+ Meer informatie

HET GELOOF (II)

12 minuten leestijd

Wat is een waar geloof?

We hebben nog na te gaan hoe het bijbelse grondwoord „geloof” in onze belijdenisgeschriften voorkomt.

In de samenkomsten van de gemeente doen we belijdenis van ons geloof. We denken dan in de eerste plaats aan de inhoud van ons geloof. Het is het geloof in de Drieënige God, die Zich in Christus geopenbaard heeft. Zo onderscheidt het christelijk geloof zich als het ware geloof van alles wat verder geloof genoemd wordt. Het is ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof.

Het belijden van ons geloof betekent tegelijk, dat we samen met de gemeente als geloofsgemeenschap getuigen van ons eigen geloof. Het komt voor ieder aan op een echt geloof.

In Zondag 7 en in Zondag 8 van de Heid. Catechismus gaat het zowel over het ware of echte persoonlijke geloof als over het ware of ontwijfelbare geloof van de kerk der eeuwen.

Geloven is alles voor waarachtig houden wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Dat is het eerste element van het ware geloof. Het tweede is het vaste vertrouwen, dat de Heilige Geest in ons hart werkt. Dat wil niet zeggen, dat we erop vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in ons hart werkt, maar dat het geloof het vaste vertrouwen is - door de Heilige Geest door middel van het evangelie in het hart gewerkt - dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de verdienste van Christus’ wil.

Het is kenmerkend voor het geloof, dat het zich het heil toeeigent dat God in Christus schenkt: het is niet alleen voor anderen, maar ook voor mij; ook voor mij, want het is ook voor mij uit genade geschonken. Een oprecht geloof omhelst Jezus Christus met al zijn verdiensten, eigent Hem zich toe en zoekt niets meer buiten Hem (Ned. Geloofsbelijdenis, artikel 22).

We zetten nu enkele omschrijvingen naast elkaar, die zonder meer bijbels zijn. Het christelijk geloof is het geloof in de Drieënige God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is het geloven van alles wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Het is geloven van alles wat ons in het evangelie beloofd wordt (uit de Zondagen 7 en 8). Het is de belofte van het evangelie met een waar geloof aannemen (Zondag 32). Het is geloven in Christus, die ons door het evangelie aangeboden wordt (Dordtse Leerregels, III/IV, 9).

Dat laatste is een uitdrukking die herinnert aan uitspraken van Calvijn: „Dit is dus de ware kennis van Christus, wanneer wij Hem aannemen, zoals Hij door de Vader wordt aangeboden, namelijk met zijn evangelie bekleed”.

Als het geloof in de Catechismus een stellig weten of kennen en een vast vertrouwen heet, rijst daarbij een vraag die verschillend beantwoord wordt. Men kan constateren, dat niet met zoveel woorden gezegd wordt, dat het eerste element van het geloof aan de Heilige Geest te danken is. Het vaste vertrouwen wordt volgens de letterlijke tekst van Zondag 7 door de Heilige Geest in mijn hart gewerkt. Valt de geloofskennis nu buiten het werk van de Heilige Geest? Is deze kennis, hoe noodzakelijk ook, alleen maar een onderbouw van verstandelijke aard, waar de bovenbouw van het vertrouwen met het hart op rust, of een voorstadium van het eigenlijke geloof, dat in vertrouwen bestaat? Daar gaat de discussie over.

In het licht van wat de Bijbel over het geloof en over de kennis van het geloof zegt, zou het vreemd zijn, wanneer de belijdenis ons een dergelijke tweedeling wilde laten aanvaarden. Als we uitgaan van de eenheid van het leerboek van de kerk, moeten we er ook Zondag 25 bij betrekken, waar van het geloof - en niet alleen van het geloofsvertrouwen - beleden wordt, dat de Heilige Geest het door de verkondiging van het heilig evangelie in ons hart werkt. Het is daarom alleen al niet goed om in Zondag 7 het stellig weten of kennen en het vaste vertrouwen zo van elkaar te scheiden, dat het laatste wèl het directe werk van de Heilige Geest in ons zou zijn en het eerste niet. Kennis en vertrouwen zijn als geloofskennis en geloofsvertrouwen onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Er zijn meer plaatsen in de belijdenis die in dit verband van belang zijn. In het eerste hoofdstuk van de Leerregels is sprake van het aannemen van het evangelie en het omhelzen van de Zaligmaker met een waarachtig en levend geloof. In een andere passage schemert door, dat het woord „waar” het geloof moet onderscheiden van alles wat ten onrechte voor geloof doorgaat. Het schijngeloof heeft verschillende vormen, maar alleen het „tijdelijk geloof” wordt uitdrukkelijk genoemd (Leerregels, III/IV, 9). Het is alsof de belijdenis zeggen wil, dat we vooral daarop verdacht moeten zijn.

