+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud u.

7 minuten leestijd

11

Alles is door de vijand in het werk gesteld om het geestelijk reisgezelschap naar het beloofde land tot andere gedachten te brengen. Door af te zakken in ons denken naar de genietingen van het vlees, wordt het geestelijk denken des geloofs met lamheid geslagen. Daarom moet het geestelijk denken vanuit het Goddelijk denken des Woords verzorgd en versterkt worden.

Lukt het de vijand niet deze reizigers tot andere gedachten te brengen, dan is het voor hem, naar zijn eigen woord vanuit die onvergetelijke nacht der beproeving, een verloren zaak. Bij het volk, dat roept en blijft roepen om genade, heeft satan geen winst te boeken. De Heere hoort en verhoort het geroep om genade, daar wordt hulp van boven verstrekt. En zie, de slaven van satan zoeken bescherming achter de muur op het terrein van de boze hond.

Vriendelijk en belangstellend informeerde de man naar de welstand van de vrouwen, die door hem waren bevrijd. „O”, was het antwoord, „dank zij uw Vorst, het gaat ons goed, maar wij waren zeer verschrikt; wij zijn u dan ook zeer dankbaar, want indien gij ons niet te hulp waart gesneld, weten wij niet wat ervan ons geworden zou zijn”.

Maar met deze erkentelijkheid voor de genoten hulp was de zaak nog niet af. De oorzaak van deze stagnatie lag in het verzuim van de vrouwen, dat zij bij het verlaten van de heer Welbehagen gepleegd hadden. En dat werd door het bespiedend oog van de vijand bemerkt, zodat hij van dat verzuim gebruik kwam te maken.

Daarom ging de bevrijder van dit gezelschap aldus voort: „Het verbaast mij zeer, dat, toen u bij de poort verversingen werden aangeboden en gij u daar verkwikt hebt, gij toen niet van de Heer der plaats een geleide hebt gevraagd, daar gij toch zulke zwakke vrouwen zijt. Gij hadt dan al die moeite en gevaren kunnen vermijden”.

Daar was verzuim gepleegd door niet om een leidsman te vragen op de nog zo onbekende en gevaarvolle weg, en dat vanwege de boze lieden, die tot in hart en nieren Sion gram zijn. Terwijl de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, altijd bereid is één van Zijn dienaren de nodige bescherming op te dragen. En zo is dat verzuim niet alleen schadelijk voor de reizigers naar de Hemelstad, maar ook onterend voor Hem, Die het de Vader beloofd heeft voor hun ziel en zaligheid te zorgen.

„Helaas”, zei Christinne, „wij waren zo vervuld van onze tegenwoordige zegeningen, dat wij er geen ogenblik aan dachten welke gevaren ons zouden kunnen bedreigen. En dan, hoe konden wij vermoeden, dat in de nabijheid van des Konings paleis zulke booswichten zich zouden ophouden! Zeker, het was goed geweest als wij onze Heer om een gids hadden verzocht, maar eigenlijk begrijp ik niet goed waarom hij^ons niet werd meegegeven, daar wij er zo grote behoefte aan hadden”.

De zonde van nalatigheid, door niet onze afhankelijkheid van de Heere te beleven, wordt veeltijds maar licht geacht, zodat die schuld maar weinig gevoeld en beweend wordt.

Zeker, de Heere had wel voor een gids kunnen zorgen, al was er niet om gevraagd. Maar zou dat, opvoedkundig gedacht, wel goed geweest zijn? U kunt toch wel begrijpen, dat die gemakkelijkheid op den duur de zorgeloosheid in de hand werkt en dat wil de Heere niet. Bevrijder zegt dan ook: „Het is niet altijd nuttig dat ons dingen, die wij behoeven, worden geschonken zonder dat wij er om vragen, want zij worden dan wel eens van weinig waarde geacht. Maar wanneer de mens dringend behoefte gevoelt aan een zaak, en hij zijn innige begeerte kenbaar maakt, dan zal hij de vervulling daarvan des te hoger schatten en er met meerdere waardering gebruik van maken. Wanneer mijn Heer u een gids had gegeven, dan zoudt gij er niet toe gekomen zijn uw verzuim te betreuren, dat gij er Hem geen hadt gevraagd, daar gij toch meende er geen te behoeven. Zo moeten alle dingen medewerken ten goede ten einde u te oefenen in waakzaamheid”.

