+ Meer informatie

Cultuurschok van mei 1940 moet niet onderschat worden

Dissertatie Fieret is eerste integrale studie over SGP in de periode-Kersten

13 minuten leestijd

Het was te verwachten dat het proefschrift van de Woudenbergse geschiedenisleraar W. Fieret, zeker in eigen kring, royaal de aandacht zou trekken. Historische proefschriften zijn in het algemeen al voor een veel bredere kring toegankelijk dan bij voorbeeld dissertaties in de sector van de wis- en natuurkunde. Bovendien betrof het een onderwerp waarover nog geen samenhangende studie verschenen was, namelijk de geschiedenis van de SGP in de periode-Kersten (1918-1948).

Evenzeer was te verwachten dat de discussie over dit proefschrift zich vooral op de oorlogsperiode en met name op de houding van de toenmalige partijleider zou concentreren. Toch is dat jammer, omdat daardoor andere, minstens even interessante en belangrijke, onderdelen uit deze studie in de schaduw blijven. Dat geldt bij voorbeeld van de discussies die er geweest zijn over lijstverbinding of samengaan met andere partijen bij de verkiezingen. Evenzo is het opvallend dat in de oprichtingsperiode van de SGP artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (het latere schibboleth van de partij) geen rol speelde.

Integrale studie

De waarde van het proefschrift van Fieret ligt vooral in het feit dat dit de eerste wetenschappelijke studie is waarin de geschiedenis van de SGP (althans tot 1948) beschreven wordt. Uiteraard waren er wel allerlei publikaties waarin bepaalde onderwerpen uit de partijgeschiedenis meer of minder diepgaand behandeld werden. Maar van een integrale studie, waarbij ook van het partijarchief gebruik gemaakt kon worden, was tot dusver geen sprake.

Dat geldt ook voor de oorlogsgeschiedenis van de SGP, door velen beschouwd als een zwarte bladzijde in het partijverleden. Niet dat Fieret nu veel onthullingen gedaan heeft (het meeste wat hier beschreven wordt was mij wel bekend), maar de gegevens worden thans systematisch gepresenteerd. Dat geldt ook voor de roerige naoorlogse periode.

In de jaren zestig is in verschillende publikaties (onder andere van prof. dr. G. A. Kooy en dr. L. de Jong) uitgegaan van een affiniteit van de SGP tot de NSB en van een overloop van SGP-kiezers naar de Mussertbeweging in de vooroorlogse periode. Inmiddels is dat weer voor een belangrijk deel gecorrigeerd. Al te gemakkelijk had men hier een bepaald beeld uit de oorlogsjaren teruggeprojecteerd.

Ook Fieret maakt duidelijk dat ds. Kersten zich in de jaren dertig beslist gedistantieerd heeft van het opkomend nationaal-socialisme. Van defaitisme was geen sprake. In de Tweede Kamer werd gepleit voor versterking van de defensie. Het akkoord van München van 1938 (waarbij Tsjechoslowakije werd opgeofferd) werd door de SGP bij monde van ds. Zandt niet afgekeurd, omdat hiermee de vrede in Europa behouden werd. Daarin stond de SGP echter bepaald niet alleen.

Roede in Gods hand

Maar dan de oorlogsjaren zelf, met in de praktijk als centrale vraag: Is ds. Kersten terecht gezuiverd als lid van de Staten-Generaal of niet? Zoals bekend, beantwoordt Fieret in zijn proefschrift die vraag met een voorzichtig ja. Maar daarin wordt hij niet door iedereen binnen en buiten de SGP gevolgd.

Laten we vooropstellen dat Kersten met zijn opvatting dat de Duitsers een roede waren in Gods hand en dat ons volk zich rijp gemaakt had voor Gods rechtvaardige oordelen, van meer schriftuurlijk inzicht en geestelijke kennis getuigde dan de opstelling van velen (al dan niet uit de gereformeerde gezindte) die in mei 1940 en daarna alleen maar diep verontwaardigd waren dat Hitler dit ons, brave Nederlanders, had durven aandoen en op grond daarvan tot verzetsactiviteiten kwamen.

Naar aanleiding van dit proefschrift schreef een Nederlands gereformeerd predikant mij dat, ook al mocht Kersten zich in praktisch opzicht vergist hebben, „zijn oog voor Gods tuchtigende hand en de Duitse tuchtroede daarin" bijval verdiende. Het verwonderde hem dan ook dat uitgerekend in onze krant de visie van dr. Fieret niet weersproken werd.

