+ Meer informatie

Een inleiding tot de filosofie en rechtstheorie van Herman Dooyeweerd

33 minuten leestijd

1. Inleiding

Het jubileumnummer van het Algemeen Nederlands tijdschrift voor Wijsbegeerte (januari 1983) is geheel gewijd aan de wijsgerige traditie van Nederland. Hoe treurig ook om vast te stellen, het nummer wijst onvermijdelijk uit dat van een werkelijk originele Nederlandse wijsgerige traditie geen sprake is: de Nederlandse filosofiebeoefening lijkt niet veel meer te zijn dan een continu proces van aantekeningen, geplaatst bij het Duitse, Franse en Britse denken. De enkele uitzonderingen zijn maar al te bekend: Spinoza, Brouwer, Erasmus en Hugo de Groot. Aangezien de wijsgerige traditie in Nederland nu niet bijzonder veel lijkt voor te stellen, is het des te opmerkelijker dat in bovengenoemd tijdschrift geen aandacht werd besteed aan de protestantse filosoof Herman Dooyeweerd. Opmerkelijk, omdat hij een wijsgerig systeem ontwikkelde dat niet alleen de filosofische bekroning vormt van een wèl typisch Nederlandse traditie, te weten de gereformeerde, maar ook omdat Dooyeweerd, hoe men ook mag staan tegenover christelijke filosofie, een werkelijk uitzonderlijk origineel systeem ontwikkelde. Dat dit niet alleen in eigen kring, maar ook daarbuiten werd onderkend, mag blijken uit het feit dat de liberale rechtsfilosoof Langemeijer Dooyeweerd eens typeerde als de 'meest oorspronkelijke wijsgeer die Nederland ooit heeft voortgebracht, Spinoza zelfs niet uitgezonderd'. Wat er de reden van mag zijn dat het werk van Dooyeweerd c.s. desalniettemin de bredere erkenning onthouden is waarop het, gezien de kwaliteit, zeker aanspraak zou mogen maken, daarnaar kan men alleen maar gissen. Een van Dooyeweerds leerlingen en tevens opvolger aan de Vrije Universiteit, Van Eikema Hommes, schrijft dit onder andere toe aan het feit dat velen de Wijsbegeerte der Wetsidee als een soort quasi-theologie van de hand menen te kunnen wijzen (Van Eikema Hommes, 1982a). Een misverstand overigens, maar wel een misverstand dat helaas in de hand gewerkt is door 'die aanhangers van de door hem (Dooyeweerd; PC) geïntroduceerde reformatorische wijsbegeerte, die weer op de oude scholastische en onkritische wijze wijsgerige problemen en bijbelse gegevens met elkaar zochten te verbinden' (Van Eikema Hommes, 1982a). Een ander obstakel op de weg naar een grotere waardering van Dooyeweerds geschriften is ongetwijfeld zijn schrijfstijl. J. Zwart spreekt van één van de boeken van Dooyeweerd als 'een uitvoerig en moeilijk leesbaar geschrift' (Zwart, 1980). Helaas is dit iets dat vele van zijn geschriften aankleeft: het taalaspect, zou men kunnen zeggen, werd bij hem niet altijd verdiept en ontsloten door de economische en esthetische modaliteit. Maar dit terzijde! Er zijn namelijk wel andere maatstaven te bedenken dan zuiver literaire om het werk van een groot filosoof te beoordelen. Hoe onterecht het is dat in het jubileumnummer van bovengenoemd tijdschrift geen melding werd gemaakt van Dooyeweerds werk, blijkt ook daaruit dat van alle Nederlandse filosofie de gereformeerde of (minder juist) calvinistische kan rekenen op de meeste erkenning in het buitenland; zij het dan wel dat het ook hier voornamelijk gaat om belangstelling van geloofsgenoten. In 1971 kon de grondlegger daarover schrijven: 'De reformatorische richting, die in de Wijsbegeerte der Wetsidee haar eerste systematische wijsgerige uitdrukking vond, groeide geleidelijk uit tot een internationale beweging, die thans in alle delen der wereld aanhang gevonden heeft' (Dooyeweerd, 1971). Dooyeweerd wijst dan op het feit dat in Nederland na de tweede wereldoorlog, de Stichting Bijzondere leerstoelen in de Calvinistische Wijsbegeerte in het leven geroepen is. Met uitzondering van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en de Technische Hogeschool in Enschede zijn aan de openbare instellingen van Wetenschappelijk Onderwijs zulke leerstoelen gevestigd. Verder wijst hij op het feit dat in Canada, de Verenigde Staten, Australië en Zuid-Afrika verder gestalte wordt gegeven aan de door hem ontwikkelde filosofie. Terecht heeft Van Peursen Dooyeweerd de leider van de reformatorisch wijsgerige traditie genoemd.

