+ Meer informatie

Het boek der schepping: doel of middei ?

9 minuten leestijd

Je zit ergens langs de slootkant. In de sloot tussen de ronde bladeren drijven de witte kelken van de waterlelie. Een eind verder is nog net een gele plomp zichtbaar In de holle stam van de oude knotwilg schuin achter je wacht een pad het volgende insekt op. Plotseling steekt een kikker zijn kop boven water en laat zijn gekwaak horen. Een paar duikelende kieviten in het weiland voor je kompleteren het tafereel.

Je fietst in het najaar door het bos. Rechts van jebeukebomen. De bladeren zijn aan het afvallen nadat ze een seizoen lang het zonnelicht opvingen en tegenhielden zodat op de grond tussen de stammen andere planten en struiken geen kans kregen. Links staan eiken. Hun luchtige kroon gunt aan andere bosplanten wat meer leven. Als de zon zich laat zien maakt het herfstblad het pad tot een gouden laan.

Wandelend over een smal bergpad in een van de vele zijdalen van het Zwitserse Rhóne-dal. Schuin boven je een alpenwei, overal tussen het gras de mooie bergbloemen, elk op zich alle aandacht waard. Zonder mensenhand ontstond er aan de andere kant een prachtig rotstuintje. Wat verder naar beneden kijk je ove een rood veld van alpenrozen op de witte ijsvlakte van een gletscher. Als het pad een bocht maakt rijst in de verte ineens de top van de Dent Blanche voor je op, ruim 4300 m. hoog. Eenzaam, zoals alles wat hoog is, steekt de top in de lucht.

We lazen enkele bladzijden uit het boek der natuur. De wereld is immers naar wat in artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat „een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn". We denken met elkaar na over dit boek, de Schrijver ervan en het lezen erin.

De Schrijver en Zijn boek

In de Bijbel is eerst sprake van de Schepper, daarna van Zijn schepping. Het heeft de eeuwige God behaagd de aarde te scheppen als een schouwtoneel van Zijn heerlijkheid. Daarmee is de vraag beantwoord die in de titel van dit artikel vervat is. De schepping is geen doel in zichzelf, maar is middel om God te kennen, Hem lief te hebben, te loven en te prijzen. God wil verheerlijkt worden in de werken van Zijn handen.

Het voornaamste scheppingswerk van God is de mens.

Het moet opvallen dat de mens geschapen wordt als de overige scheppingswerken er al zijn. Van meet af aan aanschouwt de mens de volheid van Gods werken. De werken van de Schepper gaan vooraf aan de werken van Zijn schepsel, de mens. God zorgt voor het milieu van de mens. Maar deze gave houdt ook een opdracht in, welke de mens van de sprekende God verneemt. Als een rentmeester mag Adam heerschappij voeren over het geschapene. Hierin staat hij dus onder God, niet in de plaats van God. God blijft Zijn werken onderhouden, Adam mag God daarin dienen. Dit dienen heeft een diepe en veelomvattende inhoud. In het omgaan met het geschapene moet als het grote doel vooropstaan Gods eer en het

God recht kennen. Het gebruik maken van het geschapene mag niet ontaarden in misbruiken en uitbuiten.

De Heere geeft in Zijn Woord vele bepalingen waarin het geschapene beschermd wordt. Het vierde gebod schrijft voor dat ook aan het vee rust toekomt. De rechtvaardige kent het leven van zijn beest (Spreuken 12 : 10). Ook het land krijgt eens in de zeven jaren zijn sabbat (Exodus 23, Leviticus 25). Het genieten van wat God schiep mag niet tot onmatigheid leiden. God moet erin gekend en erkend worden.

De mens als beelddrager van God kon dit alles als hij bleef in de volstrekte afhankelijkheid jegens Zijn Schepper. Zo leidde voor de bewoners van de hof van Eden in de staat der rechtheid kennis der natuur op tot de kennis van de Schepper. Ze hoorden de stem van de HEERE God aan de wind des daags. En zoals Adam en Eva God recht kenden zo kenden zij de natuur ook volkomen.

Adam toonde de eigen aard der dieren te kennen door aan hen namen te geven. Zo zien we dat de natuur middel is om Je zit ergens langs de slootkant. boek van weleer is in onze handen beduimeld.

Het boek in mensenhanden

Wat is ervan terechtgekomen? We weten van het vreselijke gebeuren in het paradijs. De mens heeft de band met de Schepper doorgesneden. Door dat feit wordt ons aller leven fundamenteel bepaald. De beelddrager van God is een doelmisser en overtreder geworden. We gaan niet meer tot Gods eer met het geschapene om. En wat God ons met betrekking tot Zijn schepping geboden heeft, wordt door ons niet onderhouden.

Ons zicht op de schepping is daardoor verduisterd. We kennen God niet meer recht uit Zijn werken. We maken de schepping los van de Schepper. Dat uit zich zowel in een modern verafgoden van het milieu als ook en veelmeer in het vervreemden van de schepping.

