+ Meer informatie

Suriname belooft voorzichtiger om te springen met ons geld

"Kritisch bekijken of wederzijds voordeel tot z'n recht komt''

6 minuten leestijd

PARAMARIBO — Suriname zal meer dan vroeger kritisch nagaan of bij het verdrag waarbij Nederland Suriname bij zijn onafhankelijkheid, eind 1975, ontwikkelingshulp van 3.5 miljard guIden (Ned.) in het vooruitzicht stelde, het beginsel van wederzijds voordeel voldoende tot zijn recht komt.

Maar pogingen om het verdrag te herzien zouden, ook al omdat het Nederlands parlement met verdragswijziging akkoord moet gaan, stagnatie opleveren, aldus heeft de Surinaamse minister van Buitenlandse zaken, Harvey Naarendorp, deze week op een persconferentie in Paramaribo verklaard.

Van de vier in het verdrag genoemde stellingen, te weten het versterken van de van de economische weerbaarheid van Suriname, het scheppen van werkgelegenheid, het regionaal spreiden van de ontwikkeling en het verhogen van het welvaartspeil van de Surinaamse bevolking is in de periode van vijf jaar dat het verdrag in werking is slechts de eerste versterking van de economische weerbaarheid, „beperkt aan de orde gekomen", aldus minister Naarendorp. Op de drie andere terreinen „is nauwelijks iets gebeurd": het gebrek aan werkgelegenheid is onveranderd, de regionale spreiding van de welvaart heeft haar beslag gekregen, aan de talrijke socciale noden is niet tegemoet gekomen.

Landbouw
Minister Naarendorp is in Den Haag met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Jan de Koning, overeengekomen dat in CONS-verband (Commissie ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname) het verdrag in zijn geheel zal worden bezien en geëvalueerd, op basis van de gedachten die in het ter gelegenheid van de 1-meiviering gepubliceerde „manifest van de revolutie" zijn neergelegd.

Suriname streeft naar een herallocatie (hiemieuwde toewijzing) van de resterende ca. 2 miljard gulden (van de 2,7 miljard voor het medefinancieren van ontwikkelingsprojecten en -programma's) op zo'n manier dal meer aandacht kan worden besteed aan landbouw, veeteelt, visserij en bosbouw, die minister Naarendorp aanmerkte als „werkelijk Surinaamse" ontwikkelingssectoren welke meer aan de Surinaamse noden zijn aangepast.. Er is een enorm investeringstekort om de vier in het verdrag genoemde doelstellingen te verwezenlijken,' maar het totale programma dient in beginsel te worden uitgevoerd.

Minister Naarendorp, die sprak over besprekingen in een redelijk goede sfeer, verklaarde dat de CONS, die tot nu toe gebonden was aan procedures die „erg beperkend, stagnerend" werkten bij het uitvoeren of voltooien van projecten, het recht krijgt projecten globaal te formuleren en met grote soepelheid uit te voeren. Het zgn. werkyoorschottenpotje kan van zes tot twaalf miljoen gulden worden verdubbeld.

Pariteitsfonds
In beginsel zijn de partijen het er over eens geworden dat het zgn. pariteitsfonds verder kan worden aangesproken, hetgeen Suriname tot eigen besparingen aanzet, aldus minister Naarendorp.

(Volgens de overeenkomst van 1975 stelt Nederland, behalve de 2,7 miljard en 500 miljoen voor garanties voor ontwikkelingsleningen, ten hoogste 300 miljoen beschikbaar om, als na de besteding van de 2,7 miljard het ontwikkelingsprogramma nog niet geheei is uitgevoerd,, het tekort te dekken, op voorwaarde dat Suriname tegenover elke uitgave eeni-even hoge uitgave zal stellen. Tijdens de vijftiende CONSvergadering, in september, werd vastgesteld dat de kosten van uitgevoerde, nog in uitvoering zijnde of nog uit te voeren projecten 2.815 miljoen gulden bedroegen, waarvan 115 miljoen uit het pariteitsfonds kwamen).