2. Leven en werk

Dooyeweerd werd in Amsterdam (1894) geboren en schreef zich in 1912 in als student rechten aan de Vrije Universiteit. Vijf (!) jaar later promoveert hij bij Prof. D. P. D. Fabius op een proefschrift over de Ministerraad in het Nederlandse Staatsrecht. Zijn wetenschappelijke loopbaan heeft Dooyeweerd weten te verenigen met een groot aantal ambtelijke functies. In wetenschappelijk opzicht is vooral belangrijk zijn initiatief tot oprichting van het tijdschrift Anti-revolutionaire Staatkunde, waarin hij artikelen publiceert van een omvang die ook een uitgave in boekvorm zouden rechtvaardigen. Reeds op 32-jarige leeftijd wordt hij benoemd als hoogleraar in de Encyclopedie der rechtswetenschap, het oud-vaderlands recht en de rechtsfilosofie. De Encyclopedie der rechtswetenschap stelt zich - en dit in tegenstelling tot de Algemene inleiding in de rechtswetenschap - tot doel: het geven van een wijsgerig gefundeerd en methodisch uitgewerkte inleiding tot de rechtswetenschap als zelfstandige wetenschappelijke discipline (Van Eikema Hommes, 1982b). Bij het woord Encyclopedie moet men in dit verband dus niet denken aan wat in Van Dale's woordenboek als eerste betekenis vermeld staat, namelijk 'beschrijvend, voorlichtend woordenboek van alle kunsten en wetenschappen, zaakwoordenboek', maar wat vermeld wordt als de tweede, wijsgerige, betekenis van Encyclopedie: 'bepaling en leer van de plaats die een wetenschap inneemt in samenhang met de andere wetenschappen'. De Encyclopedie in de door Dooyeweerd gehanteerde zin, kan men kort omschrijven als wijsgerige wetenschapsleer. Daarbij werkt hij dan verder in de traditie van het Duits idealisme, in de traditie van Fichte, Schelling en Hegel dus, die op hun eigen wijze ook een wijsgerige wetenschapsleer ontwikkelden. Het grote werk waarin Dooyeweerds gedachten gestalte kregen is zijn Wijsbegeerte der Wetsidee (3 delen, 1935-1936). Met de term wetsidee was hij later niet onverdeeld gelukkig en hij heeft een gewijzigde en vertaalde editie van dit werk ook een andere titel meegegeven (A New Critique of Theoretical Thought, 1954-1957), wat overigens niet heeft kunnen verhinderen dat de term 'wijsbegeerte der wetsidee' volkomen ingeburgerd is geraakt. Hetzelfde geldt voor zijn filosofie als 'calvinistisch' systeem. Later heeft Dooyeweerd ook van deze term afstand willen nemen, in de hoop daarmee het oecumenisch karakter van zijn filosofie te benadrukken. Maar ook in dit geval is het niet mogelijk gebleken een eenmaal ingevoerde term weer te doen vergeten. In dit artikel kan ik niet te lang stilstaan bij biografische bijzonderheden. Ik vermeld nog dat Dooyeweerd in de jaren 1931-1932 en 1950-1951 als Rector Magnificus van de Vrije Universiteit fungeerde en dat hij in 1948 lid werd van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, afdeling letterkunde. In 1965 ging Dooyeweerd met emeritaat. In 1977 overleed hij. Uit de hierboven vermelde gegevens blijkt Dooyeweerds betrokkenheid bij de Vrije Universiteit. In een bepaalde zin kan men zijn filosofie ook verstaan als de wijsgerige ontwikkeling van het principe dat voor het eerst werd geformuleerd door de geestelijke vader van de VU: Abraham Kuyper. Met dat principe wordt dan gedoeld op de soevereiniteit in eigen kring, bij Kuyper nog slechts 'zeer rudimentair omschreven', volgens Dooyeweerd (1971). Op kritische wijze heeft Dooyeweerd de Kuyperiaanse erfenis toen verder verwerkt. Zo oefende hij bij voorbeeld kritiek uit op de scholastieke en theologische lijn in het denken van Kuyper, die hij in tegenspraak achtte met de centraal-religieuze of gereformeerde lijn. Kuyper, zo meende Dooyeweerd, heeft zich in zijn theologische en politieke geschriften niet kunnen onttrekken aan het dualistische grondmotief van Natuur en Genade, waardoor de bijbels-reformatorische lijn in zijn denken in een onverzoenbare tegenstelling kwam te verkeren met het scholastieke element, dat bij voorbeeld de overhand had in zijn Encyclopedie der Heilige Godgeleerdheid. Het principe van de soevereiniteit in eigen kring, dat bij Kuyper vervlakte tot een louter politieke leuze wilde Dooyeweerd nu juist uitwerken tot een centraal kosmologisch beginsel: aan de werkelijkheid zijn bepaalde aspecten en structuren te onderscheiden die het theoretisch denken niet veronachtzamen kan zonder in tegenstellingen (antinomiën) verwikkeld te raken. Wat zijn nu die structuren en aspecten waaruit de kosmos is opgebouwd? Dat is de vraag die wordt beantwoord in het monumentale werk A New Critique of Theoretical Thought.

