+ Meer informatie

Er zijn ook mooie nachtvlinders

7 minuten leestijd

Iedereen kent nachtvlinders, vaak voor het gemak motje genoemd. Men denkt meestal dat nachtvlinders allemaal van die bruinig gekleurde, oninteressante motjes zijn, maar niets is minder waar; er zijn heel kleurige soorten onder. Wist u dat er rupsen zijn van 13 cm lang en dat vlinders soms 50 km/u vliegen?

Wat is nu eigenlijk het verschil tussen dag- en nachtvlinders? Wel simpel, zult u zeggen: dagvlinders vliegen vrijwel allemaal overdag. Dat klopt, maar nachtvlinders vliegen lang niet allemaal 's nachts. Een ander kenmerk: dagvhnders klappen over het algemeen in rust hun vleugels recht omhoog tegen elkaar aan, terwijl nachtvlinders meestal hun vleugels plat naar achter over hun lijf leggen. Maar niet altijd dus! Het kenmerk waar je het beste op af kunt gaan zit in de sprieten of antennes van de vlinders. Bij dagvlinders eindigen die sprieten altijd in een knopvormige verdikking. De sprieten van nachtvlinders kunnen glad zijn of geveerd of spatelvormig verdikt, maar ze hebben nooit een knopje.

Geuren
Die groep van nachtvlinders gaan we eens nader bekijken. De sprieten zijn de reukorganen van de vlinder. Geuren spelen een belangrijke rol, niet alleen bij het voedsel zoeken, maar ook bij het vinden van een partner. Vooral nachtvlinders zijn daarbij aangewezen op hun reukvermogen, want zij kunnen in het donker niet echt goed zien. Dat reukvermogen is vaak formidabel; de vrouwtjes van bij voorbeeld de kleine nachtpauwoog zitten verscholen tussen bladeren op de grond en verspreiden uitjaun achterlijfsklier reukstoffen, feromonen genoemd, die een kilometerslang geurspoor kunnen vormen, afhankelijk van kracht en richting van de wind. De mannetjes hebben grote vlagachtige sprieten, waarmee ze die geurstoffen kunnen opvangen en dan is het gewoon een zaak van het spoor volgen tot de bron - het vrouwtje!

Eitjes
Na de paring volgt de ei-afzetting. Daarvoor zoekt het vrouwtje de juiste voedsel- of waardplant uit. Uit de veelheid van blaadjes en plantestengels kiest ze juist die plant waarop de rupsen straks groot kunnen worden. Vlinders beschikken over ongelooflijk gevoelige organen, die ervoor zorgen dat maar heel weinig eitjes op een verkeerde plaats terecht komen. Om te beginnen gaan veel vlindervrouwtjes af op kleur, waarbij ze heel kleine nuances kunnen onderscheiden. Als ze wat dichterbij zijn gekomen gaat de geur een rol spelen en het uiterlijk van de plant, bij voorbeeld de vorm van een blad. Alleen geur en uiterlijk van de plant is nog niet genoeg; nu gaat het vlindervrouwtje heel precies vaststellen of het echt helemaal naar haar zin is. Daarbij gebruikt ze haar sprieten, de palpen -dat zijn de korte harige hoorntjes ter weerszijden van de roltong, die dicht bezet zijn met tastorgaantjes- de roltong en zelfs haar poten om de chemische samenstelling, het weefsel en de sappigheid van het blad te testen, die haar toekomstig kroost nodig heeft. Hoe geschikt een plant ook lijkt te zijn, als er al eitjes op zitten, zoekt het vrouwtje verder naar een "lege" plant.

Ringen
Het aantal eieren dat gelegd wordt varieert van een paar dozijn tot een paar honderd. Verschillende soorten vlinders hebben zo hun eigen soorten eitjes en hun eigen patroon van eitjes leggen. De donsvlinder, een met wit dons bedekte nachtvlinder, legt een hoopje eieren bij elkaar op een blad en bedekt dat met losse haren van haar achterlijf De ringelrupsvlinder legt haar eitjes keurig in ringetjes om een grasspriet of takje heen en de hopvlinder strooit haar eitjes al vhegend losjes in het gras. Uit al die verschillende soorten eitjes komen na enige tijd rupsjes in allerlei soorten en maten. Voor tuinliefhebbers is het soms best moeilijk te verwerken, maar het feit ligt er nu eenmaal: zonder rupsen geen vhnders! Die rupsen kunnen heel aparte vormen en kleuren hebben. Vooral bij de nachtvlinders zijn er die je haast niet als rups zou herkennen. Het doel daarvan is te voorkomen dat ze gegeten worden, want rupsen zijn geliefde vogelhapjes. Sommige rupsen worden niet gezien omdat ze op iets oneetbaars lijken, een takje of een > vogelpoepje. Andere zien er afschrikwekkend uit, zoals de rupsen van het groot avondrood, die grote "ogen" hebben op het verdikte deel van het lichaam achter de kop. Die rupsen zal menigeen wel eens gezien hebben, het zijn beruchte hefhebbers van fuchsiablad en ze worden ook wel olifantsrupsen genoemd. Er zijn heel harige rupsen; dat vinden vogels niet fijn, want zo'n harige hap blijft in hun keel steken. Weer andere hebben felle kleuren, die waarschuwen: pas op, ik ben giftig! Er zijn zelfs rupsen die straaltjes gif kunnen spuiten naar hun belagers, zoals de rups van de grote hermelijnvlinder, waarbij uit buisjes aan het achtereind van het lichaam twee lange rode draden kunnen schieten en een straaltje gif uit een kher onder zijn kop.

