doet me allemaal niks”? Een zee van vragen, vervreemding, zonde. De macht van de tegenstander die in de geest van de tijd zieh breed maakt. Als wij soms het verlammende gevoel hebben op een muur te stoten, kunnen we dan inschatten waar de knelpunten zitten, wat de oorzaken zijn van die zo genoemde Godsverduistering en de geestelijke bloedarmoede van onze cultuur? De mondige mens, die meent God achter zieh gelaten te hebben of die zichzelf goden schept naar eigen beeld en gelij-kenis? Trekt God zieh terug of gaat de mens met zijn rug naar God toe staan, zodat hij Hern niet ziet?

2. de aansporing tot de rechte christelijke nuchterheid tegenover de verworvenheden van de moderne cultuur. Enerzijds door een beslist afwijzen van een verabsoluteerd wetenschapsgeloof, als zou de wetenschap in Staat zijn de laatste grond van de werkelijkheid te onthullen. Er werd op gewezen dat de wetenschap een eigen plaats en grenzen heeft. Anderzijds nuchterheid, door te waken voor een paniekerige schrik-reactie en te vluchten in een negatieve instelling. En een valse tegenstelling tussen geloof en wetenschap te construeren. Als de wetenschap góed, d.w.z. in geioof, ge-hanteerd wordt, kan dat God alleen maar groter en de mens alleen maar kleiner en bescheidener maken.

3. het voornaamste: dat we uiteindelijk opnieuw bij de Schriften Gods terecht kwa-men. Bij het levende Woord van de levende God. Aan de ene kant was duidelijk, dat de God der Schriften zó groot, zó heerlijk en heilig is, dat al onze gesloten Systemen, al onze Schablonen onmogelijk zijn. De bereidheid om in elke tijd weer onze beeiden en zekerheden te toetsen in het licht van het Woord en geleid door de Geest, kan de kerk alleen maar tot grote zegen zijn. We mogen niet doen, alsof de tijd al voorbij zou zijn dat we door een spiegel zien, in raadselen.

Nog meer en misschien nog consequenter zullen we het moeten belijden en beleven, dat het onze Here Jezus Christus is, in Wie en door Wie wij God leren kennen. Zeker in onze tijd, nu de Godsvraag zo klemmend is, de naam van Jezus Christus noemen, niet zozeer beschouwend alswel belijdend en Hem navolgend. Die ene Naam, waar-door wij moeten behouden worden.

Hoe de Godsvraag ook verwoord wordt, altijd weer worden we teruggeworpen op het Woord. Het antwoord op de Godsvraag van de mens van alle tijden is het Woord van de sprekende God Zèlf. God, die in Zijn eindeloze liefde Zijn Zoon zond, ook voor een verwetenschappelijkte en vertechniseerde wereld. Jezus, die is het beeld van de on-zichtbare God. We zullen nooit bij God terecht komen, hoe we de vragen ook stellen, als we niet bij Hem beginnen, van Hem uitgaan. Dat betekenf. knieten en luisteren.

We mogen van het Woord véél verwachten. Het is niet voor niets levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Het Woord heeft - menselijkerwijs gesproken - nú in ons tijdsgewricht niéuwe kansen, nu verwarring en vervreemding toenemen. Het Woord verkondigt leven en hoop. Dat is onze troost. Als we ons maar door Gods Geest laten voortdrijven!

Tenslotte gaan we nog éénmaal naar dat Woord luisteren. We horen opnieuw een ge-deelte uit het machtige troostboek van Jesaja, waar de Here spreekt tot Zijn volk in ballingschap, dat in de ban is van een vreemde cultuur, en dat zijn God kwijt is door eigen schuld: Ik ben de Here en er is geen ander!

…… Lezen: Jes. 45 : 15-25.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.