Gelukkig, deze duidelijke onderwijzing tot vernedering voor de Heere vond ingang. Spontaan kwam Christinne tot de vraag: „Zullen wij teruggaan naar onze Heere om hem onze dwaasheid te belijden en een gids te vragen?” Maar neen, dat is niet nodig. Geheel tegemoetkomend zei Bevrijder: „Ik zal het onze Heer zeggen hoezeer gij uw verzuim betreurt. Gij behoeft niet terug te keren, want op elke plaats waar gij zult aankomen, zult gij vinden al wat gij zult behoeven, en alles is daar gereed om de veiligheid van de pelgrims tegen elke aanval te verdedigen. Maar gelijk ik zeide: „Hij wil verzocht worden, dat Hij het hun doe”. En de zaak moet al zeer nietig zijn, die niet waard is dat men er om vraagt”.

Nadat Bevrijder dit gezegd had, ging hij terug en de pelgrims vervolgden hun reis. En wat toen gezegd is, geldt ook voor ons. Nadrukkelijk is het ons door de Heere betuigd, dat het Hem verzocht moet worden Zijn beloften in ons hart en leven te vervullen. Hij wil er ons door binden aan de troon der genade.

Toen zei Barmhartigheid, die de zaak van een geheel andere kant bezag: „Welk een onverwachte teleurstelling is dit! Ik had er vast op gerekend, dat wij alle gevaar te boven waren, en dat wij geen tegenspoed meer zouden ontmoeten”.

„Ja, uw gebrek aan ervaring, lieve zuster”, zei Christinne tot Barmhartigheid, „kan tot uw verontschuldiging dienen, maar wat mij betreft, mijn schuld is zoveel te zwaarder, want ik had het gevaar moeten voorzien en op hulp bedacht moeten zijn. Ik ben wel zeer te veroordelen”.

„Wel”, hernam Barmhartigheid, „hoe is het mogelijk, hoe hebt gij dat kunnen voorzien? Wees zo goed mij dat raadsel eens op te lossen”.

„Zeker”, zei Christinne, „dat wil ik u gaarne zeggen. Vóór ik een voet buiten de deur had gezet om de reis te aanvaarden, had ik ’s nachts een droom. Ik zag namelijk twee mannen, volkomen gelijk aan die twee booswichten, en ik hoorde hen samen beraadslagen wat zij zouden doen om mijn redding van het eeuwig verderf te verhinderen. Ik zal u hun eigen woorden mededelen, die ik vernam te midden mijner angsten.

„Wat zullen wij toch met deze vrouw doen”, zeiden zij, „want zij roept voortdurend, hetzij zij waakt of slaapt, om vergeving van zonden. Indien zij zo voortgaat als zij begonnen is, zullen wij haar verliezen evenals wij haarman hebben verloren”. Deze woorden hadden mij voorzichtig moeten maken, en mij moeten doen omzien naar een beschermer”.

Inderdaad, door te letten op de bedoeling van de vijand, krijgt de voorzichtigheid van de rechtvaardigen steeds meer waarde voor ons. Gelijk Salomo met voorzichtigheid de tempel heeft gebouwd, hebben wij haar in acht te nemen bij het bouwen van het huis van onze verwachting voor de eeuwigheid.

„Wel”, zei Barmhartigheid, „evenals wij door dat verzuim een beter inzicht hebben gekregen in onze tekortkomingen, zo heeft de Heere ons daar tegenover een ruimere blik gegeven op de rijkdom van Zijn genade. Hoe duidelijk blijkt het, dat Hij ons op onze weg heeft gevolgd met Zijn ongevraagde gunstbewijzen, en dat Hij ons uit louter genade heeft verlost van het geweld dergenen, die sterker waren dan wij”.

Ja, wij moeten tot het juiste inzicht komen van onze tekortkomingen, want de zonde van nalatigheid kan ver strekkende gevolgen hebben tot grote schade van ons geestelijk leven. De Schrift zegt ons dan ook: „Bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid; want zij zullen het leven voor uw ziel zijn”.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.