+ Meer informatie

Voor de jeugd

9 minuten leestijd

Beste jongelui!

Bij het nalezen van de korrespondentie kwam ik een brief tegen, waarin verschillende vragen werden gesteld, die voor jonge mensen van het grootste belang zijn.

Ik wil daar nu enige aandacht aan schenken, in de hoop dat jullie er met belangstelling kennis van zullen nemen. Alhoewel, daar twijfel ik niet aan, gezien de reakties die we steeds weer mogen ontvangen.

De eerste vraag raakt het verbond dat door God met de gelovigen en hun zaad is opgericht. Het heeft als zegel de heilige doop. Mijn korrespondent ziet daarin een rijke troost voor „bekeerde ouders met hun kinderen” Zijn vraag is nu: Kunnen de kinderen hiermee werkzaam zijn? Immers, dan moeten zij weten dat hun ouders wederom geboren zijn? En wij zijn geen hartekenners.

De gedachtengang van mijn vraagsteller gaat hier en daar mank en daardoor komt hij tot een m.i.z. verkeerde gevolgtrekking.

Het is niet zo, dat de kinderen eerst met de doopbelofte werkzaam kunnen worden, wanneer zij weten dat hun ouders bekeerd zijn. Als dit zo was dan zou de grond voor de genadebeloften liggen in de bekering van de ouders. En dat is niet het geval. God geeft Zijn beloften van genade aan de kinderen, met op grond van het feit dat de ouders bekeerd zijn, maar op grond van de borgverdiensten van de Heere Jezus Christus.

Nu is het zo, dat God Zijn verbond opricht met de gelovigen en hun zaad. Dat leert Gods Woord duidelijk. Denk maar aan die bekende tekst, die ook in het doopsformulier voorkomt, Gen 17 : 7: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Dit heeft God tot Abraham, de vader der gelovigen, gezegd. Abraham deelde daardoor in de beloften en zijn zaad na hem. Zij hebben daarvan de troost ervaren door het geloof. Doch er waren er die niet geloofden. Die hebben dan ook de troost nooit ervaren. Velen hebben de beloften veracht en zijn er nooit gelovig werkzaam mee geweest. De zegen, in de beloften vervat, is hun daarom ook ontgaan. Dit lag niet aan de beloften, noch aan God, Die Zijn beloften gegeven had. Maar dit lag aan hen, die in de beloften niet geloofden. Zij ontvingen de verbondswraak en hadden dit alleen aan zichzelf te danken. Zij gingen derhalve verloren om eigen schuld.

Dat er ook waren die met de beloften geloofswerzaamheden kenden, dat lag ook weer niet aan hen, die gelovig met de beloften werkzaam waren, maar aan God, Die door Zijn Heilige Geest het geloof in hun harten werkte. Zo was het onder de oude bedeling, de tijd van het oude testament. Zo is het ook nog in deze bedeling, de tijd van het nieuwe testament.

De ouders, die hun kinderen ten doop presenteren, worden als gelovigen aangesproken. Dat wil niet zeggen, dat ze het daarom ook allemaal hoofd voor hootd zijn. Doch dit gebeurt op grond van de belijdenis die ze hebben afgelegd. Als ze in hun leven met aan hun belijdenis beantwoorden, dan ligt dat voor eigen rekening van hen, die eens belijdenis deden. Was hun „belijdenis doen” alleen maar een formaliteit, om welke reden dan ook, dan is ze met het geloof met gemengd geweest. Dan heeft men er de Heere met mee kunnen behagen, daar Deze duidelijk in Zijn Woord zegt: Dat het zonder geloof onmogelijk is om Gode te behagen, Hebr. 11 : 6.

Een ouder daarom, die als gelovige wordt aangesproken, terwijl hij in werkelijkheid het geloof mist, kan de troost vanwege de genadebeloften, aan zijn kind gegeven, niet wegdragen. Hij gaat in feite ongetroost daarheen. Ouders, die dit lezen, moeten daar maar eens ernstig over nadenken. Misschien dat zij dan daardoor ongerust worden omtrent hun staat voor de eeuwigheid. Want met rechtzinnige redeneringen komen we voor God met klaar. Ik bedoel: Daar zijn ouders, maar al te veel, die zeggen: We kunnen er toch niets aan doen. We kunnen onszelf met bekeren. God moet er aan te pas komen, enz. Dat is op zichzelf allemaal waar. Doch men is dan bezig om eigenlijk God de schuld te geven vanwege het feit dat men is zoals men is. Want als men er werkelijk achter komt dat God er aan te pas moet komen, dan krijgt men in werkelijkheid ook God nodig. En dan doet Hij ervaren aan diegenen, waar het van hun kant een on- mogelijk zaak voor geworden is: Dat hetgeen bij mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God. Men geeft dan zeker God de schuld niet van de staat van onvermogen, waarin men verkeert, maar zichzelf. Want de mens heeft door vrije en moedwillige ongehoorzaamheid zichzelf van de gaven beroofd om God te dienen naar de eis van Zijn Woord.