3. De aspectenleer

We zullen beginnen met de aspecten. Wat de leer van de aspecten behelst valt misschien nog het beste te begrijpen, wanneer men beseft waartegen Dooyeweerd zich wilde verzetten. Bekend is een uitspraak van Descartes, dat er niets zots of ongeloofwaardigs is dat niet door de een of andere filosoof beweerd werd. En inderdaad, er is niets dat bij een eerste kennismaking met de filosofie zo saillant naar voren komt als de veelheid van wijsgerige systemen, die allen aanspraak maken op absolute geldigheid. De Duitse filosoof Wilhelm Dilthey schrijft: 'Grenzenlos, chaotisch liegt die Manigfalitigkeit der philosophischen Systeme hinter uns und breitet sich um uns aus' (Dilthey, 1977). Tussen de grote hoeveelheid van die systemen en de pretentie van algemene gelding bestaat een tegenspraak, die, zo schrijft Dilthey, 'viel stärker als jede systematische Beweisführung den skeptischen Geist unterstützt'. Ook Schopenhauer spreekt over de grote hoeveelheid wijsgerige systemen en de antagonistische verhouding waarin zij tot elkaar staan. 'Jedes philosophische System', zo schrijft hij, 'kaum zur Welt gekommen, ist schon auf den Untergang aller seiner Brüder bedacht, gleich einem asiatischen Sultan bei seinem Regierungsantritt'. Kenmerkend voor die wijsgerige systemen is nu, dat men telkens de werkelijkheid, die zich in een veelheid van dimensies aan ons voordoet, tracht te reduceren tot één grondnoemer waaronder alles begrepen kan worden. Dit proces neemt een aanvang met Thaies van Milete, die meende dat alles terug te voeren viel op het principe water. Een andere antieke denker, Pythagoras, ziet het getal als het wezen van de werkelijkheid. En weer een ander, Democritus, reduceert het gehele kosmisch gebeuren tot een fysisch proces, namelijk de beweging van atomen. Ook in de moderne filosofie zien we dat reductionisme als kenmerkend verschijnsel. Zo wordt bij Descartes de gehele werkelijkheid teruggebracht tot twee aspecten: het ruimtelijke en het mentale. Alle dieren, planten, dingen, kortom alles in de kosmos uitgezonderd de mens, viel bij Descartes onder de noemer van de uitgebreidheid (of ruimtelijkheid). Die sfeer van uitgebreidheid zou dan beheerst worden door fysische wetmatigheden als de wet van oorzaak en gevolg. Natuurlijk voert zo'n beschouwing tot ongerijmdheden. Zo werden de dieren door Descartes als een soort machines verstaan. Maar dat reductionisme is niet alleen bij Descartes te vinden, ook bij andere grote filosofen vindt men het. Zo wordt bij Schopenhauer de gehele werkelijkheid teruggebracht tot een psychische substantie, de wil; een benadering die men ook aantreft in de filosofieën van Bergson, Heymans en Kranenburg. Kortom: de gehele geschiedenis van de filosofie lij kt een lange traditie van eenzijdigheden, van 'ismen', waarbij één manier waarop men de werkelijkheid kan bezien (ruimtelijkheid, schoonheid, geschiedkundige wording, etc.) op de troon wordt geplaatst waarvoor de andere benaderingen hebben te buigen. Nu is een dergelijke benadering altijd een procrustesbed, een dwangbuis. Iedere filosofie die geen recht doet aan het onderscheid tussen een dier en een machine, waarvan wij in het alledaagse leven een heldere voorstelling hebben, doet geen recht aan die werkelijkheid. De grondintentie van Dooyeweerds filosofie is nu, dat hij wèl volledig recht wil doen aan de ervaring die wij in het alledaagse leven hebben: de ervaring namelijk dat aan de werkelijkheid een veelheid van dimensies zijn te onderkennen, die ook wel aspecten of zijnswijzen worden genoemd. Zo valt aan een roos een esthetisch aspect (schoonheid), een sensitief aspect (kleur), een ruimtelijk aspect e.d., te onderscheiden. Elke wijsgerige stroming die de veelheid van aspecten van de roos reduceert tot één dimensie, noemt Dooyeweerd een 'isme'. En dat geldt niet alleen voor een roos, maar ook een cultuurproduct als een tafel, een gebeurtenis als een voetbalwedstrijd of een sociale realiteit als een samenlevingsverhouding. Niets is zo rijk als de werkelijkheid! Dooyeweerd spreekt in dit verband van 'zinverscheidenheid' en Vollenhoven heeft het over een 'bonte verscheidenheid in het geschapene' (Vollenhoven, 1933). Maar hoeveel verschillende aspecten zijn er nu aan de werkelijkheid te onderscheiden? Dooyeweerd onderscheidt er vijftien, maar daarbij moet dan onmiddellijk worden opgemerkt, dat dit aantal niet voor eeuwig gefixeerd ligt. De Wijsbegeerte der wetsidee verzet zich weliswaar niet tegen metafysica voorzover deze probeert een totaalblik te verkrijgen over de werkelijkheid (Dooyeweerd, 1969), maar wèl voorzover geen rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke bevindingen die door de verschillende vakwetenschappen worden aangedragen. Concreet: als het wetenschappelijk mogelijk blijkt één van de aspecten tot een andere te reduceren, dan zal de Wijsbegeerte der wetsidee zich daartegen niet halsstarrig verzetten. Wat dat betreft vervalt de encyclopedische benadering van Dooyeweerd niet in de fouten van het Duits idealisme, dat, zoals we hebben gezien, de Wijsbegeerte der wetsidee in bepaald opzicht tot voorbeeld strekte. Zo was bijvoorbeeld Hegels liefde voor een encyclopedische benadering zo groot, dat hij een grote afkeer had van Newton, die, zo meende Hegel, de natuur niet als één geheel beschouwde, maar in kleine stukjes uiteenrafelde (Gulyga, 1974). Ook bewees Hegel in 1800 dat er niet meer dan zeven planeten konden zijn, terwijl voordat de inkt van zijn dissertatie droog was er in 1801 een nieuwe planeet werd ontdekt (Bronowski, 1977). Bij Dooyeweerd is echter van een dergelijke 'encyclopedische ontaarding' geen sprake. Altijd wilde hij zijn systeem in overeenstemming gebracht zien met de vakwetenschappelijke realiteit. Als de wetenschap uit zou wijzen dat bij voorbeeld het biotische aspect (het leven) te reduceren valt tot het fysische, dan betekent dit dat één aspect uit de rij die Dooyeweerd opstelde dient te verdwijnen. Overigens was hij ook uitstekend ingevoerd in de exacte wetenschappen. Als systematisch filosoof kan men hem vergelijken met iemand als Whitehead en niet met bij voorbeeld Sartre, die helemaal niets wist van de exacte wetenschappen. Maar welke aspecten zijn er nu te onderscheiden? Bij de huidige stand van wetenschappelijke kennis zijn dat: 1) het getalsaspect, 2) het ruimtelijk aspect, 3) bewegingsaspect, 4) fysisch aspect, 5) organisch levensaspect, 6) psychisch aspect, 7) logisch-analytisch aspect, 8) cultuur-historisch aspect, 9) linguïstisch aspect, 10) sociaal omgangsaspect, 11) economisch aspect, 12) esthetisch aspect, 13) juridisch aspect, 14) moreel aspect, en 15) geloofsaspect. Elk aspect heeft een onherleidbare kern die het rechtvaardigt dat aan het aspect een zelfstandige plaats wordt toegekend in de rij. Die kernen zijn respectievelijk: 1) hoeveelheid, 2) ruimtelijkheid, 3) beweging, 4) energiewerking, 5) organisch leven, 6) gevoel, 7) logische onderscheiding, 8) culturele ontwikkeling, 9) symbolische betekenis, 10) sociale omgang, 11) schaarste, 12) schone vorm, maat en harmonie, 13) recht, 14) morele liefde, en 15) geloof (Dooyeweerd, 1954). Nu staan die aspecten niet in een willekeurige volgorde, zij vormen geen chaotische opeenstapeling, maar een structuur, een opbouw, een architektonisch geheel (Dooyeweerd, 1969). En wat garandeert die samenhang? Deze samenhang vindt haar grond in het feit dat het ene aspect het andere mogelijk maakt. Laten we proberen dit duidelijk te maken met een voorbeeld. Neem een getal, twee bij voorbeeld. Hoeveel aspecten zijn aan dit getal te onderscheiden? Eén, en wel het getalsaspect. Een getal neemt geen plaats in de ruimte in (ruimtelijk aspect), kan niet bewegen (bewegingsaspect), oefent geen kracht uit (fysisch aspect), leeft niet (biotisch aspect), etc. tot aan het punt waarop de lezer zal moeten vaststellen dat een getal geen geloof heeft. We zien dus dat een getal slechts in één van de vijftien aspecten als subject ('actief') kan optreden. Maar hoe anders ligt dit met een ruimtelijke eenheid als een cirkel. Hier zien we dat dit fenomeen niet alleen als subject optreedt in het getalsaspect (de cirkel is een eenheid), maar tevens in het ruimtelijk aspect (de eenheid is ruimtelijk). En weer een andere positie bekleedt een ding in de orde der aspecten. Deze kan namelijk ook als subject optreden in het fysisch aspect. Alleen de mens kan in alle aspecten als subject optreden, wat ook met zich meebrengt, dat alleen de mens aan de wetmatigheden van alle aspecten onderworpen is. Binnen elk aspect gelden namelijk bepaalde wetmatigheden. Iedereen kent de valwetten en logische wetmatigheden zoals de wet van de tegenspraak en die van de toereikende grond. Het is duidelijk dat bij voorbeeld een steen en een plant niet onderworpen zijn aan de wet van de tegenspraak, immers alleen de mens denkt.