De termen „gelovigen” en „ware gelovigen” worden overigens naast elkaar gebruikt. De heilige christelijke kerk is de vergadering van de ware Christgelovigen of waarlijk gelovige christenen (Ned. Geloofsbelijdenis). Zij is ook de kerk der gelovigen, die in het bloed van Christus gefundeerd is (Leerregels, II, 9).

Maar de Catechismus onderscheidt de gelovigen wel scherp van alle ongelovigen. Die scheidslijn loopt ook door de gemeente heen (Zondag 31).

Waaraan is het geloof te danken?

Wie naar de oorsprong van het geloof vraagt, krijgt een duidelijk antwoord: Het geloof, dat ons Christus en al zijn weldaden deelachtig maakt, komt van de Heilige Geest (Zondag 25).

Daarmee is al veel gezegd. Bij een oppervlakkige beschouwing zou men kunnen denken, dat het geloof ons menselijke antwoord op het Woord van God is. Het heil wordt ons aangeboden en we nemen het eenvoudig aan. Niet allen doen dat, maar dat is een zaak van ieders vrije wil.

Deze opvatting is zeer algemeen. We kennen haar waarschijnlijk het best als die van de remonstranten, maar zij staan daarin niet alleen! Eigenlijk wordt het geloof door de meesten als een daad van de mens en niet tegelijk als een gave van God gezien. De gereformeerden zijn op dit punt zeker ver in de minderheid.

Maar juist zij hebben de boodschap van de Bijbel verstaan, dat de verhouding tot God niet van de mens uit hersteld wordt. Het is Gods werk en Gods gave. Dat wordt in de leer van het geloof onder woorden gebracht. Het geloof in Jezus Christus en de zaligheid door Hem is een genadige gave Gods. God heeft besloten de zijnen aan Christus te geven en krachtig tot zijn gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof in Hem te begiftigen (Leerregels, I, 5 en 7).

Een gave van God is het geloof niet omdat het aan de wil van de mens aangeboden wordt, maar omdat het de mens metterdaad ingegeven wordt. God wacht niet af of de mens zal geloven of niet, maar Hij die alles werkt in allen, brengt de wil om te geloven en het geloof zelf in ons teweeg (Leerregels, lll/IV, 14).

Wanneer iemand tot het geloof komt, zal hij nooit zeggen, dat God hem die genade verschuldigd was. Hij weet dat hij God daarvoor eeuwige dankbaarheid verschuldigd is (15). Gedachtig aan verschillende nieuwtestamentische woorden spreken de gereformeerde theologie en de gereformeerde belijdenis in navolging van Calvijn van verkiezing tot het geloof. De uitverkiezing is de bron waaruit het geloof, de heiligheid en andere zaligmakende gaven van God en eindelijk het eeuwige leven als vruchten voortvloeien (I, 9). Ons antwoord op de vraag naar het ontstaan van het geloof is niet volledig genoeg, als we alleen de Heilige Geest en de verkiezende genade van God noemen. In Zondag 25 staat meer. De Heilige Geest werkt het in onze harten door de verkondiging van het heilig evangelie en Hij versterkt het door het gebruik van de sacramenten. Hiermee is te vergelijken wat in artikel 24 van de Geloofsbelijdenis en in hoofdstuk lll/IV, 17 en V, 14 van de Leerregels staat.

Daarmee wordt tegelijk gezegd, dat wij verantwoordelijk zijn voor wat wij met het evangelie doen. Er is onderscheid. Er zijn er die het niet geloven en er zijn er die het aannemen. Er zijn er die door het evangelie geroepen worden en komen, maar er zijn er ook die niet komen en niet bekeerd worden. Terwijl het geloof Gods gave is, is de oorzaak of schuld van het ongeloof echter bij de mens gelegen (Leerregels, 1,4en5; lll/IV, 9 en 10).

Geloofszekerheid en heilszekerheid

Evenals in de Bijbel behoren geloof en geloofszekerheid in de belijdenisgeschriften van onze kerken bij elkaar. Daaruit blijkt al weer, dat het niet gaat om geloven in de algemene zin van het woord. Dan kan er een mening mee aangeduid worden waaraan de zekerheid ontbreekt. Maar een waar geloof is een stellig weten en een vast vertrouwen. Heel de Catechismus is daar vol van. Een sprekend voorbeeld is het eerste antwoord. Zo positief als het maar mogelijk is, wordt daar beleden, dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Men kan de Catechismus als een uitwerking van dit thema lezen. Tot in Zondag 52 toe horen we de taal van de zekerheid.