Na jarenlange strijd, aldus de minister, is in Den Haag ook overeengekomen dat de nog resterende 450 miljoen voor garanties voor ontwikkelingsleningen — 50 miljoen is gebruikt voor de aanleg van de spoorlijn in West-Suriname — volledig ter beschikking staan voor de uitvoering van ontwikkelingsprojecten die passen in de huidige visie van de Surinaamse regering. Minister Naarendorp doelde hierbij mogelijk op een in sommige Haagse kringen merkbare tendens, deze 500 miljoen los te koppelen van de in het verdrag van 1975 toegezegde hulp.

Door het inschakelen van het UNDP (United Nations Development Program) als bemiddelend orgaan voor een trust fund zouden ook andere, uit de regio afkomstige en stukken goedkopere dan Nederlandse, deskundigen bij de ontwikkeling van Suriname kunnen worden ingeschakeld.

,,Opschonen"
Wat betreft het zgn. „opschonen" van accountantsverklaringen is „een redelijke verrekening" overeengekomen voor de afrekening van projecten die geen accountants-goedkeuring hebben gekregen, „zodat niet de gehele last op Suriname zal rusten". (Op grond van het verdrag van 1975 maakt Nederland geen geld over voor niet-goed-gekeurde projecten. De afgelopen tijd waren deze kwesties grotendeels opgelost, maar er resteerden nog enkele, van voor de militaire staatsgreep van 25 februari vorig jaar daterende, gevallen).

In antwoord op een vraag of de bepaling in het verdrag van 1975 dat Suriname bij voorkeur aankopen voor ontwikkelingsprojecten bij Nederlandse bedrijven zal verrichten geen belemmering vormt voor het streven van de Surinaamse regering naar grotere ecönoinische onafhankelijkheid, verklaarde minister Naarendorp dat elk land dat ontwikkelingshulp verleent dit „ook uit eigenbelang" doet. Zelfs als het hulp wordt genoemd gebeurt het ook op basis van eigen voordeel, is er geen sprake van filantropie.

(Volgens het verdrag zal, bij de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma, Suriname gehoord de CONS, waar het economisch en technischu verantwoord is, zo veel mogelijk pripriteit verlenen aan de levering van kapitaalgoederen en diensten uit Nederland boven die uit andere ontwikkelde landen).

De huidige regeling, aldus de Surinaamse minister, is te weinig specifiek. Suriname zou er de voorkeur aan geven dat percentages worden genoemd bij openbare inschrijvingen. Maar omdat van verdragswijziging op dit moment geen sprake kan zijn is de voorlopige gedragslijn het beginsel van wederzijds — Nederlands-Surinaams — voordeel zo volledig en hard mogelijk toe te passen. Mogelijke Nederlandse steun voor de huisvesting van remigranten — uit Nederland terugkerende Surinamers — zal later worden uitgewerkt, zo deelde de minister voorts mee.

Wishful thinking
In antwoord op een vraag over persberichten dat Suriname Nederland zou vragen om een ontwikkelingslening van 100 miljoen gulden Surinaams voor een urgentieprogramma om de werkgelegenheid te vergroten, verklaarde ipinister Naarendorp dat dit in Den Haag geen agendapunt is geweest. Als wij nog twee miljard gulden te goed hebben spreken wij niet over een lening van honderd miljoen, zo voegde hij hier aan toe: de berichten zijn'als gevolg van „Wishful thinking" in de publiciteit gekomen.

De kwestie, van de waardevastheid van de Nederlandse hulp is tijdens het bezoek aan Den Haag niet als zodanig, niet expliciet, aan de orde gekomen.

Uit de woorden van minister Naarendorp viel op te maken dat minister De Koning de toezegging die premier Van Agt president Chin A Sen heeft gedaan om, los van het verdrag van 1975, 20 miljoen beschikbaar te stellen voor een ouderdomsvoorziening, heeft bevestigd.

De stichting die de oprichting van een staatsziekenfonds voorbereidt zal de financiële behoeften berekenen, zo deelde de minister ten slotte mee. (Hij doelde op het bedrag van 15 miljoen gulden dat door minister De Koning in juli werd toegezegd ten behoeve van een algemeen ziekenfonds. Het ligt voor de hand dat, nu een algemeen ziekenfonds in fasen wordt opgezet, Nederland het bedrag van 15 miljoen ook gefaseerd beschikbaar wil stellen).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.