4. Een gemeenplaats?

Nu klinkt dit allemaal heel plausibel, maar zijn het geen gemeenplaatsen die hier met veel filosofische bravoure worden opgediend? Iedereen weet wel dat een steen niet denkt, maar wel naar beneden valt als je deze in de lucht gooit! Is het dan nodig om met veel quasi-geleerd vertoon vast te stellen dat een steen niet onderworpen is aan de wetmatigheden binnen het logischanalytisch aspect, maar wel aan die binnen het kinematisch (bewegings-) aspect? Ik denk het wel. Schopenhauer heeft eens gezegd dat het niet de taak van de filosofie is allerlei ver van het alledaagse leven verwijderde speculaties te ontwikkelen, maar dat het er juist om gaat die alledaagse werkelijkheid conceptueel te vangen. Die moet verklaard worden. En het zal overigens blijken dat degene die bereid is zich theoretisch, dus expliciet denkend, rekenschap te geven van wat hij of zij in het alledaagse leven ervaart, tot verrassende inzichten komt. Nu hebben we gezien hoe verschillend geaarde entiteiten als een getal, een cirkel, een ding en een plant verschillende posities innemen in de orde der aspecten. Zo kon de steen alleen in de eerste vier aspecten als subject optreden. Betekent dit nu dat een steen met de rest van de aspecten niets te maken heeft? Zeker niet! Het betekent alleen dat een steen in de hogere aspecten slechts op kan treden als object. Een steen kan dus niet waarnemend optreden, maar wel waargenomen worden. En zo geldt dat ook voor de overige aspecten, ja tot aan het pistisch aspect toe, want een zwarte steen blijkt als object een religieuze betekenis te kunnen hebben. (Net als een getal trouwens, denk maar aan de Pythagoreïsche getallenmystiek). Het is nu misschien mogelijk wat meer technische terminologie in te voeren. Herformulerend kunnen we vaststellen dat de aspecten bepaalde wijzen van zijn of ontische modi zijn. Binnen elk aspect gelden modale wetten en de gehele kring van wetten wordt een wetskring genoemd. Dooyeweerd noemt de aspecten ook 'meaning-aspects' (Dooyeweerd, 1969) of zinmodaliteiten. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de aspecten niet los van elkaar staan, maar dat het ene aspect verwijst naar het andere en dat alle aspecten tezamen uiteindelijk verwijzen naar de absolute oorsprong, die de christen ziet als God. Het geheel van verwijzingen binnen een aspect naar de andere aspecten noemen we de modale structuur (Dooyeweerd, 1969). De verwijzingen kan men dan weer onderscheiden in anticipaties en retrocipaties: vooruitwijzingen en terugwijzingen. Een voorbeeld! Laten we uitgaan van het ruimtelijk aspect. Dit is het tweede aspect en in het derde tot en met het vijftiende aspect vinden we terugwijzingen naar het ruimtelijk aspect. Zo levert bij voorbeeld de retrocipatie van het fysische naar het ruimtelijk aspect het begrip fysische ruimte op. De retrocipatie van het biotisch aspect naar het ruimtelijke levert op de levensruimte of levensmilieu (Umwelt). In de psychologie (retrocipatie van het psychisch aspect naar het ruimtelijke) spreekt men van zinnelijke waarnemingsruimte; in de logica van logische denkruimte; in de rechtswetenschap kent men een geldingsruimte of geldingsgebied van rechtsnormen en in de economie gaat het om een economische ruimte etc. (Dooyeweerd, 1954). Nu zou men kunnen denken dat het bij dergelijke opsommingen om niets anders dan een taalspelletje gaat, het aanleggen van een rijtje metaforen. Maar dat is niet juist. Dooyeweerd zegt daarvan: 'If there were a metaphor, the term in its scientific use could simply be replaced by another word of by a combination of terms without any spatial signification. But this is impossible' (Dooyeweerd, 1969).