Voorzienigheid

Op welke punten roept de houding van ds. Kersten dan vragen op? Terecht schrijft hij kort na de capitulatie in De Banier dat God Zijn raad volvoert en Hij het einde van de strijd bepaalt. Het bombardement van zijn woonplaats Rotterdam deed Kersten buigen onder Gods recht en Hem aanbidden te midden van de oordelen.

Maar dan gaat hij de opmars van het Duitse leger en de Duitse bezetting op een zodanige wijze in verband brengen met Gods voorzienigheid, dat er geen ruimte meer overblijft voor een veroordeling van de Duitse agressie. De voortgaande strijd van de Britse en Franse troepen tegen de Duitsers wordt alleen maar negatief beoordeeld. Immers, „wie zal vermogen tegen God te strijden". Dat Gods voorzienig bestel ook bezien kan worden vanuit het gezichtspunt van de toelating, ontbreekt hier.

David en Simeï

In een ingezonden stuk in de krant van maandag werd de houding van ds. Kersten vergeleken met die van David toen Simeï hem vloekte en hij mocht zeggen: „Laat hem vloeken, want de Heere toch heeft tot hem gezegd: Vloek David" (2 Samuel 16:10). Daar liggen inderdaad allerlei parallellen. Ook David besefte dat dit kwaad hem om zijn zonden overkwam. Maar dat bijbelgedeelte laat ons ook zien dat David tegenmaatregelen neemt en een strategie ontwerpt. Husai krijgt opdracht om Absalom averechtse adviezen te verschaffen (2 Samuel 15:34) en de strijdkrachten worden gereorganiseerd (2 Samuel 18:1). Davids persoonlijke inleving van de schuld neemt zijn politieke verantwoordelijkheid niet weg. Want het kwaad van Absaloms rebellie moet bestreden worden. Ook Simeï mag uiteindelijk zijn straf niet ontgaan (1 Koningen 2:8-9). Helaas ontbrak in de opstelling van ds. Kersten die tweede lijn. Dat leidde er toe dat, althans in het begin van de oorlogsjaren, de maatregelen van de bezetter betrekkelijk positief beoordeeld worden. Actief verzet wordt afgewezen, men moet zich onderwerpen. Een deel van de achterban gaat daarbij verder. Dr. G. van Roon constateert in zijn boek "Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941" dat Kerstens visie op de bezettende macht als een roede in Gods hand, haar een dusdanig religieus aureool gaf, dat feitelijke collaboratie in de kring van de Gereformeerde Gemeenten geen zeldzaam verschijnsel was.

De Banier

In het eerste jaar van de bezetting was het dagblad De Banier voor ds. Kersten een belangrijke spreekbuis. Toen echter in mei 1941 verordend werd dat voortaan alleen beroepsjournalisten die lid waren van het Verbond van Nederlandse Journalisten (een NSB-mantelorganisatie) journalistiek werk mochten doen, moest hij als hoofdredacteur aftreden.

In zijn plaats komt dan oud-Banierredacteur A. Kaptein, een man die zich in de oorlogsjaren zeer merkwaardig gedragen heeft. Bij zijn benoeming wordt hem gevraagd of hij NSB'er is, hetgeen hij ontkent, hoewel hij zich al in mei 1940 als lid had aangemeld. Kaptein redigeert De Banier in pro-Duitse geest, tot het blad in februari 1942 een roemloze dood sterft. Inmiddels was de naam veranderd in Algemeen Protestantsch Dagblad. Al eerder had ds. Kersten allerlei pogingen ondernomen om het blad, waarop hij geen greep meer had, opgeheven te krijgen.

De drukkerij De Banier blijft bestaan en drukt in de oorlogsjaren onder de directie van S. Kersten en met Kersten sr. als grootaandeelhouder, ook allerlei lectuur (onder meer voor de nationaalsocialistische uitgeverij Westland), waarin niet bepaald de gereformeerde beginselen vertolkt worden. Alles bij elkaar levert dat ds. Kersten na de oorlog een veroordeling op door de Commissie voor de Perszuivering.

Zo wordt uit het proefschrift van Fieret wel duidelijk, voor zover dat nog niet duidelijk was, dat de opstelling van ds. Kersten in de oorlog (althans in de eerste oorlogsjaren) op een aantal punten te betreuren is of op z'n minst grote vragen oproept. Er is geen reden om daar de ogen voor te sluiten of dat krampachtig weg te redeneren. Dat zou zelfs in strijd zijn met onze belijdenis (vraag en antwoord 114 Heid. Cat.).

