+ Meer informatie

„Leest onze wijkouderling Wolkers?”

8 minuten leestijd

(Enkele opmerkingen over de relatie ambtsdrager en moderne literatuur)

De titel lijkt wat uitdagend, de zaak waar het om gaat is deze: heeft de kerk in haar ambtelijk werk iets te maken met de, vooral modérne, literatuur en de mogelijke problemen die door die literatuur worden opgeroepen? Ambtsdragers, met name predikanten en ouderlingen, die hun huisbezoeken als gezinsbezoeken opvatten, zullen deze vraagstelling niet vreemd vinden. Zij, immers, worden geconfronteerd met wat er leeft in de gezinnen, zij zullen in gesprek (willen) komen met de opgroeiende jeugd; zij zullen ook met begrip moeten kunnen luisteren naar verontruste, misschien zelfs verontwaardigde ouders, die tijdens zo’n huisbezoek de vraag stellen: „Vindt u dat mijn zoon zulke vuile boeken moet lezen van school? Wij hebben als ouders eens zo’n boek ingezien; we vinden het te vies om aan te pakken.”

Zelfs als ouders deze problematiek niét aansnijden, weet de ambtsdrager, — behóórt hij althans te weten — dat in elk gezin waar kinderen van de „middelbareschoolleeftijd” zijn, de literatuur op de een of andere wijze de aandacht opeist. Het is nu eenmaal zo, dat elke middelbare scholier in het voortgezet onderwijs te maken krijgt met de zgn. literatuurlijst. Zo’n lijst is als het ware het bewijs van het contact dat de leerling gehad heeft met het werk van diverse auteurs. Die literatuurlijst is een wettelijke eis, bovendien: kennis van en inzicht in de Nederlandse literatuur moeten de kandidaten tonen aan de hand van een door hen te overleggen lijst van literaire werken.

Moeten Wolkers en Van het Reve dus aanvaard worden als boeken „voor de lijst”? „Moet mijn dochter dus echt, verplicht, die vuilschrijverij in zich opnemen?” Zo kan de vraag van vader of moeder bij dominee of ouderling terechtkomen.

Hoewel het in dit artikel niet allereerst om de beantwoording van deze ene vraag gaat, lijkt het van belang meteen een mogelijke misvatting uit de weg te ruimen. Het is namelijk niet zo, dat de school een leerling/examenkandidaat kan verplichten, a.h.w. bij de wet, een bepaald werk op de literatuurlijst te plaatsen. De nuchtere werkelijkheid is wèl, dat literatuurlijsten meestal tot stand komen in overleg met de docent, soms zelfs op zijn advies. Niettemin is het voor ouders goed om te weten, dat de leraar uiteindelijk slechts heeft te beoordelen of de kwaliteit van de lijst goed genoeg is. Hier blijft duidelijk ruimte voor leerlingen (en hun ouders) om door persoonlijke keuze vorm te geven aan de eigen waardering van literatuur. Soms zal dit een intensiever contact eisen tussen ouders en school, leerling en leraar; soms zal het zelfs moeite met zich kunnen meebrengen als b.v. een docent geen begrip kan opbrengeu voor de principiële bezwaren van ouders. Toch: deze weg is begaanbaar!

Natuurlijk is de kous hiermee niet af. Want hoe men het ook wendt of leert: in geen geval zal men een literatuurlijst kunnen opstellen, waarop uitsluitend werken van christelijke auteurs voorkomen. Dat zou ook niet terecht zijn; de letterkunde wordt immers niet „gemaakt” door christelijke auteurs. Hun aandeel is zelfs vrij klein. In de gang naar de volwassenheid komt de leerling in contact met de wereld, de samenleving, de werkelijkheid. Die werkelijkheid ontmoet hij, óók in de literatuur, als een veelszins van God vervreemde wereld. Zijn literatuurlijst zal een representatieve, zij het zeer beperkte, weergave moeten zijn van de voornaamste literaire „verschijningen” in verleden en heden. En daarmee is de confrontatie met het werk van hedendaagse auteurs minstens een onderdeel van het literatuuronderwijs.

Wie nu mocht denken, dat het probleem „dus” opgelost is, als we die romans en verhalen kunnen weren, die zich onderscheiden door grof taalgebruik, schunnige voorstellingen en Godslasterlijke passages, zou zich vergissen. De zaak ligt veel moeilijker, maar is ook nog veel klemmender. Het gaat hier ten diepste om de vraag: wat gebeurt er bij het lezen van literatuur? En het is vooral bij het nadenken over déze vraag dat de ambtsdrager in de gemeente des Heren met de neus op de werkelijkheid gedrukt wordt en verantwoordelijkheden kan ontdekken die op hem rusten in z’n zorg om „de kudde”.