5. Alledaagse werkelijkheid

Het feit dat aan de werkelijkheid een vijftiental aspecten te onderscheiden is, wil overigens niet zeggen dat wij ons daar in het alledaagse leven voortdurend van bewust zijn. Een beoefenaar van de natuurwetenschappen richt zijn aandacht op het fysisch aspect der dingen, een bioloog op het biotisch aspect en een jurist legt zich toe op de juridische verhoudingen. Maar in het alledaagse leven ervaren we de werkelijkheid als één geheel, dus niet uiteengelegd in aspecten. Men kan het ook als volgt stellen: in onze alledaagse houding ervaren we de aspecten als impliciet aan de dingen, terwijl wij met de wetenschappelijke bril op pas gaan onderscheiden, dat wil zeggen een stukje werkelijkheid losgemaakt uit de ervaringssamenhang bestuderen. Belangrijk is ook dat de aspecten transcendentale voorwaarden zijn voor het bestaan der verschijnselen. Zonder biotisch aspect zou er geen leven zijn en dus geen onderscheid tussen een plant en een steen. Resumerend en herformulerend kunnen we stellen dat een aspect bestaat uit: 1) een zinkern, 2) retrocipaties, 3) anticipaties. De retrocipaties en anticipaties tezamen vormen de analogieën of analogische structuurmomenten, of eenvoudiger: verwijzingen. Het is de zinkern van het aspect die de basis vormt voor de zelfstandige plaats die het aspect inneemt temidden van de gehele kring der aspecten. De zinkern is datgene wat het meest karakteristiek is voor het aspect. Deze is oorspronkelijk, dat wil zeggen: niet analogisch van karakter. Bij voorbeeld 'leven' als zinkern van het biotisch aspect is oorspronkelijk van aard. Maar in het begrip 'rechtsleven' hebben we te maken met een analogie. In de onherleidbare zinkern van het aspect spreekt zich dus uit het beginsel van d& soevereiniteit in eigen kring, terwijl in de analogieën zich de universaliteit in eigen kring weerspiegelt: in de opbouw van de modale structuur van een aspect, vindt men namelijk de gehele orde der aspecten weerspiegeld (Dooyeweerd, 1969). Een bepaalde consequentie van de onherleidbaarheid moeten we nog even aanstippen: onherleidbaarheid wil ook zeggen: ondefinieerbaarheid; de zinkern kan niet verder ontleed worden. Anders gezegd: de zinkern laat zich alleen intuïtief benaderen. Vooral dat laatste stuit voor velen op problemen. Men vindt dat maar heel vreemd. En is het ook niet vreemd? Is het niet wetenschappelijk onbevredigend dat de zinkern 'recht' van het juridisch aspect niet nader omlijnd kan worden? (Dooyeweerd, 1967). Voert dat niet tot een verwerpelijk irrationalisme waarmee in de wetenschap niets te beginnen valt? Ik denk het niet. Of liever gezegd: het is een ervaringsfeit waarmee men nu eenmaal rekening zal hebben te houden. Wie inziet dat de zinkern nooit verder te ontleden valt, begrijpt ook de reden van Kants verzuchting: 'Noch immer suchen die Juristen eine Definition zu ihrem Begriffe vom Recht'. Immers die definitie zal nooit gevonden worden langs de weg van de traditionele begripsvorming per genus proximum\ het gaat hier om een transcendentaal verschijnsel, dat aan alle begripsvorming voorondersteld is. 'It is the very nature of the modal nucleus', schrijft Dooyeweerd, 'that it cannot be defined because every circumscription of its meaning must appeal to this central moment of the aspect-structure concerned' (1969). 'The meaning-kernel itself can be grasped only in an immediate intuition and never apart from its structural context of analogies'.

6. Rechtswetenschap

De Wijsbegeerte der wetsidee wijst aan elke wetenschap een bepaalde plaats toe in de gehele kring der wetenschappen. Elke wetenschap onderzoekt namelijk een bepaald aspect van de werkelijkheid. Zo richt de biologie zich op het biotisch aspect, de ethiek op het ethisch aspect, de esthetica op het esthetisch aspect, etc. Nu doet zich de situatie voor, dat juristen die geïnteresseerd zijn in de Wijsbegeerte der wetsidee tamelijk bevoordeeld zijn boven belangstellenden uit andere disciplines, omdat het systeem van Dooyeweerd voor de rechtswetenschap is uitgewerkt door zijn leerling Van Eikema Hommes. Wanneer men een rechtsfilosoof zou willen typeren met een van zijn meest karakteristieke thema's (zoals bij voorbeeld Larenz met richtiges Recht, Paul Scholten met rechtsvinding, Scheltens met menselijke waardigheid), dan zou dat voor Van Eikema Hommes zijn rechtsbeginselen zijn. Deze aandacht voor 'de diepere dingen' van het recht komt reeds duidelijk naar voren in zijn proefschrift Een nieuwe herleving van het natuurrecht en is ook te vinden in een belangrijke studie uit 1967: De betekenis van de Algemene Rechtsbeginselen voor de Rechtspraktijk. 'Het recht', zo schrijft Van Eikema Hommes zich aansluitend bij de visie van Dooyeweerd, 'is naar zijn algemene structuur een bepaald aspect van onze werkelijkheid, een bepaalde wijze van zijn of modus quo, die betrokken is op het algemene hoe, waarin concrete individualiteiten (dingen, gebeurtenissen, handelingen, samenlevingsverhoudingen, etc.) in hun onderlinge vervlechtingen (het concrete wat) fungeren' (Van Eikema Hommes, 1967). Het juridisch aspect heeft een normatieve structuur en is voor actualisering en ontsluiting aangewezen op menselijke positiveringsarbeid. In die modale structuur van het rechtsaspect vinden we de bovenwillekeurige aanknopingspunten voor de modale rechtsbeginselen. We hebben gezien hoe binnen elk aspect verwijzingen naar de andere aspecten worden aangetroffen. In de rechtswetenschap gaat het nu om de verwijzingen van en naar het juridisch aspect; deze leveren de modale rechtsbeginselen op. De rechtsbeginselen kunnen dan worden onderscheiden in constitutieve en regulatieve beginselen. De constitutieve, de naam zegt het al, constitueren het recht: men vindt ze in alle rechtsstelsels, en ze corresponderen met de retrocipaties binnen het rechtsaspect. De regulatieve rechtsbeginselen, die corresponderen met de anticipaties in het rechtsaspect, vinden we niet in alle rechtsstelsels. Nu kan men de werkelijkheid onder tweeërlei invalshoek benaderen: allereerst is deze de samenhang van alle aspecten, maar daarnaast is deze het geheel van individualiteiten. Terwijl de leer van de aspecten de basis vormt voor de modale rechtsbeginselen, komen we zogenaamde typische rechtsbeginselen op het spoor door een bezinning op de individualiteiten; en dan een bepaald soort individualiteiten, namelijk de samenlevingsverhoudingen. Men kan het ook als volgt stellen: de typische rechtsbeginselen zijn in de typische structuren van de menselijke samenlevingsverhoudingen naar hun rechtsaspect gegrond. Zij hebben geen eeuwigheidswaarde in de zin van natuurrechtelijke principes, maar dienen zich slechts aan wanneer de menselijke samenlevingen waarin zij gegrond zijn tot ontwikkeling komen. Voor de verwerkelijking van de typische rechtsbeginselen geldt weer hetzelfde als voor de modale: 'hun verwerkelijking in het geldend recht is nimmer een automatische en vanzelfsprekende zaak, maar altijd een kwestie van hoog rechtsbesef en rechtsgeloof. Het is de roeping van de ware jurist zich voor de verwerkelijking van de rechtsbeginselen in te zetten' (Van Eikema Hommes, 1975). En aangezien de verwerkelijking van de rechtsbeginselen een positivering daarvan betekent, is het de verdienste van het rechtspositivisme op dat element van die vastlegging in het geldend recht gewezen te hebben. Maar wat nu, zo kan men vragen, als de rechtsvormers de rechtsbeginselen met de voeten treden? Daarop luidt het antwoord van Dooyeweerd, dat in zo'n geval geen geldend recht gevormd wordt, 'maar chaos op een voor ieder kenbare en de rechtsvormer zelf overtuigende wijze' (Dooyeweerd, 1930). Van Eikema Hommes is over deze kwestie iets preciezer: 'Miskenning van regulatieve rechtsbeginselen door rechtsvormers, zonder schending van constitutieve rechtsbeginselen, leidt tot onrechtvaardig, onbillijk, 'unrichtig' recht, dat wèl zijn rechtskracht behoudt. Grove schending van constitutieve rechtsbeginselen leidt echter tot non-recht, dat niet meer op de naam recht aanspraak kan maken' (Van Eikema Hommes, 1975). Opmerkelijk in de benadering van Dooyeweerd en Van Eikema Hommes is, dat deze een synthese tot stand brengt tussen het eeuwenoud dilemma van natuurrechtsleer en rechtspositivisme. De aanhangers van de natuurrechtsleer kennen aan de rechtsbeginselen een eeuwigheidswaarde toe en hebben geen oog voor de historische ontwikkeling van het recht, terwijl de aanhangers van het rechtspositivisme geen belangstelling hebben voor het bovenwillekeurig karakter van de rechtsbeginselen. Beide benaderingen zijn in hun eenzijdigheid onjuist.