Cultuurschok

Wel moeten we ons uiteraard realiseren dat achteraf praten altijd makkelijk is. Het wereldbeeld in juni 1940 (toen ook Frankrijk de strijd gestaakt had) was een heel ander dan dat van september 1939 (toen men nog kon hopen dat het oorlogsgeweld buiten ons landsgrenzen zou blijven) of dat van juni 1944 (na de invasie in Normandië).

Met de capitulatie van ons land was voor velen een wereld ingestort en meende men zich op een totaal nieuwe situatie te moeten instellen. Men kon toen ook niet weten dat na vijf (weliswaar lange en bange) jaren de nationaal-socialistische heerschappij ten einde zou zijn. In de voormalige Sowjetrussische satellietstaten heeft het communistische regime welhaast twee generaties geduurd. Wellicht dat Fieret toch wat meer aandacht had moeten besteden aan de cultuurschok die mei 1940 met zich meebracht. De in onze ogen defaitistische opstelling van ds. Kersten en vele anderen (Colijn, De Geer, De Quay etc.) valt daardoor beter te begrijpen.

Naast hetgeen we reeds signaleerden ten aanzien van Kerstens duiding van de voorzienigheid en het schokeffect van mei 1940, zijn er nog andere factoren aan te geven die een verklaring (maar daarmee nog niet automatisch een verontschuldiging) geven voor zijn opstelling in de bezettingsjaren.

Roomse gevaar

Daar is allereerst de sterke oriëntatie op het verleden. Die brengt hem ertoe om, ook na de opkomst van Hitler, het roomse gevaar voorop te stellen. In zijn partijrede van 1935 voert Kersten het verraad van Anjou (anno 1583!) aan als argument om op Frankrijk niet te vertrouwen.

Nu is historisch besef, zeker voor mensen van de gereformeerde gezindte, van groot belang, maar het kan ook zo ver gaan dat het ons beeld van de actuele werkelijkheid vertroebelt. Door de fixatie op het roomse gevaar gaf ds. Kersten aan de bestrijding van het nationaal-socialisme onvoldoende prioriteit. In de tweede plaats moet hier gewezen worden op de veelal pro-Duitse oriëntatie in protestantse kring. Die was ook duidelijk te bespeuren ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, bij voorbeeld bij Kuyper. Voor Kersten was Duitsland als net land van Luther verre te verkiezen boven het roomse en revolutionaire Frankrijk. Weliswaar zou men dan ook ten aanzien van Groot-Brittannië een dergelijke positieve grondhouding verwachten, maar hier werkte altijd nog de antipathie uit de tijd van de Boerenoorlog door, terwijl historische fijnproevers ook nog konden verwijzen naar de Engelse zeeoorlogen uit de 17e en de 18e eeuw.

Zo was er ook na 1933 bij Kersten veel begrip voor Duitslands verzet tegen de vernederende akkoorden van Versailles. Dat Hitler-Duitsland in conflict kwam met de door de SGP verfoeide Volkenbond, leek ook alleen maar een positief punt.

Minder te verliezen

In de derde plaats was hier zeker ook van belang dat de SGP in de vooroorlogse politieke verhoudingen een marginale plaats innam. Onder aanvoering van ds. Kersten had zij zich met name in de jaren dertig fel verzet tegen de regeringspolitiek, ook op economisch gebied. Mei 1940 bewees in de ogen van Kersten het falen van het vooroorlogse politieke bestel.

In een noot verwijst Fieret terecht naar een publikatie van zijn promotor prof. dr. H. W. von der Dunk, waarin deze signaleerde dat stromingen die kritisch gestaan hadden tegenover het oude bestel, minder moeite hadden met de nieuwe situatie die door de bezetting was ontstaan. De SGP had in mei 1940 minder verloren aan politieke invloed en posities dan de AR of de CHU. Zij had gewoon minder te verliezen.

Centrale plaats

Ten slotte moet hier ook gewezen worden op de centrale plaats die ds. Kersten in de kring van de SGP innam. Naast zijn vooraanstaande rol in de Gereformeerde Gemeenten sinds het tot stand komen van dit kerkverband in 1907, was hij in de SGP vanaf het begin partijvoorzitter en leider van de Tweede-Kamerfractie. Daarnaast was hij hoofdredacteur van De Banier en grootaandeelhouder in deze drukkerij, waarvan zijn zoon, S. Kersten, directeur was.

Die sterke concentratie van taken in één hand had ongetwijfeld bepaalde voordelen en hing ook samen met het grote gebrek aan kader in SGP-kring. Maar na 1940 bleken er ook grote nadelen aan te kleven.

