+ Meer informatie

Waarheen na de lagere school?

11 minuten leestijd

Bij een keus voor het algremeen voortgrezet onderwas bleven alle mogremkheden nog: open omdat die scholen „alg^emeen on.derwi^s" g-even en dus nog- niet in de richting- van bepaalde beroepen opleiden.

Tot deze groep behoren: het MAVO (middelbaar algemeen voortgrezet onderii^s), HAtfÖ (hog-er alg-emeen voortg-ezet onderwijs) en Atheneum en g-ymnasium, vaak g-enoemd VWO (voorbereidend wetenschappelijk onderwas).

Het eerste jaar van alle scholen voor algemeen voortgezet onderwijs is het zogenaamde brugjaar. In dit jaar worden de leerlingen zo goed mogelijk wegwijs gemaakt in hun nieuwe omgeving. De leraren krijgen in dit jaar een indruk over de capaciteiten van hun leerlingen. Er wordt onderwijs gegeven in: Nederlands, Frans, Engels, Bijb. geschiedenis, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, biologie, muziek, tekenen, handvaardigheid en lichamelijke opvoeding.

In de brugklas krijgen de leerlingen ook studielessen. Hierin leren zij hoe zij moeten studeren. Aan de hand nu van de resultaten in de brugklas wordt nagegaan* of de keus voor mavo, havo of vwo de juiste is .geweest.

MAVO

Evenals de vroegere ulo-school staat de MAVO midden in ons onderwijsbestel. Om tot de MAVO te worden toegelaten moet de leerling de zes klassen van de lagere school hebben doorlopen. Het hoofd van de school brengt over elke leerling rapport uit. De toelatingscommissie van de MAVO-school beslist of de leerling voor dit onderwijs geschikt is.

Het MAVO duurt vier jaar, er kan echter aan zo'n school ook nog een afdeling met een driejarige cursus zijn verbonden. Hiervan ligt het eindniveau lager dan bij het vierjarige MAVO.

Het MAVO is een goede voorbereiding op alle mogelijke vormen van middelbaar beroepsonderwijs, zoals bijvoorbeeld MTS en opleidingsschool voor kleuterleidsters. Het is uiteraard ook mogelijk om na het behalen van het diploma een baan te gaan zoeken in, om een voorbeeld te noemen, de administratieve sector bij overheid en bedrijfsleven.

HAVO

Het HAVO is een gewild schooltype in feite bedoeld als toegangspoort tot het hoger beroepsonderwijs. Met het diploma op zak kan men natuurlijk ook de maatschappij instappen of een overstapje nemen naar de vijfde klas van het Atheneum.

Hoger algemeen voortgezet onderwijs (HAVO) is de gedeeltelijke opvolger van de vroegere HBS. Ook bij deze school besluit een commissie over toelating van de aangemelde leerling. De cursusduur is vijf jaar.

Na de brugklas wordt het programma uitgebreid met Duits en in het derde jaar met scheikunde. Dit is géén dwingende eis daar de voorschriften alleen eisen dat er in die vijf jaar zoveel uren moeten worden besteed aan die en die vakken.

Do cursus wordt afgesloten met een einde.xamen in zes vakken waarbij Nederlands en een moderne vreemde taal verplicht zijn. De vier andere vakken kunnen gekozen worden uit twee moderne vreemde talen, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, economie en handelswetenschappen.

ATHENEUM

Zoals reeds gezegd valt dit schooltype onder het VWO (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs). De cursusduur bedraagt zes jaar. Het VWO is niet bedoeld voor die leerlingen die wel „aardig meekunnen", maar voor leerlingen die behalve een helder verstand ook studiezin hebben. Om toegelaten te worden moet men met goed gevolg de zes klassen van de lagere school hebben doorgelopen. Verder moet een toelatingsexamen worden afgelegd. Degene die na de brugklas op het Atheneum doorgaat krijgt in de tweede, derde en vierde klas dezelfde vakken als in de brugklas al worden er wel vakken bijgevoegd zoals Duits en scheikunde.