Eten
Een rups is een eetmachine; zijn enige taak is zo veel mogelijk te eten, want dan zal de vlinder waarin hij moet veranderen beter zjn taak -de voortplanting- kunnen vervullen. Doordat hij zoveel eet, groeit hij ook snel en omdat zijn vel niet mee kan groeien, barst hij er op een gegeven moment letterlijk uit. Onder het oude vel zit dan al een nieuw, ruimer vel dat weer een flinke groei toelaat. Een rups vervelt in zijn leven vier a vijf keer; sommige veranderen daarbij ook van kleur en/of uiterlijk. Als de rups ten slotte genoeg gegeten heeft en volgroeid is, gaat hij op zoek naar een geschikt plaatsje om zich te verpoppen. Heel veel nachtvlinders spinnen daarvoor eerst een cocon om zich heen, een soort beschermend huisje, waarbinnen zij zich redelijk veilig kunnen verpoppen. De kleine nachtpauwoog maakt een mooi bol spinsel tussen heidetakjes, met een klein tuitje waar later de vlinder door naar buiten kan. De grote hermelijnrups bijt kleine stukjes schors van een boomstam en verwerkt die in de cocon. Als de cocon klaar is, zie je op de stam van de boom alleen een verdikking, waarachter de rups zich dan verpopt.

Vlinder
Ten slotte komt uit al die poppen, als de tijd daar is, het volwassen imago, de vlinder. Waar de taak van een rups is: eten! is de taak van een vlinder: voortplanten! Daarbij is enige haast wel geboden, want de meeste vlinders leven maar kort. Soms zelfs zo kort dat ze geen voedsel gebruiken, maar teren op de reserves die de rups opgebouwd heeft. Sommige vlinders hebben niet eens een roltong. Hoe vlinders die 's nachts vliegen elkaar vinden, is in het begin van dit verhaal al gezegd; de vrouwtjes zenden geursignalen uit, waar de mannetjes op af komen. Er zijn vlindersoorten waarbij de vrouwtjes geen vleugels hebben, zoals de witvlakvlinder. Ze zien eruit als een torretje en ze blijven in de buurt van de pop waar ze uitgekomen zijn, zitten. Ook vlinders worden bedreigd door verschillende gevaren. De 's nachts vliegende soorten worden bejaagd door vleermuizen. Een remedie daartegen is harig zijn, want daardoor wordt het sonarsysteem van de vleermuizen verstoord. De zwart-met-rood gekleurde St. Jans- en St. Jacobsvlinders zijn giftig. Wespvlinders -de naam zegt het al- zien eruit als wespen. Dat heet mimicry en er zijn heel wat nachtvlindersoorten die zich daarvan bedienen om zich veilig te stellen. Camouflage wordt ook veel toegepast om niet op te vallen in de omgeving. De doodshoofdvlinder heeft er weer iets anders op gevonden: hij piept als een muis als hij opgeschrikt wordt.

Rups van 13 cm
Die doodshoofdvlinder is een heel spectaculair beest, de rups kan wel 13 cm lang worden en de vlinder is onze grootste nachtvlinder. Het is een trekvlinder die uit Zuid-Europa hierheen komt. De rupsen kunnen gevonden worden in aardappelvelden. Onze winters kunnen ze niet overleven, niet als rups, niet als pop en niet als vlinder. Ieder jaar moeten er nieuwe vlinders uit het zuiden hierheen komen. Hij behoort tot de familie der pijlstaarten -zo genoemd omdat de rupsen vaak een "staartje" hebbendie allemaal heel goede vliegers zijn; ze kunnen snelheden halen van 50 km/uur. Ook het groot avondrood hoort bij deze familie. Van de overdag vliegende soorten zoals het boterbloempje en de St. Jans-vlinder is best veel bekend, maar van de 's nachts vliegende soorten nog maar heel weinig. Om te inventariseren welke soorten in een bepaalde omgeving vliegen, kun je ze vangen met licht, want daar komen ze op af Op een open plek wordt een wit laken gespannen met daarvoor een sterke lamp. Als het weer goed is, zitten er binnen de kortste keren massa's vlinders op het laken. Ze zijn dan makkelijk te vangen in een potje om ze op naam te brengen, waarna ze weer losgelaten worden. Toch moet er nog heel wat onderzoek gedaan worden, eer we net zoveel van hun levenswijze afweten als van die van de dagvlinders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.