7. Individualiteitsstructuren

We hebben nu gezien hoe de kosmos bestaat uit de samenhang van aspecten, mèer specifiek: modale structuren. Maar een modale structuur bestaat niet op de manier waarop een ding, gebeurtenis of samenlevingsverhouding bestaat. Bij de aspecten gaat het nooit om een 'wat', maar om een 'hoe', om een wijze van zijn. Een aspect kan ook slechts worden geabstraheerd uit de totale ervaringssamenhang, terwijl we in het alledaagse leven alleen te maken hebben met concrete dingen: men ontmoet geen biotisch aspect an sich in de werkelijkheid, maar wel een plant. Nu zijn er vele wijzen waarop men de wereld van de dingen, processen, gebeurtenissen en samenlevingsverhoudingen kan kategoriseren. Bekende pogingen daartoe werden ondernomen door Plato, Aristoteles, Thomas en anderen. Dooyeweerd is echter met deze pogingen niet tevreden en hij benadert de werkelijkheid met het begrip individualiteitsstructuur. Elk ding, elke gebeurtenis en elke samenlevingsverhouding, heeft een individualiteitsstructuur, precies zoals een aspect een modale structuur heeft. De individualiteitsstructuren worden ook wel typische structuren genoemd (ter onderscheiding van de modale structuren) en zijn ook transcendentaal van aard, dat wil dus zeggen dat zij de empirische verschijnselen mogelijk maken en begrenzen. Ook voor deze typische structuren geldt weer dat ze onherleidbaar zijn (soeverein in eigen kring) en dat zij een samenhang vertonen. Terwijl bij de aspecten een samenhang werd gewaarborgd door het geheel van verwijzingen naar de andere aspecten, wordt de samenhang bij de typische structuren tot stand gebracht door de zogenaamde enkaptische vervlechtingen. Laten we als voorbeeld de individualiteitsstructuur van een plant nemen.

Een plant fungeert in het getalsaspect, ruimtelijk aspect, bewegingsaspect, een fysisch aspect. Echter geen van deze aspecten is wezenlijk voor de plant, want ook een steen fungeert in al deze aspecten. Specifiek voor de plant is de biotische, de levensfunctie. Dit voor de plant nu meest karakteristieke moment noemen we de kwalificerende functie of bestemmingsfunctie. Zo zien we dat de leer van de aspecten een eerste aanzet vormt tot ordening van het totaal van verschijnselen waarmee we in het alledaagse leven geconfronteerd worden. Nu blijkt de plant gekwalificeerd te worden door de hoogste subjectsfunctie. Dit is echter niet het geval met alle individualiteitsstructuren. Men denke aan een beeldhouwwerk. Is daarvoor de hoogste subjectsfunctie, te weten de fysische, het meest karakteristiek? Beslist niet! Specifiek voor een kunstvoorwerp is immers de esthetische dimensie. De esthetische is dan ook de kwalificerende functie en de cultuur-historische functie (een beeldhouwwerk is het product van menselijke vormgeving aan een bepaald materiaal) noemen we de funderingsfunctie. Het fysisch materiaal (marmer bij voorbeeld) is, zo heet het in de terminologie van Dooyeweerd, enkaptisch vervlochten in het beeldhouwwerk, waarbij het marmer ontsloten wordt door de esthetische bestemmingsfunctie van het beeldhouwwerk. De term enkapsis ontleent Dooyeweerd overigens aan de anatoom Heidenhain, die haar beperkte tot biologische verschijnselen. Onder de organische enkapsis wordt verstaan: de typische verbinding van organen (nieren, longen, hart, etc.) binnen een (hoger) levend organisme. De organen zijn dan niet slechts delen van het lichaam, maar behouden een organische individualiteit. Dooyeweerd hanteert deze term nu in een algemeen wijsgerige betekenis en verstaat onder enkapsis dat in een vormgeheel verschillende individualiteitsstructuren met elkaar vervlochten en verbonden zijn met behoud van hun typische interne structuren.