In de vierde klas begint een scheiding voor de A of B richting. De nadruk in de A-richting valt op talen, geschiedenis, staatsinrichting, aardrijkskunde en economische wetenschappen.

In de B-richting staan centraal, wisktmde, natuurkunde, scheikunde, en biologie.

Vijf van de zeven vakken zijn voor het eindexamen verplicht. Een A-eindexamen bestaat uit Nederlandse taal en letterkunde, twee moderne talen, aardrijkskunde of geschiedenis en staatsinrichting en economische wetenschappen. Twee vakken moeten worden gekozen uit een moderne vreemde taal, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie en als men bijvoorbeeld gekozen heeft voor aardrijkskunde, geschiedenis enz.

Een B-eindexamen bestaat tiit Nederlandse taal en letterkunde, een moderne vreemde taalj wiskunde I en twee van de vakken natuurkunde, scheikunde en biologie. Daarnaast moeten twee vakken worden gekozen uit de moderne vreemde talen, natuurkunde,* scheikunde, biologie, wiskunde II, geschiedenis of staatsinrichting, aardrijkskïmde of economische wetenschappen.

Het zal u zijn opgevallen dat een A-kandidaat ook een stukje atheneum B kan doen en omgekeerd. Met het Athe* neum-diploma op zak kan men op een uiü-, versiteit of hogeschool verder gaan studeren. vwo. Na het examen krijgt men hier een ongedeeld VWO-diploma. Het geeft dezelfde mogelijkheden als de vergelijkbare Atheneum- en Gymnasium-diploma's.

BEROEPSONDERWIJS

Het g:rote verschil van het beroepsonderw^s met het alg:emeen voortgezet onderwas Is dat de scholen voor lag:er beroepsonderw^s allemaal ong-eveer even moeilijk zyn. Ze duren aUe vier Jaar en hebben een tweejarige onder- en een tweejarig:e bovenbouw,

In de onderbouw is het mogelijk om een overstapje te nemen naar een andere school voor lager beroepsonderwijs. Aansluitend op al de vormen van lager beroepsonderwijs bestaat een school voor middelbaar beroepsonderwijs, daarna in de meeste gevallen aansluiting op het hoger beroepsonderwijs.

De eerste twee jaar-onderljouw-worden voornamelijk vakken gegeven van algemene aard, zoals Nederlands, een moderne taal, wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis, maatschappijleer, handvaardigheid en algemene technieken. Deze onderbouw is belangrijk voor de definitieve keus van lager beroepsonderwijs en voor de algemene vorming van de leerling. Zonder tijdverlies heeft de leerling de mogelijkheid op wat latere leeftijd nog van beroepsrichting of van school te veranderen.

De leraren zijn in staat om in deze tweejarige periode de leerlingen goed te observeren om zodoende een gefundeerd advies te kunnen geven voor de richting die het best past bij' de aanleg en belangstelling van de leerling.

In de bovenbouw komen naast de algemene vakken beroepsoriënterende vakken die bij de verschillende vormen van dit onderwijs uiteraard sterk uiteenlopen.

Aan elke school is een toelatingscommissie verbonden die besluit (soms zelfstandig) over toelating van de leerling. Men raadpleegt daarbij het rapport van het hoofd van de lagere school.

LTS

Het onderwijs op de lagere technische school is de laatste jaren veel algemener geworden. De vroegere 27 vakgerichte opleidingen hebben plaatsgemaakt voor zeven brede afdelingen. Er wordt nu gewerkt met beroepenvelden. Er van uitgaande wat de leerlingen willen en kunnen wil de lts een aanloop zijn voor de eigenlijke vakopleiding die later volgt. (In het kader van het leerlingwezen of het middelbaar technisch onderwijs). De zeven breed gerichte afdelingen zijn: Mechanische techniek, bouwtechniek, grafische techniek, consumptieve (b.v. brood-banketbakken, horeca) elektrotechniek, motorvoertuigentechniek en installatietechniek.

Bij wijze van experiment is enkele jaren aan een veertig:tal Its-en gestart,met een opleiding theoretisch technische opleiding (tto). Deze opleiding heeft een zodanig eindniveau dat de leerlingen toelaatbaar zijn niet alleen tot de mts maar ook tot andere vormen van middelbaar beroepsonderwijs.