Zo had het doen en laten van vader en zoon Kersten inzake De Banier onvermijdelijk zijn weerslag op de SGP. Een belangrijk deel van het conflict dat na 1945 in de partij ontbrandde over de gang van zaken in oorlogstijd (het verloop van dat conflict geldt evenzeer als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de SGP), had te maken met het feit dat ds. Kersten uit het door de Duitsers geconfisqueerde partijbezit de preferente aandelen van de NV De Banier had opgekocht en die vervolgens omgezet had in gewone aandelen. Daardoor was de SGP niet alleen haar greep op de NV De Banier kwijtgeraakt, maar was zij volgens de bezwaarden ook financieel benadeeld.

Men komt zelfs wel de opvatting tegen (maar die zaak valt buiten de probleemstelling van Fieret) dat het naoorlogse conflict in de Gereformeerde Gemeenten met ds. R. Kok (dat in 1950 leidde tot zijn schorsing) niet los gezien kan worden van verwikkelingen in de oorlogsjaren rond ds. Kersten. Bij de affaire-Kuyk, die zich in Amsterdam afspeelde, was die relatie tussen de politieke en de kerkelijke procedure nog veel duidelijker. Zowel ds. Kok als E. Kuyk had in de beginjaren deel uitgemaakt van het hoofdbestuur van de SGP, maar beiden waren nadien aan de zijlijn komen te staan.

Terecht gezuiverd?

Ten slotte de vraag of ds. Kersten in 1945 terecht geweerd is uit het Noodparlement. Terecht wijst Fieret op de zeer aanvechtbare gang van zaken die bij deze zuivering gevolgd werd. Kersten werd veroordeeld zonder dat hij op de hoogte gebracht was van de aanklachten tegen hem en de motieven waarop de uitspraak rustte. Dat was in strijd met alle rechtsbeginselen. En dat bezwaar blijft overeind, ook al houden we rekening met de veelszins chaotische situatie die vlak na de Bevrijding in ons land heerste.

De zuivering zelf rustte op staatsnoodrecht. Door de regering was een aantal criteria opgesteld waaraan de kamerleden getoetst moesten worden. De vraag naar de billijkheid van Kerstens zuivering staat natuurlijk niet los van de wijze waarop men over die zuiveringscriteria oorcfeelt. Wie sterk beklemtoont dat het wezenlijk is voor een parlement dat de kiezers uitmaken wie daarin zitting heeft en dat de verkozenen verder slechts aan algemene criteria moeten voldoen (leeftijd, bezit van verstandelijke vermogens, niet ontzet uit de ouderlijke macht, niet veroordeeld wegens landloperij etc), zal in het algemeen minder reden zien tot zuivering.

Zelf ben ik geneigd in die richting te denken en dat draagt er mede toe bij dat ik dr. Fieret niet zonder meer volg in zijn rechtvaardiging van het zuiveringsbesluit. Dat besluit is wel degelijk aanvechtbaar. Ook dr. L. de Jong spreekt van een oppervlakkig onderzoek en noemt de gegevens over ds. Kersten aan de magere kant.

Wel is het volstrekt duidelijk dat er in de oorlogsjaren door ds. Kersten (maar bepaald niet alleen door hem) dingen gedaan en geschreven zijn die beter niet hadden kunnen gebeuren. Vandaar ook dat het verstandig was dat het hoofdbestuur van de SGP ter gelegenheid van het verschijnen van dit proefschrift met een verklaring kwam waaruit bleek dat het wel degelijk oog had voor de schaduwzijden van Kerstens opstelling in de oorlog.

Reactionaire droomwereld

Dat alles neemt niet weg dat de boodschap van ds. Kersten en de vooroorlogse SGP over de noodzaak van een nationale wederkeer tot de God onzer vaderen en over Gods oordelen die te verwachten zijn wanneer het volk doorgaat op het pad van de zonde en de Godsverlating, nog niets aan relevantie heeft ingeboet.

De doelstellingen van de SGP zijn door velen in heden en verleden als irreëel beschouwd. De vrijgemaakte VU-hoogleraar dr. G. J. Schutte sprak bij de promotie van een „reactionaire droomwereld". Maar dan geldt hier hetgeen de profeet Elisa eens zei tot zijn knecht toen die erg onder de indruk was van de vijandelijke machten: „Vrees niet, want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn" (2 Koningen 6:16). Maar om die realiteit te zien, moeten wel onze ogen geopend worden.

N.a.v. "De Staatkundig Gereformeerde Partij 1918-1948. Een bibliocratisch ideaal", door dr. W. Fieret; uitg. Den Hertog, Houten, 1990; 305 blz.; prijs 49,50 gulden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.