+ Meer informatie

RUIMTE EN GRENZEN IN HET AANVAARDEN VAN ELKAAR

8 minuten leestijd

Wat is de ruimte de we elkaar in de kerk kunnen, mogen of ook moeten qeven? En wat zijn de grenzen van die ruimte? Het hoeft geen betoog dat er zowel ruimte als begrenzing moet zijn. Dat geldt immers op alle terreinen van het leven. Je feunt geen vereniging, partij, beweging of wat dan ook bebben, of er moet een zekere ruimte zijn voor verscbil in benadering en gevoelen. Aan de andere kant, hoe open en vrij een organisatie ook is, die openheid fean eenuoudig niet onbeperfet zijn. Zonder een grens ergens is er geen eigenbeid en kan een vereniging of organisatie oofe geen mensen trekken. Dat is met de kerk niet anders. Of toch wel?

VRIJHEID IN CHRISTUS

Principieel is het met de kerk inderdaad anders, maar dat valt niet zomaar aan de buitenkant af te lezen. Dan zien we kerkgemeenschappen die een duidelijkbelijnde ‘identiteit’ hebben, zoals de Christelijke Gereformeerde Kerken, en andere die heel ruim zijn, zoals de remonstranten en doopsgezinden. Nu kunnen we mensen die van buiten naar de kerk kijken niet verbieden om begrippen als ‘strak’ en ‘ruim’ te gebruiken. Als sociologen dat doen kan het ook het nodige aan inzicht opleveren. We kunnen wel een fraaie ‘theorie’ hebben, maar hoe werkt het in de praktijk? Het kan heel goed en heilzaam zijn bij tijden in deze spiegel te kijken.

Belangrijker is echter een andere vraag: Weten we nog wat de vrijheid van een christenmens vanuit reformatorisch perspectief is? ‘De vrijheid van een christen’ is de titel van een bekend geschrift van Luther, waarin hij op verzoek heeft samengevat wat de kern van zijn reformatorische boodschap was. Met een titel wil je de kern treffen en het zegt dus veel dat Luther op deze formulering uitkwam! Wat is er dan principieel anders aan de ruimte en de vrijheid die eigen is aan de kerk van Christus? In de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinte kunnen we dat helder zien. Men beroemde zich in die gemeente op de eigen vrijheid en veroorloofde zich op grond daarvan gedragingen en praktijken, waarvoor men buiten de kerk terugschrok en ook onmogelijk waardering kon opbrengen. ‘Alles is mij geoorloofd’, riepen ze (1 Kor. 6:12; 10:23), en ze vulden het in op een manier, zoals we die zeker vandaag maar al te goed kennen. De christelijke vrijheid werd door hen misbruikt als een vrijbrief om zichzelf uit te leven (vgl. Gal. 5:13).

Daar kwam nog iets bij. Ze riepen wel heel hard dat ze zo vrij waren, maar dat weerhield hen er niet van om zich te beroepen en te beroemen op grote voormannen. Dat was voor de één Paulus, voor een ander Apollos, voor een derde Kefas (=Petrus) - en zelfs was er een ‘Jezus-partij’ in de gemeente van Korinte! Wat is daar fout aan? Kun je niet mensen hebben die een soort vaandel zijn, waar achter je je verzamelt? Is Calvijn dat misschien voor ons? Nu, laten we maar eens zien hoe het in Korinte ging. Daar werd de Here Jezus Christus tot partijman gemaakt. Daarmee maakten ze duidelijk dat ze niet meer wisten wie Christus is en waarvoor Hij gekomen is. Ze zagen Hern op de manier waarop ze tegen andere mensen aankeken. Iemand die jouw voorman was en ook wel je voorbeeld en die jou tegelijk een zekere speelruimte liet. Zo gaat dat met identificatiefiguren.

Wat ze niet zagen en dus ook niet meer geloofden was, dat Christus gekomen is om mensen waarlijk vrij te maken. Vrij van de zonde, de schuld van de zonde en van de dood. Vrij ook van de afhankelijkheid van andere mensen. Daarom kun je in de kerk van Christus ook niet lid van een groep of beweging zijn. Dan lever je je uit aan iemand, en dat verdraagt zich niet met het horen bij Christus. ‘Alles is het uwe, Paulus, Apollos, Kefas, maar jullie zijn van Christus en Christus is van God.’ Paulus, Petrus, Apollos en welke dienaar van het evangelie dan ook staan in mijn dienst, om mij bij Christus te brengen (1 Kor. 3:5). Ik ben niet van hen, zij zijn van mij. Maar ik ben van Christus – en dat is alleen maar heel gelukkig, want ‘van Christus zijn’ wil zeggen dat je niet meer uitzichtloos in de dood van zonde en schuld ligt.

Daarmee is de ruimte of de vrijheid die wezenlijk is voor iedere gelovige heel precies aangegeven. Je bent niet van jezelf, je leeft – maar niet meer je oude ‘ik’ dat volgens de maatstaven van deze wereld denkt en voelt en leeft, nee, Christus leeft in jou. Dat is de vrijheid van de kerk van Christus: ze is geboren uit het Woord van God en ze luistert niet naar de stem van een vreemde (Zwingli). Die vreemde – dat kan Paulus, Apollos, of ook Calvijn zijn, en die vreemde ben je ook altijd zelf. Als ik leef alsof ik baas in eigen leven ben, onttrek ik mijzelf immers aan Hem, aan wie ik alleen toebehoor, Christus. Van Hem zijn lijkt van buiten af gezien verlies, inperking van mijn vrijheid. In waarheid is het troost, want het is echte vrijheid.

