+ Meer informatie

Enkele Schriftgegevens

Het ambt van diaken

13 minuten leestijd

Waar komt het woord vandaan?

Het woord diaken is afgeleid van de Griekse woorden: diakoneo - diakonia - diakonos. Het werkwoord diakoneo betekent aan tafel dienen; diakonia is dienst; diakonos is dienaar.

In het Nieuwe Testament betekent diakoneo:

a. Aan tafel dienen (Luc. 17 : 8; Joh. 12 : 2; Luc. 12 : 37).

b. Het dienen van de medemens, juist dan als hij minder is dan wij zelf zijn (Luc. 22 : 26, 27). Jezus keert alle waarderingen van het dienen in hun tegendeel om. Wie de voornaamste is, dient te meer!

c. Voor de liefdemaaltijden zorgen (Hand. 6 : 2). Dit dienen werd alleen toevertrouwd aan de zeven mannen „vol des Heiligen Geestes"; het was in de oudste Gemeente een zeer belangrijke dienst.

d. Dienen met de verleende genadegaven (1 Petr. 4 : 10: lk gemeentelid moet de hem verleende genadegaven besteden ten nutte van zijn medechristenen (vgl. 1 Cor. 12 : 7). Men krijgt deze gaven namelijk uitsluitend om er de ander mee te dienen. Die gaven bestaan blijkens vs. 11 uit de gave om te spreken tot de Gemeente en om bepaalde diensten te bewijzen met de daad.

Hieruit blijkt, dat het dienen (diakoneo) in het N.T. een wijd begrip is. Het heeft op veel meer betrekking dan op armenverzorging.

Het ambt van diaken omvat de verzorging der armen en vloeit voort uit het beginsel der liefde als drang tot weldoen. Deze dienst der barmhartigheid is één van de ambten van de N.T. Gemeente.

De armenzorg onder Israël

Hier was geen georganiseerde verzorging der armen. Wel had de Heere aan Zijn volk zulke wetten gegeven, waardoor armoede van grote omvang niet voorkwam. Mien denke slechts aan het jubeljaar, wanneer het land terugkeerde tot de oorspronkelijke bezitter; aan het recht van lossing, aan de rentebepalingen, enz. Maar toch, niettegenstaande de heerlijke wetten, die God aan Zijn volk gegeven had, bleven er armen over en werd voor die armen zorg gedragen. Niet alleen, dat de wet opkwam voor het rechtvaardig behandelen van weduwen en wezen, armen en vreemdelingen voor het gericht, er werd ook voor de onderhouding der armen gezorgd. Zij hadden het recht op de nalezing van de oogst (Lev. 19 : 9, 10). Wat in het Sabbatjaar groeide was voor hen bestemd (Lev. 25 : 2). Zij mochten aanzitten aan de offermaaltijden en aan de tiendenmaaltijden (Deut. 14 : 28). De nooddruftige moest men zijn loon uitbetalen voor de avond daalde (Deut. 24 : 15). De wet droeg dus in het bijzonder zorg voor de armen en de zwakken. Het stond vast voor de Israëliet, dat de barmhartigheid een eis was van God. God is een Vader der wezen en een Rechter der weduwen. Hij is een God, „Die de verdrukten recht doet, Die de hongerige brood 'geeft; de Heere maakt de gevangenen los" (Ps. 146 : 7).

De armen werden dus onder Israël geheel anders beschouwd dan onder de heidenen. Hier werden de armen niet veracht, omdat zij arm waren. God ontfermt Zich over hen, voert hun recht uit, en verheft hen uit het stof. Barmhartigheid is beter dan offerande. Deze zaak vindt haar hoogste uitdrukking in het gebod: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Lev. 19 : 18).

De armenzorg onder de N. T. Gemeente

Uit de liefde, waarmede Christus Zijn Gemeente heeft liefgehad, wordt ook de liefde geboren, welke is de moeder van de christelijke barmhartigheid. De Kerk is een Gemeente van gelovigen, die krachtens de gemeenschap met elkander in Christus de roeping hebben, hun goederen ter ere Gods en dus ook weder tot welzijn der gelovigen aan te wenden. Er blijven in Christus' Kerk op aarde altoos armen. Door de genade worden toch de aardse verhoudingen niet uitgewist.