Dat blijkt tot in ons taalgebruik. We spreken van: „het regent" en niet meer van , , God geeft regen", van , , het onweert", en niet meer , , God spreekt". Wat Gods hand werkte, wordt bij ons

materie voor onze technische processen. Onze kuituur is niet meer het kreatief omgaan met het geschapene, maar ontneemt vaak het zicht op het geschapene. We buiten de schepping uit, plegen roofbouw, vergiftigen en verontreinigen het milieu. Ten diepste zijn een leeg bierblikje naast die waterlelie in de sloot en het radio-aktief verontreinigde Rijnwater uiting van de mens die de Schepper en de werken Zijner handen de rug heeft toegekeerd.

Ook door het geschapene zelf loopt een scheur. Niet dat het aardse, het lichamelijke het zondige is, wel deelt de schepping in de gevolgen van de zonde. De oorspronkelijke harmonie uit de hof van Eden is weg. De doelgerichtheid van Gods werken is zoek. Het schepsel is aan de ijdelheid, de doelloosheid onderworpen en zucht van verlangen naar verlossing. Een verlossing die samenvalt met de openbaring van de heerlijkheid van de kinderen van God (Romeinen 8).

De schepping is de oorspronkelijke luister kwijt. Daarin is zij een teken van onze ontzaglijke schuld. Het schone boek van weleer is in onze handen beduimeld.

God houdt het boek open

God blijft Zich te kennen geven. In Zijn goedheid gaat de tijd voort na het paradijsgebeuren. Ook in de werkelijkheid die ligt onder de gevolgen van de zonde openbaart God Zichzelf. God blijft Zijn schepping trouw. Daarom zal er door het oordeel heen ook een nieuwe hemel en aarde komen waarop gerechtigheid wonen zal.

In Rom. 1 : 20 lezen we van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid die verstaan en doorzien worden vanuit de schepselen. En Paulus wijst de heidenen in Lystra en Athene op Gods zorg in Zijn scheppingswerken (Hand. 14 en 17), die hen moeten opwekken God te zoeken.

Christus gebruikt talloze malen beelden ontleend aan de schepping om de boodschap der zaligheid duidelijk te maken. Hij sprak van wijnstokken en korenvelden, van vogels en leliën voor welke God zorgt.

En de Israëliet die er door het geloof iets van mocht opmerken, ging ervan zingen. Lees maar psalmen als 8, 19, 29 en 104. De laatste psalm bezingt Gods schep-

ping aan de hand van de opeenvolgende scheppingswerken van de zes dagen. God is onbegrijpelijk goed dat Hij ondanks de zonde en haar gevolgen ons deze schoonheid nog laat zien. Een vaak indrukwekkende pracht ontmoeten we om ons heen in de schepping. Of dat nu de schepping is die alleen onder het vergrootglas voor ons ontsloten wordt of bijvoorbeeld de wereld van de ontelbare sterren die je als mens je zo nietig doet gevoelen.

Waarom doet de Heere dat nog voor ons, zo onverdiend? Paulus houdt het de Atheners en ons voor: opdat zij de Heere zouden zoeken! God laat via onze zintuigen een appèl tot ons komen om aan onze Schepper te gedenken! Sla je er geen acht op? Dan ben je niet te verontschuldigen. Mensen die wel van de schepping genoten hebben, maar de Schepper niet eerden, hebben geen voorwendsel meer over.

Lezen in het boek

Van nature lezen we verkeerd in het boek der schepping. We zijn zover afgedwaald dat we Gods appèl via Zijn werken niet meer opvangen. We verdraaien het, bedrijven er afgoderij mee en verstoren de verhouding met onze naaste en de schepping. Calvijn spreekt van de mens die Gods schone gaven niet opmerkt als een varken die wel de eikels opeet die van de boom vallen maar het niet opmerkt omdat zijn snuit altijd naar beneden is gericht.

Voor het lezen in het boek der schepping hebben we het Woord nodig.

Als dat door de werken van de Heilige Geest toegepast wordt aan je hart leer je God kennen en leer je jezelf kennen. Dan wordt de vreze des Heeren in je hart gewekt. Deze kennis brengt tot Christus. De kennis van God uit de natuur nooit. De tere band met de Schepper doetje ook letten op Zijn werken. Je gaat in alle dingen Gods hand opmerken. Het boek der natuur gaat op een nieuwe manier voor je open.

Deze natuur mogen we verantwoord gebruiken. We mogen er ook verantwoord van genieten. Daar spreekt de Bijbel ook van. Voor de Israëliet was het een ideaal te zitten onder zijn wijnstok en vijgeboom.

Calvijn zegt: „Zou de Heere de bloemen een zo grote schoonheid geschonken hebben, die zich vanzelf aan onze ogen voordoet, een ze grote lieflijkheid van geur, die in onze reukorganen komt, en zou het dan niet geoorloofd zijn dat de ogen getroffen worden door die schoonheid, of de neus door die heerlijke geur? " (Institutie III, 10, 2).

Daarom: heb aandacht voor de natuur als Gods schepping. Er is zoveel in onze tijd dat vervreemdend werkt ten aanzien van de schepping.

Trek eens in je vrije tijd en in de vakantie de natuur in, alleen of met anderen. Laatje erover voorlichten. Doe het bij het licht van Gods Woord. Als je zo iets mag opmerken van Gods grootheid en heerlijkheid in de natuur ga je de dichter van psalm 8 verstaan: „O, HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde".

Of, zoals Guido Gezelle dichtte:

Mij spreekt de blomme een tale, Mij is het kruid beleefd, Mij groet het altemale Dat God geschapen heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.