GEBUNDEN AAN CHRISTUS

Binnen de kerk staat niemand dus boven een ander. ‘Een is uw Meester, Christus, gij echter zijt allen broeders.’ (Mat. 23:8). We maken dus ook niet voor elkaar uit hoe we geloven. De Heilige Geest perst ons niet in een keurslijf, maar smeedt ons samen tot een ‘orkest’, dat iets heeft van het ‘samen met alle heiligen’ God kennen en eren. Bij Paulus zien we dat op een heel kenmerkende manier uitgedrukt. In 1 Kor. 15:1-4 maakt Paulus onderscheid tussen een belijdenis, die door alle apostelen onderschreven wordt en als grondslag van hun verkondiging functioneert, en die verkondiging zelf. Paulus, Johannes en Petrus delen dat ene fundament van die oerchristelijke belijdenis, maar ze vertolken het vervolgens elk op zijn eigen manier. Dat is niet jammer, zo móet het gaan. Omgang met de HERE in zijn Woord is altijd persoonlijk. De verschillen in verwerking en beleving zijn dus niet betreurenswaardig, maar blijk van de vrijheid die de Heilige Geest schenkt.

Dat is dus het geheim van de kerk: het ene fundament, dat wij zelf niet kunnen leggen, dat Gód heeft gelegd: Christus. Dat fundament is niet een grondslag, zoals een vereniging die heeft en die je samen moet handhaven. Het fundament van de kerk is de levende Here Jezus Christus, die als Goede Herder zijn gemeente verzamelt, beschermt en onderhoudt. In de kerk, in verkondiging, pastoraat en catechese, moet het hierom gaan. Alle spreken van de kerk naar binnen en naar buiten moet in volstrekte concentratie op Christus plaatsvinden. In Hem is immers alles: rechtvaardiging, heiliging, verlossing en ook alle schatten van de wijseid en de kennis (1 Kor. 1:30; Kol. 2:3)

Deze grondslag van de kerk is gevat in formuleringen – hoe zou het ook anders kunnen? – maar als hoeksteen is ze een levende steen, en we zijn er dus niet met ‘handhaven’, maar we dienen tot deze levende steen te kórnen (1 Pet. 2:4). En komen houdt in, geproefd hebben dat de Here goedertieren is en ook: jezelf laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, inderdaad: op dat fundament.

CHRISTELIJKE VRIJHEID

In de Christelijke Gereformeerde Kerken, waartoe wij mogen behoren, is er sprake van onderlinge verschillen. Dat is niets nieuws. Ze zijn er altijd geweest. Dat zorgde en zorgt soms voor forse spanningen. Zo’n kwart eeuw geleden sloeg de polarisatie in de samenleving ook over naar de kerk. Vandaag laten we elkaar meer de ruimte, maar ook hier volgen we weer de trend in de samenleving.

Intussen worden de verschillen in geloofsbeleving en geloofsuiting er niet kleiner op. Is er meer ruimte in de kerk gekomen? Of mag in de Christelijke Gereformeerde kerken – met een woord van Frederik de Grote uit de 18e eeuw – ‘ieder op zijn eigen manier zalig worden’? Dat lijkt vroom en wijs, maar is het niet. We laten elkaar in werkelijkheid los en zoeken de beleving met gelijkgestemden.

Hoe moet het dan wel? Nu, waarom zouden we niet met open vizier naar elkaar toe gaan en met elkaar delen hoe wij het leven uit Christus beleven en gestalte geven? Dan kun je samen ontdekken dat er zaken zijn, die voor jou misschien wel belangrijk en dierbaar zijn, maar niet tot de kern behoren. En die zelfrelativering geeft je de mogelijkheid en het recht om aan de ander te vragen: ‘kun je mij uitleggen hoe jij van dag tot dag met Christus leeft?’ Dat is een lastige en ook confronterende vraag. Als daar een ondertoon van wantrouwen in doorklinkt, kunnen we het gesprek vergeten. Maar als we de ander in de ogen zien en onszelf in het hart laten kijken, kan er iets goeds uit voortkomen. Bijvoorbeeld dat we ontdekken dat de Heilige Geest mensen niet in een mal perst. Het kan ook nodig zijn elkaar dringend te vragen of we Christus wel kennen. Als dat in een open ontmoeting gebeurt, kan en wil de HERE dat gebruiken en zegenen.

In Rom. 15 houdt de apostel Paulus een bewogen pleidooi voor aanvaarding van elkaar, bij allerlei onderlinge verschillen van gedachten en gevoelens. Hij verwijst naar Christus, die niet zichzelf heeft gezocht, maar voor ons de weg van het kruis met de bijbehorende smaad is gegaan. De Schriften wijzen ons de weg, ze beloven ons volharding en vertroosting in Christus – en waar we de Schriften met dat doel voor ogen lezen vinden we elkaar en zullen we samen een meerstemmig loflied zingen. ‘Daarom, aanvaardt elkander …’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.