Niet om van de arme af te zijn, ook niet alleen om hem voor gebrek te vrijwaren, wordt aan de arme barmhartigheid geoefend, maar eveneens om hem te helpen, zo-

dat hij zelf weer zijn eigen roeping zal kunnen betrachten. De barmhartigheid is dan de dochter der christelijke liefde.

Alle Christenen hebben barmhartig te zijn, iets te kennen van de ontferming van Christus en om Christus' wil te helpen, te steunen en te redden. Jezus sprak tot Zijn discipelen: Weest dan barmhartig, gelijk ook Uw vader barmhartig is" (Luc. 6 : 36).

Maar in het bijzonder heeft Christus in Zijn Gemeente een afzonderlijke dienst der barmhartigheid ingesteld. Gelijk Christus als Profeet de Zijnen leert, als Koning de Zijnen regeert, zo bewijst Hij als de Priester hun de rijkdom Zijner barmhartigheid. Tijdens Zijn omwandeling op aarde openbaarde Hij Zich als de Verlosser voor ziel en lichaam, zodat alle weldaden om Zijnentwil Zijn Gemeente toevloeien. Na Jezus' heengaan werden in de eerste tijd buitengewone gaven geschonken (Hand. 2 : 44, 4 : 35; Rom. 12 : 7, 8; Cor. 12 : 28), maar weldra werden de gaven gebonden aan het ambt. De leer werd aan de didaskalos, de leraar, de regering aan de presbyter, de dienst der barmhartigheid aan de diaken opgedragen.

De instelling van het diakenambt

Het diakenambt is door de apostelen ingesteld (Hand. 6 : 1-6).

De apostelen hadden het toezicht op deze liefdearbeid. En toen de weduwen der Griekse Joden reden hadden om zich te beklagen over de verwaarlozing van hun belangen, riepen de apostelen de leden der gemeente bijeen en verklaarden, dat, wijl zij zelf geen tijd hadden cm naar behoren te zorgen voor de dienst der barmhartigheid, de Gemeente moest omzien naar zeven mannen, die goede getuigenis hadden, vol des Heiligen Geestes, welke de apostelen konden stellen over deze nodige zaak. De apostelen bepaalden de vereisten, waaraan deze mannen moesten beantwoorden, gaven vervolgens aan de Gemeente het recht om deze 'mannen te kiezen, terwijl daarna de gekozenen door de apostelen in het ambt werden bevestigd.

In de eerste jaren der kerk was de armenzorg nauw verbonden aan de liefdemaaltijden en de eucharistie (de viering van het Heilig Avondmaal), en daarom is het ook waarschijnlijk, dat de diakenen hielpen bij de eucharistie, maar van den beginne was het werk der diakenen volgens Hand. 6 : 2, 3 de dienst der tafelen, d„i. de verzorging der armen. En enige tientallen jaren later was in onderscheidene Gemeenten het ambt van diaken een zelfstandig ambt naast dat van de presbyters (Rom. 15 : 25, 31; 2 Cor. 8 : 4; 9 : 11; Fil. 1 : 1), terwijl in de Herderlijke Brieven (Tim. en Titus) als hun eigenlijk ambt genoemd wordt: e verzorging der armen.

In Hand. 6 is dus de dienst der barmhartigheid door de Apostelen ingesteld. Het diakonaat is om die reden niet een noodambt, dat tijdelijk dienst doet, als de particuliere liefdadigheid niet groot genoeg is, maar een vast en blijvend ambt.

De H. Schrift noemt alle ambten in wezen gelijk, al is ook de omvang en de betekenis van het werk niet gelijk. De dienst des Woords neemt een meer gewichtige plaats in het leven der kerk in dan het werk der regering en de dienst der barmhartigheid. Het zou ook mogelijk zijn, dat in een plaatselijke kerk geen armen zijn, maar een kerk zonder bediening des Woords is onmogelijk. Evenwel elk ambt is door Christus ingesteld, en is een dienst aan de Koning der Gemeente. En de dienst der barmhartigheid is een heerlijk werk, waarin de ontferming van de grote Hogepriester schittert.