Wat gebeurt er bij het lezen van literatuur? Op twee elementen in deze vraagstelling wil ik in het kort ingaan; nl. op literatuur en op lezen. Het spreekt vanzelf, dat het hierbij niet de bedoeling is op tal van op zichzelf boeiende literair-theoretische kwesties in te gaan. Voor ons doel geldt de vraag van de pastorale praktijk. Wat bedoelt een leerling, een huisvader, wat bedoelt die bezorgde moeder met „de moderne literatuur”? Ik zou daar als antwoord op willen geven: die boeken (romans, verhalen, gedichten) waarin auteurs op een bepaalde, indringende wijze vorm hebben gegeven aan hun levenssituatie, hun levenservaringen, hun „kijk op het leven”. En daarmee is voor ons doel heel veel gezegd. „Op indringende wijze”, d.w.z. met alle middelen waarmee kunst te werk kan gaan, worden we betrokken bij een bepaalde werkelijkheidsbeleving, zoals de kunstenaar die heeft vorm gegeven. En nu rijzen de vragen. Bijvoorbeeld deze:

— wat is het voor werkelijkheid die deze schrijver oproept?

— vanuit wat voor levenshouding beschrijft hij die?

— waar loopt zijn „visie” op uit?

Want één ding kan duidelijk zijn: in de moderne literatuur spiegelt zich onze tijd. Alles wat deze tijd aan denken en voelen, aan onberedeneerde angsten en existentiële ervaringen, aan hoop en vrees, aan lusten en listen kent, weerspiegelt zich in de literatuur. Dat betekent onder meer: wie dit leest, ontmoet op een bepaalde, verhevigde manier de werkelijkheid van deze wereld. Het betekent óók: ontmoeting met zichzelf, want die wereld leeft ook in ons, is onze wereld. In deze zin kan de moderne literatuur op schokkende wijze ons ontdekken aan onszelf door ons a.h.w. de wezenlijke gelaatstrekken van „een mens van deze tijd” te laten zien. Want hoe afwijzend we ook vanuit een Schriftuurlijke levensovertuiging tegenover geest en sfeer van vele moderne romans staan, de subjectieve eerlijkheid van de auteurs ervan mogen we niet in twijfel trekken. Integendeel: zij hebben gelijk! Dat wil zeggen: wie God inderdaad zó verlaat, heeft dit te vrezen! Naar mijn stellige overtuiging laat veel moderne literatuur op een onthullende en vlijmscherpe wijze zien, wat er van ons, moderne mensen is geworden zònder God: I eenzaamheid, angst en wanhoop, sexuele ontreddering, machteloosheid en besef van de zinloosheid van het bestaan, vlucht in de gemeenschap en de compensatie in het materialistische zijn immers voor wie goed kijkt de werkelijkheden van velen!

Die „wereld” zit ook in òns bloed. Maar het is de van God vervreemde wereld. En wie dáárover de waarheid wil weten, slaat z’n Bijbel open en leest … Wie anders dan juist de ambtsdrager, predikant èn ouderling, zal dèze werkelijkheden moeten kennen: het zijn de werkelijkheden van zonde en genade waarin hij z’n catechisant, de middelbare scholier ontmoet, misschien wel betrapt … Want literatuur wil gelezen worden. Hierboven is al gezegd, dat een begaafd auteur op indringende wijze een wereld oproept. Het goed geschreven verhaal is een werkelijkheid, die de lezer uitnodigt, a.h.w. verleidt naar binnen te stappen, om haar mee-te-beleven. Dat is de macht van literatuur. Wie leest, treedt de wereld van het verhaal binnen, gaat daarin op, speelt mee. Anders gezegd: wie leest, gaat over tot identificatie. Dr. Rijnsdorp merkt ergens op: „Het is eenvoudig onmogelijk een boek uit te lezen zonder een vorm van identificatie”. Alle literatuurtheoretici zijn het daarover wel eens: als lezer neem je deel aan de opgeroepen werkelijkheid. Wie nu even teruggaat naar wat gezegd is over de moderne literatuur en dit combineert met dit belangrijke aspect van het lezen: de identificatie, die kan tot geen andere conclusie komen dan deze: de moderne literatuur betekent voor de jeugd van de kerk een uitermate indringende, en even zo gevaarlijke confrontatie met „de wereld van vandaag”. Wie daarbij bedenkt, dat die wereld ook in het hart van diezelfde kerkjeugd woont, beseft hoe groot de zuigkracht kan zijn die van deze literatuur uitgaat.

Wat dan? Er is, dacht ik, maar één antwoord: wij zijn in deze wereld geplaatst en de Schrift leert ons de wapenrusting van het geloof aan te doen. Wie dat doet, weet dat hij strijden moet. Hij weet ook, dat hij de wapens van de tegenstander moet kennen. Daarom zal de confrontatie met de moderne literatuur moeten plaats vinden, maar dan wel onder leiding van docenten en van ouders die weet hebben van de wijze waarop de vurige pijlen van de boze kunnen worden uitgeblust.

Naar mijn mening zal de opgroeiende jeugd in wat ze van de kansel hoort en op huisbezoek ervaart, moeten herkennen: de leiding van hen die als opzieners over de gemeente zijn gesteld. Daarom wil ik dit artikel graag besluiten met de nadrukkelijke verwijzing naar een boekje*), dat op bijzonders wijze hulp kan bieden aan ouders èn ouderlingen (predikanten niet uitgezonderd) die antwoord moeten kunnen geven op vragen rondom de moderne literatuur.

*) G. Slings: Een boos en overspelig geslacht. (De moderne literatuur als teken des tijds). Oosterbaan & Le Cointre B.V. - Goes.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.