+ Meer informatie

Abstracts

3 minuten leestijd

Kleine zelfstandigen? Verdediging en nuancering van een artikel over Romeinen 12 en de ethiek

Ad de Bruijne

In Radix (28,4) reageerden verschillende scribenten op een bijdrage van Ad de Bruijne over Romeinen 12,1-2 en enkele ethische grondlijnen. In dit nummer geeft De Bruijne een reactie op een aantal kernpunten uit hun kritiek. Hij verdedigt op grond van enkele schriftplaatsen dat je het christelijke leven kunt typeren met de term ‘mooi’ en wijst in dat verband op het waarheidsmoment in de huidige esthetische benadering van ethiek. De kritiek op zijn visie op de ‘wet’ voert hij terug op een bredere terminologische onduidelijkheid rond het begrip ‘wet’. Opgevat als ‘decaloog’ of ‘Thora’ blijft dit voor hem niet de kern maar een van de factoren die wij in onze moraliteit en ethiek ‘gebruiken’. Aan kritische vragen rond zijn pleidooi voor een ‘ethiek op eigen benen’ komt De Bruijne gedeeltelijk tegemoet. Bijvoorbeeld zijn spreken over een ‘relatieve autonomie’ noemt hij ongelukkig. Tegelijk wijst hij scherper de verschillen aan. Waar zijn critici met de Reformatoren de heiliging laten voortkomen uit de rechtvaardiging, meent hij dat de Bijbel deze heiliging een zelfstandiger plaats toekent. In plaats van ‘relatieve autonomie’ spreekt hij nu van ‘kleine zelfstandigheid’. Nadruk daarop acht hij nodig omdat de morele verantwoordelijkheid momenteel van twee kanten ondermijnd wordt. Enerzijds wil het subject op een moderne manier autonoom zijn. Anderzijds wordt het subject gedeconstrueerd en verdwijnt het uit beeld. In beide gevallen laat het zich niet aanspreken door imperatieven die van buiten op hem af komen.

Lichamelijkheid, antropologie en ethiek. De implicaties van de visie op de lichamelijkheid van de mens voor de ethische reflectie op mensen met een verstandelijke handicap.

Anthonij Rietman en Ruth Seldenrijk

In de gezondheidsethiek is de lichamelijkheid niet gethematiseerd. Met name in de gezondheidsethiek, zoals die door Heleen Dupuis is verwoord, bestaat er een zekere samenhang tussen een tamelijk negatieve waardering van het leven van mensen met een verstandelijke handicap en het feit dat het lichaam kennelijk niet tot het wezen van de mens behoort. Hoewel ook in de ‘christelijke ethiek’ de lichamelijkheid niet is gethematiseerd, biedt de christelijke traditie de nodige aanknopingspunten om tot een meer positieve waardering van mensen met een verstandelijke handicap te komen. We kunnen dan niet alleen denken aan de bijbelse notie van dat de mens is geschapen naar het beeld van God en de incarnatie, maar ook en bovenal aan dat de mens weinig minder is geschapen naar God. Met name dat laatste is in de theologische doordenking van de mens onvoldoende verdisconteerd. Datzelfde geldt voor zowel de ernst van het lijden en de gebrokenheid van het bestaan als de werkelijkheid van de opstanding, die als ‘tegenwicht’ van de rauwe werkelijkheid van het bestaan kan worden ervaren, en als argument tegen de moderne opvattingen in de ethiek kan worden ingebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.