+ Meer informatie

J. Slauerhoff (1898-1936)

4 minuten leestijd

De haat tegen de zelfvoldaanheid van het burgerlijk leven; het toenemend wantrouwen tegen het leven, en de drang en het verlangen naar het avontuur bij Slauerhoff, brachten mee, dat de dichter zich nergens thuis kon vinden en hij dus niet lang aan eenzelfde plaats gebonden kon blijven.

WONINGLOZEN

Heel aardig heeft hij dit weergegeven in een gedicht, dat hij noemde „Woningloze", iemand dus die zonder woning, zonder vaste woon, zijn leven slijt. De dichter, die het nergens kan vinden, heeft toch iets wat hem kan bezigiets wat hem kan bezighouden. In zijn innerlijk wil hij de chaos ordenen en gestalte geven, door middel van zijn gedichten. Vandaar dat hij schrijft:

, , Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak; Voor d' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak, Een tent werd door de stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen. Zolang ik weet dat ik in wildernis, In steppen, stad en woud dat onderkomen Kan vinden, deert mij geen bekommernis."

Deze kwatrijnen (vierregelige strophen van een sonnet) spreken voor zich zelf.

Een eigen haard, die voor de meeste mensen goud waard is, had voor Slauerhoff geen bekoring. Probeerde hij het in een tent, die werd meegenomen door de stormwind. Daarom zegt hij ten tweeden male: „Alleen in mijn gedichten kan ik wonen." Geen bekommernis kan hem deren, zolang hij, waar ook ter wereld, in wildernissen, dorre steppen, steden of wouden, maar gevoelt dat zijn dichtader vloeit.

En dan slaat het gedicht om. Wat zal het einde zijn? Hier volgt het: uiteindelijk

„Het zal lang duren, maar de tijd zal komen Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt En tevergeefs, om zachte woorden smeekt, Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt."

De nacht, de dood, zal eenmaal komen. Daartegen is niets te doen. De oude kracht, die alle bekommernissen overwon, zal dan te kort schieten. De aarde zal hem moeten bergen: zijn graf zat in het donker openbaren.

Hoe onzichtloos is alles. Hier is het graf geen rustplaats. 't Is schril gezegd; 't is een wrang slot. Er volgt niets meer. Het leven is afgelopen. Ieder heeft zo zijn leven, de een korter, de ander weer iets langer. Zo wordt gesproken door de moderne mens, die hier op aarde alles verwacht. Verongelukt iemand, dan heeft hij pech, zo wordt gezegd. Wanneer de Canadezen, die ons land hielpen bevrijden, spraken over een gesneuvelde kameraad, dan zeiden ze: Pech gehad.

Hoe arm is dit alles toch. Aan een naderende eeuwigheid wordt niet gedacht, althans, er wordt niet over gesproken. „De wrevelige Slauerhoff, " schrijft Dirk Coster in Religieuze Poëzie, „heeft zichzelf nooit vergund iets te geloven waarvan hij vrezen moest, dat het tenslotte wel eens zelfbedrog zou kunnen blijken."

En toch is de gedachte van eeuwigheid bij niemand gans uitgewist. De atheïst huivert toch wanneer hij ernstig nadenkt over het mysterieuze van de toestand nè. dit leven. Want wanneer Willem Kloos schrijft: „Men moet niet van het lieve-doodzijn ijzen, " dan vraag ik me af, of hij er juist wel voor ijsde, nu hij het er zo over heeft.

Ook Slauerhoff wordt zonder erg als 't ware overrompeld door het gevoel zijner eigen eeuwigheid (Coster). Hij heeft namelijk een klein gedicht geschreven, dat zo luidt:

„In mijn leven, steeds uiteengerukt Door de vlagen waaraan ik blootsta, Daar 'k niet kan hechten aan liefde en geluk Die mij zullen drijven tot ik dood-ga, Ontstaan soms plotseling enkle plekken Van een stilte zo onaangedaan, Dat ik geloof in slaap te zijn gekomen In de diepten waar geen onderstromen Meer door 't eeuwig stilstaand water gaan."

Welk een ontgoocheling zal het zijn, als we hier niets anders hebben gezocht dan het vergankelijke, het schaarse goed van deze wereld, dat niet kan bevredigen, maar ons hart in onvervuldheid laat!

Hoe noodzakelijk en ten zeerste profijtelijk is het, te zoeken naar het blijvende Goed, dat nimmer zal vergaan. Het is een bestendig goed, dat niemand verdient, maar dat geschonken wordt uit louter gena, doordat Eén is gekomen in de benedenste delen der aarde, om die zaligheid te verdienen, door afstand te doen van alles, zelfs van het leven. De Heere Jezus was écht een woningloze: Hij had niets, waarop Hij zijn hoofd kon nederleggen. Maar juist daardoor heeft hij voor zwervers en uitlanders, die hier vreemdelingen zijn, woningen bereid, om daarin eeuwig te mogen verblijven.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.