Wat nu de werkelijk gelovige ouders betreft, daar is het echt geen koude rekensom voor, zo in de zin van: Ik ben een gelovige, mijn kind is gedoopt, het heeft de beloften ontvangen, ik troost mij met de gedachte, dat het daarom nu met mijn kind wel in orde is. Zo wordt er wel heel veel geredeneerd, maar degenen, die er zo gauw klaar mee zijn, die hebben van het wezen der zaak nog niets begrepen.

Want als men een werkelijk gelovige ouder is, dan heeft men de „troostrijke beloften” omtrent zijn zaad gehoord. Men kan daar op pleiten, men mag daar op pleiten, men heeft zelfs een recht om daarin te geloven. Maar het geloof is ook bij den voortduur, iedere keer weer, een gave van God. Anders gezegd: Gods kinderen kunnen niet altijd geloven als ze dat willen. Het is ten deze ook: Het is God, Die in hen werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.

Zo draagt men voor het geloven zelf de verantwoordelijkheid. En als men „geloof krijgt”, dan krijgt God er de eer van.

Wat nu de kinderen zelf betreft. Zij zijn ook in het verbond. De beloften zijn aan hun voorhoofden betekend en verzegeld. En die zijn niet méér of minder wáár, al naar dat de ouders al of niet gelovig zijn. De beloften zijn waar in zichzelf. Omdat God, Die ze geeft, waar is. Hij is geen man dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat Hem iets berouwen zou. Hij zal nooit herroepen wat Hij eenmaal heeft gesproken. Wat uit Zijn lippen ging blijft vast en onverbroken. Ik hoop dat mijn gedoopte vrienden en vriendinnen dit goed zullen bedenken. Jongens en meisjes, jullie leven onder verzegelde beloften. God is je in je jonge leven, toen je zonder je weten reeds de verdoemenis in Adam deelachtig was, tegengetreden met de beloften van Zijn genadeverbond. Je bent nu ook zonder je weten in Christus geheiligd. Dat wil niet zeggen dat je bekeerd bent, en dat je nu als het ware op een roltrap staat, waarop je rustig naar boven gaat. Verre van daar. Het wil zeggen, dat je in verbondsmatige zin Christus toebehoort. Dat is nog niet in zaligmakende zin. Je bent afgezonderd van de wereld. Je leeft op de erve van het verbond. Je hebt daar een recht om te geloven. Alles wat je nodig hebt voor tijd en eeuwigheid, is je beloofd. Wanneer je van dat recht voor jezelf geen gebruik maakt, dan kun je nooit God de schuld geven als de verbondszegen je ontgaat. Velen maken van dat recht geen gebruik. De verbondsbeloften worden veracht. Men gaat eigen gekozen wegen en keert de Verbondsgod de rug toe. Omtrent dezulken kan de Heere met recht zeggen: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben en overvloed. Ondanks dat men gedoopt is, gaat men toch verloren. Men wordt dan ais een kind des koninkrijks buiten geworpen. Het zal dan voor Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag des oordeels dan voor hen.

Hier zijn er ook, die voor zichzelf al te gauw de konklusie trekken, dat het met hen in orde is. Men redeneert dan: Ik ben gedoopt, ik heb de beloften, ik geloof daarin, mij kan derhalve niets meer gebeuren. Men leeft vrij en blij. Men geeft voor, dat men God dient, terwijl men in werkelijkheid met zijn hart m de wereld leeft Men stelt zich vals gerust om dan - voor velen helaas - te laat te ontdekken, dat men geen twee heren heeft kunnen dienen.

Wie krijgen nu werkelijk werkzaamheden met de beloften? Dat zijn uiteindelijk alleen de uitverkorenen. Dat zijn diegenen, in dewelke God naar Zijn vrijmachtig welbehagen met Zijn Heilige Geest werkt. Als hun de ogen open gaan, dan zien ze dat de Heere bij de wieg al stond met Zijn beloften, maar dat ze er nooit acht op hebben gegeven. Integendeel. Zij hebben het verbond verbroken. Zij hebben derhalve de dood verdiend. Als de Heere nooit meer naar hen zou omzien, dan was dit recht. Voor dezulken nu krijgen de beloften betekenis als „genade”-beloften. Zij gaan dan pleiten op Gods beloften en Hem vragen of Hij uit genade Zijn genade-beloften, in de doop betekend en verzegeld, nu ook toe wil passen aan hun hart. En wat wordt het dan voor zulk een werkzame jongen of meisje een wonder als God zegt: Ik zal Mijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Mijn verbond gedenken. Als dit echt door het geloof wordt verstaan, dan krijgt men houvast aan een belovend God, Wiens eisen men dan ook inwilligt. Men gaat dan zien hoe waard de Heere het is om gediend, geëerd en gevreesd te worden.

Ik hoop dat mijn vrienden zo het genadeverbond zullen leren beleven. Er is dan bij de Heere een eeuwige volheid van genade aan te treffen. En daaruit wil Hij genade voor genade schenken. Dat is de ene genade na de andere. Voor ditmaal moet ik weer nodig gaan eindigen. Ontvang de hartelijke groeten van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.