De vereisten, waaraan de diaken heeft te beantwoorden

In Hand. 6 vermanen de apostelen de Gemeente om te zien naar mannen uit haar, die goede getuigenis hebben, vol des H. Geestes en der wijsheid.; Zij moeten dus door hun belijdenis en hun wandel goed bekend zijn in de Gemeente. Zij moeten begiftigd zijn met de gaven des Geestes. De liefde van Christus moet wonen in hun hart, opdat zij met tederheid en door de ontferming gedreven de armen zouden helpen. Voorts moeten zijn mannen zijn van pen. Voorts moeten zij mannen zijn van voorzichtigheid en beleid, opdat rechte middelen worden gevonden en de gaven goed worden besteed.

De apostel Paulus wijst in het bijzonder in de Herderlijke Brieven op de eigenschappen, die een armverzorger moet bezitten. Hij spreekt in 1 Tim. 3 : 8, 9, 10, 12 niet over ambtelijke gaven, maar over persoonlijke kwaliteiten, welke een diaken moet bezitten. „De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuigewinzoekers; houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten. En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn".

„Dat de diakenen éner vrouwe mannen zijn", vervolgt Paulus. De bedoeling hiervan is om de verkeerde gewoonte van die

tijd, dat menig man meer dan één vrouw had, als ongeoorloofd voor te stellen.

In hun huiselijk leven moeten de diakenen een voorbeeld zijn, „hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren". Want ook hier geldt het woord, dat Paulus aangaande de opzieners zegt (vs. 5): „want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen? " Het recht dienen in de vreze des Heeren brengt zowel voor de gemeente des Heeren als voor de diakenen zelf een zegen mede (vs. 13): „want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelf een goede opgang en veel vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus".

Het werk der diakenen

Hiertoe behoren voornamelijk twee zaken: le het verzamelen en het beheer der gaven, voor de armen der gemeente bestemd, en 2e het uitdelen der gaven.

Voor de rechte bediening van hun ambt is het allereerst de roeping der diakenen, toe te zien, „dat tot hulp der armen vele goede middelen gevonden mogen worden". In overeenstemming met het karakter van de dienst der barmhartigheid is een van de beste middelen de gewone collecte in de samenkomsten der gemeente. Dit is van het begin aan in de vergaderingen der gemeente in gebruik geweest (1 Cor. 16 : 2; 2 Cor. 8 : 19; Gal. 2 : 10).

De inzameling der gaven voor de armen is een deel van de dienst der gemeente. In de eerste eeuwen der kerk stond een tafel in in de kerk, waarop een ieder zijn liefdegave kon neerleggen. Of het wegleggen van de liefdegaven in de gemeente van Corinthe (1 Cor. 16 : 2) tijdens de dienst geschiedde, is niet zeker. Doch waarschijnlijk is het wel, dat men de gaven, die men had weggelegd voor de armen, medenam voor de gemeentevergadering, om ze daar neer te leggen op het altaar der liefde. In Hebr 13 : 16 wordt dan ook het brengen van de liefdegaven beschouwd als een „offerande", waarop het leggen van de gaven op de avondmaalsdis, in de eerste tijd der kerk, heenwijst.

Het is geen schande, dat iemand eerlijk arm is, en de gedachte mag nimmer gevoed worden alsof de armen een minder soort wezens zijn dan degenen, die rijk met goederen gezegend zijn. De Schrift spreekt dan ook van „de verzameling die voor de heligen geschiedt" (1 Cor. 16 : 1), „de armen onder de heiligen" (Rom. 15 : 26); „deelt mede tot de behoeften der heiligen" (Rom. 12 : 13).

De kerk dient ook in de wijze van collecteren te waken, dat het beginsel der barmhartigheid uitkomt. Barmhartigheid veronderstelt vrijwilligheid, liefde, die uit dank voor ontvangen zegeningen gaarne in het verborgen weldoet.

Tot het werk der diakenen behoort in de tweede plaats het uitdelen van deze gaven. De dienst der barmhartigheid gaat uit van de grondstelling, dat de diakonie tot taak heeft, de ontferming van Christus te openbaren temidden der gemeente, en de hand van redding en troost uit te strekken, waar uitwendige nood is. De verzorging der armen is de plicht der christelijke barmhartigheid. De heerlijke arbeid tot het oefenen der barmhartigheid kan en mag nimmer door de Kerk worden prijs gegeven voor burgerlijke armenzorg' en particuliere liefdadigheid.