Er bestaan ook nog speciale ITO scholen of afdelingen verbonden aan de LTS. Ook de individueel technisch onderwijs (ITO) scholen duren vier jaar. Ze zijn bedoeld voor die leerlingen die om de een of andere reden niet tot die LTS prestaties komen die ze eigenlijk zouden moeten bereiken.

LHNO

Het lager huishoud- en n^verheidsonderwiys wordt vaak onderschat. Tegen een meisje wordt soms zo achteloos gezegd: i,ga jy maar naar de huishoudschool". ITlt de haam alleen al valt af té lelden dat ook deze scholen oriëntatie geven op beroepen.

Daarnaast is het zo dat deze scholen zich helemaal niet behoeven te schamen voor hun naam. IJr zijn duizenden meisjes die hun toekomst zien liggen in het huishouden. Wel, ook daarvoor moet geleerd worden. De taak van echtgenote en moeder is beslist niet minder belangrijk (in tegendeelll) dan de taak die de vrouw in de maatschappij kan verrichten.

In de meeste gevallen zal een meisje voordat zij trouwt een beroep uitoefenen. Als zij niet. trouwt zal zij in dat beroep meestal blijven werken. Wel, ook daarvoor biedt het LHNO en, indien gewenst, het middelbaar huishoud- en nijverheidsonderwijs of de leerlingenstelsels mogelijkheden. Ook de LHNO scholen beginnen met een tweejarige onderbouw waarin ook weer vooral de algemene vakken centraal staan, n.l. Nederlands, een moderne taal, geschiedenis, aardrijkskunde, rekenen en wiskunde, tekenen, handvaardigheid etc. Ook tijdens deze onderbouw kan bij nader inzien overgestapt worden op een andere vorm van lager beroepsonderwijs, bijvoorbeeld LEAO.

De vakken van de onderbouw worden bij de bovenbouw uitgebreid met beroeps-• oriënterende vakken (gezondheidszorg, woningverzorging, voeding, kleding, textiel-werkvormen).

Volgens de nieuwe examenregeling moet in zes vakken examen worden afgelegd. Drie algemene vakken, Nederlands en een beroepsgericht vak verplicht en twee keuze vakken.

LAVO

Tot het lager algemeen voortgezet onderwas (LAVO) worden leerlingen toegelaten die de zes klassen van het lager onderwas hebben doorlopen. Het is bestemd voor die leerlingen die wellicht wel de capaciteiten hebben voor het volgen van verder onderwas maar die daar aan het einde van de zesde klas nog niet (geheel) geschikt voor zyn. Na één of twee Jaar is doorstroming mogeiyk naar een van de vormen van het lager beroepsonderwys of naar de MAVO.

LEAO

Eén van de nieuwe schooltypen is het lager economisch en administratief onderwijs (LEAO). Het geeft voorbereiding op beroepen in de economische en administratieve sector. Met andere woorden de voorbereiding is gericht op functies van lager kantoor- en winkelpersoneel en bedrijfsleven. Dit onderwijs wordt meestal gevolgd door meer praktisch ingestelde leerlingen. Het LEAO streeft naast de praktische vorming ook naar een verdieping van de theoretische kennis.

Ook hier is de cursusduur vier jaai"; Twee jaar onder- en twee jaar bovenbouw. In het eerste jaar dezelfde vakken als op de andere scholen voor lager beroepsonderwijs. Het tweede jaar kan worden uitgebreid met bijvoorbeeld machineschrijven en een tweede moderne taal.

In de bovenbouw valt de nadruk op de vakken die op het beroep zijn gericht. Volgens de nieuwe examenregeling ook weer zes vakken voor het eindexamen verplicht, waaronder in elk geval Nederlands, een moderne taal en handelskennis I of II.