8. De samenleving

We hebben nu gesproken over de individualiteitsstructuren van dingen, maar ook een samenlevingsverhouding heeft een individualiteitsstructuur. Zo behandelt Dooyeweerd de structuur van het gezin, het huwelijk, de staat e.d. De staat bijvoorbeeld, vindt zijn funderingsfunctie in het cultuur-historisch aspect. De staat is het product van een langdurige historische ontwikkeling en kon pas ontstaan nadat allerlei ongedifferentieerde samenlevingsverhoudingen waren afgebroken. Het staatsinstituut kenmerkt zich door machtsconcentratie bij de overheid. Maar de staat is geen machtsinstituut zonder meer (wat Marxistisch geïnspireerde auteurs daar ook van denken mogen). Immers, met een woord van Augustinus, 'als de gerechtigheid verdwijnt, wat zijn staten anders dan roversbenden in het groot?' De staat
komt pas tot haar bestemming in het juridisch aspect: de staat is wezenlijk, dat wil zeggen naar zijn intern structuurtype, een rechtsstaat (Van Eikema Hommes, 1982c). Volledig geformuleerd heeft de staat als typische cultuurhistorische fundering de monopolistische organisatie van de zwaardmacht over een bepaald territoir (Dooyeweerd, 1969), en als bestemmingsfunctie van de staat ziet Dooyeweerd de typische publieke rechtsfunctie: de publieke rechtsgemeenschap van overheid en onderdanen binnen het staatsterritoir. Nu is deze visie binnen protestantse kring niet algemeen geaccepteerd. Met zijn benadrukking van de staat als een monopolistische organisatie van de zwaardmacht, wijkt Dooyeweerd af van een belangrijke stroming in de protestantse theologie. Zo had Emil Brunner in zijn boek Das Gebot und die Ordnungen (1932) geschreven: 'Een christelijke staat bestaat niet en zal ook nooit bestaan' (Dooyeweerd, 1968). Volgens Brunner is namelijk het tijdelijk leven zo doordrongen van de zonde, dat van een christelijke staat evenmin sprake kan zijn als van een christelijke kunst of christelijke economie. Alleen wereldlijke ordeningen spelen hier een rol. Deze extremistische visie acht Dooyeweerd echter even onjuist als de Thomistische, waarin de staat wordt gezien als hoogste gemeenschap. In deze laatste benadering, die uiteindelijk is terug te voeren op Aristoteles, schuilen totalitaire tendensen. Immers alle maatschappelijke verhoudingen als huwelijk, gezin, etc., worden dan gezien als onzelfstandige delen van de staatsgemeenschap. Zo schrijft Aristoteles in het eerste boek van zijn Politica dat 'de staat prioriteit heeft boven het gezin en het individu, want het geheel moet eerder zijn dan de delen' (1253al). Terecht schrijft Paul Deussen van deze passage: 'Hierin liegt, dass der Mensch von Natur an nicht ein Ganzes, sondern nur ein mèros, ein Teil ist' (Deussen, 1911). Deze, ook door Dooyeweerd verworpen opvatting, staat in de sociologie bekend als universalisme. Even onjuist als het sociologisch universalisme (Aristoteles, Thomas, Hegel) is het sociologisch individualisme (Spencer) waarbij de maatschappij herleid wordt tot autonome enkelingen.