Aan wie moet worden uitgedeeld?

Allereerst strekt zich de verplichting uit tot alle leden der kerk. Maar de diakonie mag haar zorg ook uitstrekken tot degenen, die buiten zijn. „Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs" (Gal. 6 : 10). Indien uitkeringen, bijdragen, verleend worden aan hen „die buiten zijn" gaat het voor de diakonie om de uiterst belangrijke vraag: rijgen deze een bestemming die in overeenstemming is met dat wat tot de direkte taken van de kerk behoort, namelijk de dienst der barmhartigheid als begeleidend teken van de prediking van het Evangelie?

Op welke wijze moeten de gaven worden uitgereikt?

Als algemene regel moet worden gesteld, dat bij de wijze van uitdeling dient uit te komen, dat de armen de gaven ontvangen in de Naam van Christus, uit de schat der liefde. Het is eis der barmhartigheid, dat gegeven wordt zonder de wens iets weder te ontvangen, en dat wat gegeven wordt blijft tussen de gever en die, die ontvangt, naar de regel, door Jezus gesteld: Als gij aalmoes doet, zo laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het verborgen zij" (Matth. 6 : 3, 4a). Uit dit beginsel volgt dat de diakonie niet de namen beken 1 maakt van hen, die ondersteuning ontvangen. In de tweede plaats is nodig, dat de gaven aan de ondersteunden aan huis worden bezorgd.

Een belangrijk deel van het werk der dia-

kenen is ook het voorkomen van armoede. Voetius en Koelman hebben dit vroeger reeds verdedigd met een beroep op Lev. 25 : 35: En als uw broeder verarmd zal zijn, en zijn hand bij u zal wankelen, zo zult gij hem vasthouden".

De voortreffelijkheid van het ambt van diaken blijkt ook uit de nadere omschrijving in het bevestigingsformulier. „Het tweede deel van hun ambt bestaat in de uitdeling, waartoe vereist wordt, niet alleen onderscheidingsgave en voorzichtigheid, om de aalmoezen niet te besteden dan waar het van node is, maar ook blijmoedigheid en eenvoudigheid om met een bewogen hart en toegenegen gemoed de armen te helpen, gelijk de apostel eist, Rom. 12 : 8 („die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid") en 2 Cor. 9 : 7 („een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt, niet uit droefheid of uit nooddwang, want God heeft een blijmoedige gever lief "). Waartoe zeer goed is, dat zij niet alleen met de uiterlijke gift, maar ook met troostelijke redenen uit het Woord van God, aan de armen en ellendigen hulp bewijzen".

Gespreksvragen bij dit artikel:

1. Waarom zouden er terecht veel bezwaren zijn tegen een open-schaal-kollekte in de eredienst? Ken je bijbelse gegevens die in dit verband van toepassing zijn?

2. Hoe zou het komen, dat veel mensen — helaas — er uit eigen beweging niet of uiterst moeilijk toe komen om diakonale hulp te vragen?

3. Moet de diakonie maar afwachten tot iemand een beroep op haar doet? Of vraagt deze dienst der barmhartigheid een geheel andere instelling van een diaken? Zo ja, maak dat dan eens op bijbelse gronden én met een praktisch voorbeeld duidelijk.

4. Wat zijn „stille armen"? Waarom zouden déze armen in onze tijd betrekkelijk veel voorkomen?

5. In een groot gezin is een jongen of meisje met bijzondere aanleg voor studie. De ouders kunnen de kosten die met studie gepaard gaan — boeken, kleding enzovoorts — echt niet betalen. Ligt hier een laak voor de diakonie?

6. Je komt nog al eens de gedachte tegen dat ouderling een „hoger" ambt zou zijn dan diaken. Men ziet dan in de verkiezing van een diaken tot ouderling een zekere „bevordering". Soms beroept men zich voor deze gedachte op 1 Tim. 3 : 13. Is deze visie op de ambten bijbels?

Heeft de overheid ook een taak, wanneer het om de zorg voor de armen gaat? Zo ja, hoe moeten we die taak dan zien?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.