Van groot belang is voor di§ leerlingen die willen doorgaan naar het middelbaar beroepsonderwijs om de vakken te kiezen op het hoogste niveau (C-niveau). Het examen op dit niveau bestaat, voor zover dit voor een vak is vastgesteld, uit een schoolonderzoek en een centraal schriftelijk examen. Het examen A of B bestaat alleen uit een schoolonderzoek. Na het behalen van het diploma zal een deel een baan zoeken met de mogelijkheid in het leerlingstelsel verder te studeren en een deel zal, afljankelijk van de resultaten, doorgaan naar het middelbaar economisch en administratief onderwijs. ,.. '

LDS/LMO

De lagere detailhandelsschool ook wel genoemd het lager middenstandsonderwijs sluit aan op het lager onderwijs en is bedoeld voor leerlingen met handelsgeest. Cursusduur vier jaar. De school geeft een basisopleiding voor zelfstandige uitoefening van de handel maar is vooral ook een goede voorbereiding op het aansluitende middelbaar detail-handëlsonderwijs. Ook hier weer een tweejarige onder- en bovenbouw. Het eerste leerjaar is algemeen vormend om zo de leerlingen te begeleiden tot eea^ gemotiveerde keus. Beroepsgerichte vak^ ken komen in het eerste jaar niet voor zodat er altijd nog een mogelijkheid is om eos. andere schoolkeus te maken.

Drie sectoren bepalen dit onderwijs, namelijk algemene vorming (o.a. Nederlands-moderne talen-geschlddenls), be

Ook hier zes vakken verplicht voor het eindexamen. De leerlingen die willen doorgaan dienen de vai^ken op het hoogste (C) niveau op te nemen in het vakkenpakket.

LAO

Het lager agrarisch onderwys ook wél genoemd het lager land- en tulnbouwonderwys is de laatste Jaren aangepast aan deze tyd.

Ook hier een onder- en bovenbouw. In de bovenbouw komen er bij de lessen in algemene land- en tuinbouwvakken en wordt er aandacht besteed aan vakvaardigheid. Hierin wordt onderwezen in het omgaan en onderhoud van motoren en machines. Ook wordt men vertrouwd gemaakt met weritT. zaamheden op de boerderij of in de tuinbouw.

Op die scholen waar meer aandacht wordt besteed aan de landbouw is de bovenbouw vooral gericht op plantenteelt, veehouderij en dierverzorging. De scholen die meer zijn gericht op de tuinbouw: groenteteelt, fruitteelt, bloementeelt etc.

De land- en tuinbouwscholen kennen twee soorten diploma's. De A-richting voor de leerlingen die door willen studeren aan een middelbare land- of tuinbouwschool. De B-richting is meer praktisch ingesteld en bedoeld voor hen die in de opleiding leerlingwezen verder willen gaan.

LNO

Voor wie het varen in het bloed zit is het lager nautisch onderwijs een mogelijkheid. Het bestaat, aansluitend aan het lager onderwijs, uit: opleidingen aan scholen voor Rijn- en binnenvaart en kustvaart. Opleiding tot scheepsgezel, matrozenopleiding en visserijscholen.

Het dagonderwijs voor Rijn- en binnenvaart en kustvaart duurt vier jcCar. Er moet rekening worden gehouden dat aan deze scholen een internaat is verbonden.

Aan de school voor visserij en scheep-, vaart in IJmuiden is een vierjarige opleiding verbonden tot scheepsgezel. Deze opleiding heeft tot doel te bekwamen tot werkzaamheden aan dek en in de machinekamer.

Behalve de opleiding tot matroos bij de Rijn- en binnenvaart is er ook een opleiding voor de handelsvaart. Het zijn eenjarige internaatsopleidingen voor de leerlingen die elders twee jaar voortgezet onderwijs hebben genoten. De leerlingen worden voorbereid op functies aan boord en in de machinekamer.

De visseryscholen zyn gevestigd in Den Helder, Katwyk aan Zee, Schevenlngen, Crk, Jllissingen en Stellendam. Het zyn driejarige cursussen waarvan het eerste Jaar een brugjaar is.

C ziet keuzemogeiykheden genoeg, teveel vindt minister Van Kemenade. Hy wil in de tachtiger Jaren al deze scholen vervangen door de midden* school.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.