9. Slot

Mijns inziens is Dooyeweerd erin geslaagd een bijzonder originele filosofie te ontwikkelen, die minder de aandacht heeft getrokken dan zij verdient. De beschouwingen van Dooyeweerd en Van Eikema Hommes over de staat als wezenlijke rechtsstaat, lijken mij bij voorbeeld veel dieper te graven dan wat A. M. Donner over aard en functie van de staat naar voren brengt. In zijn Handboek van het Nederlandse staatsrecht schrijft Donner, dat de constructies van Dooyeweerd 'te juridisch en te statisch' (Donner, 1977) zouden zijn om een richtsnoer voor het staatkundig handelen te kunnen bieden. Ook meent Donner dat de staatstheorie van Dooyeweerd het historisch gegroeide tot norm zou verheffen. Verder zou de staat te eenzijdig als rechtsorganisatie worden gezien. Inderdaad wordt bij Dooyeweerd de staat als rechtsorganisatie gezien. Maar is dit eenzijdig? Opmerkingen van Donner als: 'de staat, dat zijn de dijken', zijn weliswaar bijzonder ludiek, maar in theoretisch opzicht toch niet bijzonder waardevol (Koekoek, 1982). Hoezeer de theorie van Dooyeweerd een richtlijn kan bieden voor uiterst aktuele problematiek als de begrenzing van de staatsbemoeienis, kan men lezen in de rede die A. K. Koekoek uitsprak bij zijn aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in het staats- en administratief recht aan de Katholieke Hogeschool te Tilburg. Geïnspireerd door Dooyeweerd, schrijft Koekoek, dat wanneer de behartiging van het algemeen belang 'gebonden wordt aan het structuurprincipe van de staat, daarin een begrenzing van de staatstaak ligt, waardoor de rest van de samenleving, in al haar verscheidenheid, in haar waarde wordt gelaten. De overheid moet optreden wanneer instandhouding en ontwikkeling van de publiekrechtelijke gemeenschap van overheid en volk dat vereist, maar niet dan met erkenning van de eigen aard van andere samenlevingsstructuren en na afweging van hun private belangen tegen het publiek belang' (Koekoek, 1982). Tegen de fnuikende ontwikkeling van een ongebreidelde overheidsbemoeienis een krachtige waarschuwing te hebben laten horen, is een grote verdienste van Dooyeweerds staatsleer. Vanuit het perspectief van Dooyeweerd is ook de staatsabsolutistische ontaarding van de Marxistische utopie volkomen te begrijpen. Immers reeds in de Marxistisch- Hegeliaanse staatsopvatting, die uiteindelijk, zoals we hebben gezien, is terug te voeren op Aristoteles, liggen de kiemen van de totalitaire maatschappij verankerd, omdat men geen oog heeft voor de onderlinge onherleidbaarheid van maatschappelijke verbanden. De staat slokt als een almachtige Leviathan de andere maatschappelijke verbanden als onzelfstandige delen in zich op. Naast de betekenis van Dooyeweerds filosofie voor de staatsleer, kan men dan wijzen op de rechtsfilosofie. Ook op het terrein van de rechtsfilosofie biedt de benadering van de Wijsbegeerte der wetsidee mijns inziens interessante perspectieven. Het betreft dan voornamelijk het feit dat de rechtsleer van Dooyeweerd het juiste midden weet te bewaren tussen de twee eeuwenoude scholen van het juridisch positivisme en de natuurrechtsleer. Natuurrecht is een moeilijk af te perken term. Maar de grote hoeveelheid van opvattingen die men doorgaans onder deze noemer brengt, heeft toch wel één kenmerk gemeen: dat naast of boven een naar tijd en plaats verschillend positief recht een hoger en beter recht wordt aangenomen. Het natuurrecht is een per sé geldend recht dat onafhankelijk van de positiefrechtelijke vormgeving gekend kan worden en gelding heeft. Nu schuilt in deze visie op het recht ongetwijfeld een kern van waarheid: de erkenning namelijk dat een door en door onrechtvaardig recht geen gelding krijgt door het blote feit dat het op rechtsgeldige wijze tot stand komt (zoals het juridisch positivisme leert). Anderzijds voert het natuurrecht tot een dualistisch rechtsbegrip; immers naast het positief geldend recht wordt een per sé geldend natuurrecht erkend. En dat voert tot een ongerijmde situatie, want naast het per sé geldend recht heeft een positief recht met dezelfde inhoud en hetzelfde geldingsgebied geen enkele zin. De benadering van Dooyeweerd vaart nu tussen de Scylla van het dualistisch rechtsbegrip van het natuurrecht en de Charybdis van het juridisch positivisme dat geen bovenwillekeurige inhoud van het recht erkent, behendig door. Dooyeweerd, en in zijn voetspoor Van Eikema Hommes, kennen aan de juridische principes een beginselkarakter toe: het zijn geen abstracties die wegens hun gelding per sé geen positivering nodig hebben, nee, vorm en inhoud, of, wat hetzelfde is: positivering en rechtsbeginsel, zijn intrinsiek op elkaar betrokken. Het dilemma natuurrechtsleer/juridisch positivisme is dus niet onoverkomelijk. 'Er bestaat een derde weg, waarop we erkennen niet alleen dat alle recht positief recht is, maar tegelijk dat geen positief recht mogelijk is zonder boven-willekeurige, materiële rechtsbeginselen, die de inhoud van het geldende recht bepalen. Omgekeerd zijn de materiële rechtsbeginselen geen geldend recht, wanneer zij niet worden opgenomen in het dynamisch rechtsvormingsproces' (Van Eikema Hommes). De weg van de rechtsbeginselen lijkt mij een zeer plausibel alternatief waarin de juiste kern van zowel de natuurrechtsleer als het juridisch positivisme is geïncorporeerd.

Literatuur

Bronowski, J., 1977, The ascent of man (Science Horizons Inc., London).
Deussen, P., 1911 ,Allgemeine Geschichte der Philosophie mit besonderer Berücksichtigung der Religionen, 11,1 (F. A. Brockhaus, Leipzig).
Dilthey, W., 1977, Gesammelte Schriften VIII (B. G. Teubner Verlagsgesellschaft, Stuttgart).
Donner, A. M., 1977, Handboek van het Nederlandse staatsrecht (W E. J. Tjeenk Willink, Zwolle).
Dooyeweerd, H., 1930, De structuur der rechtsbeginselen en de methode der rechtswetenschap in het licht der wetsidee (N.V. Dagblad en Drukkerij de Standaard, Amsterdam).
Dooyeweerd, H., 1954, De analogische grondbegrippen der vakwetenschappen en hun betrekking tot de structuur van den menselijken ervaringshorizon (N.V. Noord-Hollandse Uitgeversmaatschappij, Amsterdam).
Dooyeweerd, H., 1967, Die Philosophie der Gesetzidee und ihre Bedeutung für die Rechtsund Sozialphilosophie, Archiv für Rechts- und Sozialphilosophie, LIII/1.
Dooyeweerd, H., 1968, The christian idea of the state (Craig Press, Nutley, New Jersey).
Dooyeweerd, H., 1969, A New critique of theoretical thought (The Presbyterian and Reformed Publishing Company, USA).
Dooyeweerd, H., 1971, Na vijfendertig jaren, Philosophia Reformata 36, 1-12.
Gulyga, A., 1974, George Wilhelm Friedrich Hegel (Verlag Philipp Reclam jun., Leipzig).
Koekoek, A. K., 1982, Bijdrage tot een christen-democratische staatsleer (Kluwer, Deventer).
Van Eikema Hommes, 1967, De betekenis van de Algemene Rechtsbeginselen voor de Rechtspraktijk (Calvinistische Juristen Vereniging).
Van Eikema Hommes, 1975, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht
(W. E. J. Tjeenk Willink, Zwolle).
Van Eikema Hommes, 1982a, Inleiding tot de wijsbegeerte van Herman Dooyeweerd (Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage). Van Eikema Hommes, 1982b, Methode der encyclopedie en hoofdlijnen van de geschiedenis der rechts- en staatsfilosofie (W. E. J. Tjeenk Willink, Zwolle).
Van Eikema Hommes, 1982c, Moderne rechtsstaat en grondrechten, Philosophia Reformata 47, 97-120.
Vollenhoven, D. H. Th., 1933, Het Calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte (Paris, Amsterdam).
Zwart, J., 1 980, De staatsleer van Herman Dooyeweerd, Philosophia Reformata 45, 109-139.


Mr. P. B. Cliteur (geboren in 1955) was ten tijde van het schrijven van dit artikel als student-assistent verbonden aan de vakgroep Encyclopedie der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Adres: Uilenstede 128-920, 1183 AN Amstelveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.