In onze Geloofsbelijdenis en in de Dordtse Leerregels is het niet anders. Het leerverschil dat er op het punt van de heilszekerheid is met de roomsen en de remonstranten, geeft aan de uitspraken van de belijdenis nog meer reliëf. De gelovigen kunnen van hun eeuwig heil zeker zijn en ze zijn dat ook naar de mate van het geloof (Leerregels, V, 9). De weg tot de zekerheid van het heil is de weg van het geloof. De grond voor de heilszekerheid ligt niet in ons, maar in het werk van Christus. De belijdenisgeschriften getuigen daar doorlopend van.

Voor de zekerheid waarop het aankomt, moeten we het niet zoeken in een speciale openbaring buiten het Woord van God om. We worden gewezen op Gods beloften, die Hij in zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft (10). Door middel daarvan geeft God ons de verzekering, die wij nodig hebben om met de apostel Paulus te kunnen zeggen: Want ik ben verzekerd (Rom. 8 : 38).

Laten we daarbij het getuigenis van de Heilige Geest niet vergeten. Hij is het die met onze geest getuigt, dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8 : 16). Er is geen zekerheid van het heil, als zij niet door dit getuigenis tot stand komt en in stand wordt gehouden.

Er zijn enkele plaatsen in de belijdenisgeschriften die vragen oproepen. Wordt in Zondag 32 van de Catechismus en in Dordtse Leerregels, hoofdstuk I, 12 niet een andere weg gewezen dan de directe weg van het vertrouwen op wat God ons in Christus belooft en schenkt? We lezen daar, dat ieder bij zichzelf van zijn geloof verzekerd mag zijn uit de vruchten ervan en dat het bij zichzelf waarnemen van de vruchten der verkiezing leidt tot het verzekerd zijn van de eeuwige verkiezing tot zaligheid.

Ook deze passages hebben een bijbelse achtergrond. Een Schriftwoord waar we niet omheen kunnen, is 1 Johannes 3: 14: Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben (vgl. ook vers 24).

Men moet hierbij bedenken, dat dit zien van de vruchten van geloof en verkiezing niet buiten het geloven omgaat. Het is geen redenering met als uitgangspunt wat men bij zichzelf constateren kan. Het is een gelovig opmerken van de vruchten van Gods genade in dit leven. Zo wordt de zekerheid, die haar grond niet in onszelf heeft, maar in het werk van Christus voor ons, bevestigd en versterkt door het werk dat de Geest van Christus in ons doet.

Het geloofsleven

Waar het ware geloof is, is er ook een gaan in de weg van de godzaligheid en van het geloof (Leerregels, I, 16). Het geloofsleven heeft een binnenzijde en een buitenkant. Het is onmogelijk, dat wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid (Heid. Cat., Zondag 24). Zie ook artikel 24 van de Ned. Geloofsbelijdenis.

Maar gelooft de gelovige altijd? Heel reëel wordt in het laatste hoofdstuk van de Leerregels toegegeven, dat de oefening van het geloof voor een tijd verbroken kan worden en dat de gelovigen in dit leven met twijfel en aanvechting te kampen hebben (V, 5 en 11).

Er staat niet, dat gelovigen maar met de twijfel moeten leren leven. Dat is een moderne, maar geen bijbelse gedachte. In het evangelie wordt iemand die twijfelt, immers tot de orde geroepen (Mat. 11 : 2-5). Geloven is het tegendeel van twijfelen.

Maar we hebben wel te maken met strijd en met verzoeking. Het volle geloofsvertrouwen wordt niet altijd gevoeld.

De geloofszekerheid bestaat niet daarin, dat de gelovige zo zeker is van zichzelf. Hij zou dan hoogmoedig of zorgeloos worden. Maar wanneer hij beseft, dat hij volkomen afhankelijk is van de genade van God, is het heel anders. Dat wordt treffend verwoord in de Leerregels (o.a. in V, 12).

Het is ook een blijvende afhankelijkheid. Daar worden we in het vervolg van dit hoofdstuk van de Leerregels ook aan herinnerd. Zie V, 14.

Evenals in de Heilige Schrift komen de woorden „geloof” en „geloven” in de belijdenisgeschriften naast elkaar voor. Het werkwoord staat dikwijls in de tegenwoordige tijd. Juist zo correspondeert het met de tegenwoordige tijd van de verkondiging van het evangelie. Het moet wel opvallen, dat Zondag 31 niet zonder meer zegt: „als zij de belofte van het evangelie met een waar geloof aannemen”, maar „zo dikwijls als”. Het komt erop aan niet slechts eenmaal, maar altijd opnieuw te geloven wat God ons belooft. Wanneer wij ons het geloofsleven voorstellen als een voortdurend leven in dat geloof, heeft dat zijn grond in heel de Heilige Schrift.

Van wat de Bijbel over het geloof zegt, vinden we niet alles, maar wel het wezenlijke in onze belijdenisgeschriften terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.